Infoblad 113 - Aanwijzing van alle deuren die minimaal 2,30 m hoog moeten zijn

Aan de hand van het Bouwbesluit vaststellen welke deuren minimaal 2,30 m hoog moeten zijn. Ter oplossing van dit probleem dienen vijf stappen te worden gezet, die kunnen worden onderverdeeld in twee fasen.

FASE A. OPZOEKEN VAN DE TOEPASSELIJKE VOORSCHRIFTEN (STAP 1 T/M 3)

1. De relevante afdeling (van het Bouwbesluit) opzoeken
De voorschriften die in verband staan met de afmetingen van deuren zijn gegeven in afdeling 4.3: 'vrije doorgang'.

2. Aan de hand van de tabellen de relevante artikelleden opzoeken en de relevante paragraaf selecteren
Beantwoord de vraag of er sprake is van nieuwbouw dan wel bestaande bouw.

  • Tabel 4.10 in paragraaf 4.3.1 is bestemd voor de nieuwbouwvoorschriften;
  • Tabel 4.14 in paragraaf 4.3.2 is bestemd voor de voorschriften voor bestaande bouw.

In tabel 4.10 zijn grenswaarden van artikel 4.11 en 4.12 gegeven. Artikel 4.11 betreft de voorschriften m.b.t. 'vrije doorgang toegang'; artikel 4.12 betreft de 'vrije doorgang route'.
In tabel 4.10 is bij de grenswaarden van artikel 4.11 en 4.12 het getal '2,3 m' aangegeven.
In artikel 4.11 en 4.12 kan worden afgelezen dat met de in de tabel aangegeven waarde van '2,3 m' een hoogte van de vrije doorgang wordt bedoeld. Deze hoogte komt niet voor in tabel 4.14. Hieruit kan worden geconcludeerd dat deze hoogte niet geldt voor bestaande bouw. Voor wat betreft toegangen is alleen artikel 4.11 van belang.

3. Aan de hand van de tabel(len) de relevante (sub-)gebruiksfunctie(s) selecteren
In tabel 4.10 is bij de grenswaarden van artikel 4.11 bij de volgende subgebruiksfuncties '2,3 m' aangegeven:

Gebruiksfunctie
1 woonfunctie (geen woonfunctie van een woonwagen)
2 bijeenkomstfunctie
3 celfunctie
4 gezondheidszorgfunctie
5 industriefunctie (geen lichte industrie)
6 kantoorfunctie
7 logiesfunctie (voor een logiesfunctie die niet is gelegen in een logiesgebouw geldt de eis alleen indien deze in een toegankelijkheidssector ligt)
8 onderwijsfunctie
9 sportfunctie
10 winkelfunctie

Uit artikel 4.11 blijkt dat met de in de tabel aangegeven waarde van '2,3' een hoogte van de vrije doorgang wordt bedoeld. De hoogte van 2,3 m is dus van toepassing voor alle hierboven genoemde gebruiksfunctie

Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 4 en 5)

Nu de toepasselijke voorschriften (art. 4.11) en gebruiksfuncties in drie stappen zijn gevonden, moeten deze voorschriften worden toegepast. Als volgt:

4. Aan de hand van de geselecteerde artikelleden en de grenswaarde in de tabel vaststellen welke artikelleden specifiek betrekking hebben op de vrije doorgang met een minimale hoogte van 2,3 m
In tabel 4.10 kan worden afgelezen dat voor de onder stap 3 genoemde gebruiksfunctiesartikel 4.11, lid 1 en 2 van toepassing zijn. Uit de voorschriften in combinatie met tabel 4.10 valt op te maken dat voor deze gebruiksfunctie artikel 4.11, lid 1 specifiek betrekking heeft op de minimale hoogte van 2,3 m.

5. Aan de hand van de geselecteerde (sub-)gebruiksfuncties en artikelleden vaststellen welke deuren minimaal 2,3 m hoog moeten zijn
Op grond van artikel 4.11, lid 1 dienen de volgende toegangen een vrije hoogte van minimaal 2,3 m te hebben:
a. Toegang van een verblijfsgebied;
b. Toegang van een verblijfsruimte;
c. Toegang van een toiletruimte;
d. Toegang van een badruimte;
e. Toegang van een gemeenschappelijke opslagruimte voor huishoudelijk afval als bedoeld in artikel 4.59;
f. Toegang van een ruimte voor het bereiken van een in dit lid genoemde ruimte;
g. Toegang van een ruimte voor het bereiken van een liftkooi. Er worden geen eisen gesteld aan de toegang van de lift.

Daarentegen moet de toegang van de liftschacht (de sparing in de bouwkundige schachtwand) wel een minimale hoogte van 2,3 m hebben. Dit om het mogelijk te maken dat later alsnog liftdeuren met een hoogte van 2,3 m kunnen worden geplaatst.

Toelichting bij de eisen inzake vrije doorgang

Achtergrond vrije hoogte van 2,3 m
Wegens de toenemende gemiddelde lengte van de bevolking is de hoogte van deuren van woningen en woongebouwen per 1 januari 2003 aangescherpt van 2,1 m naar 2,3 m. Daarmee wordt de gebruikswaarde van de woningen en woongebouwen voor langere tijd zeker gesteld. Per 1 september 2005 is de hoogte van deurenvan niet tot bewoning bestemde gebouwen (zie stap 3) eveneens aangescherpt. Dit om de toegankelijkheid van deze gebouwen te verbeteren.

Toegang van een ruimte voor het bereiken van een andere ruimte
In artikel 4.11 lid f wordt een minimale hoogte vereist voor een toegang van een ruimte voor het bereiken van een in dit artikel genoemde ruimte. Bij een toegang van een dergelijke ruimte kan worden gedacht aan een toiletruimte die uitsluitend bereikbaar is via een ruimte die niet is genoemd in artikel 4.11 onderdeel a t/m e.
Als eerste voorbeeld kan de toegang van een onbenoemde ruimte worden genoemd. De toegang van een onbenoemde ruimte behoeft in principe niet te voldoen aan de eisen inzake vrije doorgang. Omdat deze onbenoemde ruimte echter bestemd is voor het bereiken van de toiletruimte moet de toegang van deze onbenoemde ruimte op grond van artikel 4.11 lid f een vrije doorgang met een hoogte van minimaal 2,3 m hebben.
Als tweede voorbeeld kan de toegang van een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woongebouw worden genoemd. Dit is de toegang van een gemeenschappelijke verkeersruimte die leidt naar de toegangsdeuren van de in het woongebouw gelegen woonfuncties. Aangezien de toegangen van de woonfuncties een vrije doorgang met een hoogte van 2,3 m moeten hebben, moet ook de toegang van de gemeenschappelijke verkeersruimte een vrije doorgang met een hoogte van 2,3 m hebben.

Aanvrager bepaalt
Van belang is te onderkennen dat de aanvrager van de bouwvergunning bepaalt welke deur geldt als de toegang van een ruimte. Indien bijvoorbeeld een verblijfsgebied twee deuren heeft, mag de aanvrager van de bouwvergunning volstaan met één van die twee deuren als toegang van het verblijfsgebied aan te merken. De deur die door de aanvrager van de bouwvergunning is aangemerkt als toegang van de ruimte dient dan te voldoen aan de afmetingseisen zoals gegeven in artikel 4.11. De andere toegang behoeft hier niet aan te voldoen, en mag bij wijze van spreken worden uitgevoerd als bijvoorbeeld een luik in de wand.

Vrije doorgang
De breedte van een vrije doorgang is de afstand in horizontale richting tussen twee bouwdelen. Gaat het om een deur, dan wordt de vrije doorgang ter plaatse van die deur gemeten met de deur in geopende stand. Bij het meten van de breedte of de hoogte van een vrije doorgang moeten ook ondergeschikte bouwdelen in beschouwing worden genomen; zie ook de onderstaande figuur.

Figuur: geopende deur in bovenaanzicht

ACHTERGROND

De voorschriften inzake de toegang waarborgen dat nieuwe gebouwen en ruimten in gebouwen zoveel mogelijk integraal toegankelijk zijn voor mensen. Onder integrale toegankelijkheid moet de toegankelijkheid voor iedereen worden verstaan, dus zowel voor mensen in een rolstoel als voor lange mensen. Ontwerpers en toetsende instanties zullen in tabel 4.10 (behorend bij artikel 4.10) moeten nagaan aan welke afmetingen bepaalde toegangen moeten voldoen.

AANDACHTPUNTEN

De vraagstelling is welke deuren een hoogte van 2,3 m moeten hebben. Artikel 4.11 en 4.12 hebben echter geen betrekking op de hoogte van de deuren, maar op de hoogte van de vrije doorgang. Hierop moet de hoogte van de deuren worden afgestemd. In de praktijk zal dit betekenen dat de hoogte van de deuren ca. 2,315 m dient zijn.

OVERIGE INFORMATIE

  • Nota van toelichting bij Bouwbesluit 2003.
  • Handboek voor toegankelijkheid, 3e druk 1998, van de Federatie Nederlandse Gehandicaptenraad.
  • Praktijkboek Bouwbesluit 2003.
SBR, prettig kennis te maken.