Infoblad 297 - Benoeming ‘overige gebruiksfunctie’ in woning

Benoemen en hanteren van de gebruiksfuncties ‘woonfunctie’ en ‘overige gebruiksfunctie’ om te kunnen bepalen of beide gebruiksfuncties in een woning kunnen voorkomen en om vast te kunnen stellen of er eisen gelden tussen beide gebruiksfuncties.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Definities/omschrijvingen
Om te kunnen bepalen of in een woning ook een overige gebruiksfunctie kan liggen, is een aantal definities in artikel 1.1 in Bouwbesluit 2003 van belang.

  • Woonfunctie: ‘gebruiksfunctie voor het wonen’.
  • Overige gebruiksfunctie: ‘niet in dit lid benoemde gebruiksfunctie voor activiteiten waarbij het verblijven van mensen een ondergeschikte rol speelt’.
  • Nevenfunctie: ‘gebruiksfunctie die ten dienste staat van een andre gebruiksfunctie’

Uitleg definitie/omschrijving

Woonfunctie
Deze gebruiksfunctie staat voor alle vormen van wonen: eengezinshuis, flat, woonwagen en het woongedeelte van een bejaardentehuis of verzorgingstehuis.

Overige gebruiksfunctie
Bij een overige gebruiksfunctie kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een telefooncel, een parkeergarage of een garage of berging bij een woning. Hieruit valt op te maken dat in het Bouwbesluit onder het ‘verblijven van mensen’ iets anders wordt verstaan dan het ‘aanwezig zijn van mensen’. Bij ‘bestemd zijn voor het verblijven van mensen’ zal altijd sprake moeten zijn van een langere aanwezigheid, terwijl een kortere aanwezigheid niet wordt aangemerkt als het verblijven van mensen. Als het verblijven van mensen geen ondergeschikte rol speelt, dan is altijd sprake van 1 van de 10 andere gebruiksfuncties voor gebouwen die zijn gegeven in artikel 1.1 van Bouwbesluit 2003.

Nevenfunctie
In Bouwbesluit 2003 is een nevenfunctie een gebruiksfunctie die ten dienste staat van een andere gebruiksfunctie. Denk hierbij aan een ‘overige gebruiksfunctie’ die deel uitmaakt van een eengezinswoning, zoals een bergruimte, een kelder of een garage.

Toepassing definities/omschrijvingen

Toetsing aan Bouwbesluit 2003

Als voorbeeld wordt uitgegaan van een eengezinswoning met de volgende kenmerken:

  • kelder wordt aangemerkt als overige gebruiksfunctie en is uitsluitend via de woning bereikbaar;
  • hoogste vloer van een verblijfsgebied ligt op 6 meter boven het meetniveau.

Algemeen
Uitgangspunt voor de indiening van een bouwaanvraag is dat de aanvrager van de bouwvergunning de indeling in gebruiksfuncties bepaalt. Op basis van deze indeling controleert de gemeente of aan de eisen van Bouwbesluit 2003 wordt voldaan. Onderstaand is voor de meest relevante artikelen van Bouwbesluit 2003 onderbouwd dat bij het aanmerken van een deel van de woning als overige gebruiksfunctie geen strijdigheid met Bouwbesluit 2003 ontstaat. In de overige gebruiksfunctie is op grond van artikel 4.21, eerste lid, van Bouwbesluit 2003, wel sprake van een verblijfsgebied.

Belangrijk uitgangspunt: hoogte vloer van gebruiksfunctie
Een aantal eisen voor de brandveiligheid is afhankelijk van de hoogte van een vloer van een verblijfsgebied boven het meetniveau. Voor overige gebruiksfuncties is een aantal voorschriften gerelateerd aan de hoogte van een vloer van een verblijfsgebied > 5 meter boven het meetniveau; voor woonfuncties aan de hoogte van een vloer van een verblijfsgebied > 7 meter. Voor een aantal voorschriften betekent dit dat, als in een woning een vloer van een overige gebruiksfunctie hoger dan 5 meter boven het meetniveau ligt, de eisen voor de overige gebruiksfunctie maatgevend zijn.

Brandwerendheid m.b.t. bezwijken
Aangezien in de woning geen vloeren van verblijfsgebieden hoger dan 7 meter boven het meetniveau liggen, moet de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken van de hoofddraagconstructie minimaal 60 minuten zijn. Indien kan worden aangetoond dat de permanente vuurbelasting < 500 MJ/m2 is, mag volgens artikel 2.9, derde lid, een reductie van 30 minuten worden toegepast.
Aangezien in de woning geen vloeren van de overige gebruiksfunctie > 5 meter boven het meetniveau liggen, geldt voor de overige gebruiksfunctie (artikel 2.9, vierde lid) geen eis voor de brandwerendheid van de hoofddraagconstructie. Zou de bovenste bouwlaag als overige gebruiksfunctie zijn aangemerkt dan zou volgens artikel 2.9, vierde lid een brandwerendheid met betrekking tot. bezwijken van 90 minuten gelden, met een mogelijke reductie van 30 minuten.

Trap
De trap tussen de woning en de kelder is bestemd voor het overbruggen van een hoogteverschil tussen een verblijfsgebied (kelder) en de verkeersruimte (woonfunctie). In tabel 2.23 is te lezen dat vanuit de overige gebruiksfunctie (11c) alleen een vaste trap is vereist als de kelder bestemd zou zijn voor bezoekers. Het bepaalde in artikel 2.28, vijfde lid, van Bouwbesluit 2003 blijft buiten toepassing. Deze trap hoeft dus niet te voldoen aan kolom A van tabel 2.28a van Bouwbesluit 2003. Het is overigens wel verstandig om een goed beloopbare trap toe te passen.
Opmerking: als de kelder als ‘onbenoemde ruimte van de woonfunctie’ wordt benoemd, gelden voor de trap die wordt toegepast naar de kelder volgens Bouwbesluit 2003 eveneens geen afmetingseisen.

Brandcompartimentering en wbdbo-eisen
Volgens artikel 2.105, derde lid, mogen in een brandcompartiment van een woning ten hoogste een woon-functie en nevenfuncties van die woonfuncties liggen. Dit betekent dat de overige gebruiksfunctie en de woonfunctie in hetzelfde brandcompartiment kunnen liggen en dat tussen de woonfunctie en overige gebruiksfunctie geen eisen inzake brandwerendheid gelden.
Tussen de brandcompartimenten onderling (bijvoorbeeld tussen de woning en een andere woning op een naastgelegen perceel) geldt volgens artikel 2.106, eerste lid, een wbdbo-eis van minimaal 60 minuten. Reductie is hierop niet mogelijk, gezien de aanwezigheid van de overige gebruiksfunctie in relatie tot brandcompartimenten die op verschillende percelen liggen.

Opmerking: als de kelder als ‘woonfunctie’ wordt aangemerkt, kan volgens artikel 2.106, tweede lid, de wbdbo-eis van 30 minuten worden gereduceerd als kan worden aangetoond dat de permanente vuurbelasting < 500 MJ/m2 is.

Vluchtroutes
Voor een overige gebruiksfunctie zijn in afdeling 2.18: ‘vluchtroutes’ geen prestatie-eisen gegeven voor de ontvluchting. Wel geldt de functionele eis in artikel 2.153, eerste lid:

‘Een te bouwen bouwwerk heeft voldoende vluchtroutes waarlangs bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.’

Aangezien de overige gebruiksfunctie onderdeel uitmaakt van de woning en uitgangspunt is dat deze woning voldoet aan de eisen inzake vluchten voor woonfuncties, ontstaan geen knelpunten.

Geluidwering tussen ruimten van verschillende gebruiksfuncties
Tussen de woonfunctie en de kelder geldt geen geluidseis. Dit volgt uit artikel 3.19, vijfde lid:

‘In afwijking van het eerste tot en met vierde lid, is geen eis gesteld aan de karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid en de isolatie-index voor contactgeluid, voor de geluidsoverdracht van een nevenfunctie van een woonfunctie naar die woonfunctie.’

Verblijfsgebied
Formeel is de ruimte die wordt aangemerkt als ‘overige gebruiksfunctie’ tevens verblijfsgebied. Minimaal 55 % van de overige gebruiksfunctie moet namelijk zijn aangemerkt als verblijfsgebied van de overige gebruiksfunctie. Dit heeft voor de overige gebruiksfuncties in dit project echter geen consequenties. Eisen inzake afmetingen, daglichttoetreding, ventilatie, enzovoort, zijn namelijk niet van toepassing voor een overige gebruiksfunctie.

Verblijfsruimte
Zie ‘verblijfsgebied’. De overige gebruiksfunctie is tevens verblijfsruimte.

ACHTERGROND

Volgens 4.21, eerste lid van Bouwbesluit 2003 moet minimaal 55 % van de gebruiksoppervlakte van een woonfunctie (bijvoorbeeld een eengezinswoning) als verblijfsgebied worden aangemerkt. Voor deze verblijfsgebieden gelden eisen aan bijvoorbeeld daglichttoetreding, ventilatiecapaciteit en minimale afmetingen, zoals breedte, hoogte en oppervlakte.
Bij sommige ontwerpen wordt niet aan deze ’55 %-eis’ voldaan. Dit is met name het geval als er ruimten in de woning zijn gelegen die wel als gebruiksoppervlakte moeten worden aangemerkt, maar in verband met de beperkte hoogte van die ruimte niet als verblijfsgebied kunnen worden aangemerkt. Denk hierbij aan een zolderruimte of een kelder onder de woning. Door deze ruimten te benoemen als ‘overige gebruiksfunctie’ kan het ontwerp mogelijk toch gehandhaafd blijven. De ontwerper en toetsende instantie moeten op de hoogte zijn van de mogelijkheden van het indelen in gebruiksfuncties van een gebouw.

AANDACHTSPUNTEN

  • Het voorbeeld betreft een eengezinswoning. Dezelfde systematiek kan uiteraard ook worden toegepast in een appartement in een woongebouw, waarin zich bijvoorbeeld een bergruimte bevindt die wordt aangemerkt als ‘overige gebruiksfunctie’. Wel moet deze overige gebruiksfunctie zich in het appartement bevinden.
  • Het is verstandig per situatie af te wegen of een gedeelte van een woning wordt aangemerkt als ‘overige gebruiksfunctie’. Enerzijds is Bouwbesluit 2003 maatgevend. Het gedeelte dat wordt aangemerkt als woonfunctie moet namelijk voldoen aan alle eisen die volgens Bouwbesluit 2003 gelden voor een woonfunctie. Het aanmerken van een gedeelte als overige gebruiksfunctie mag er niet toe leiden dat de woonfunctie niet meer voldoet. Anderzijds is het van belang duidelijk met de potentiële kopers te communiceren dat een gedeelte van de woning is aangemerkt als ‘overige gebruiksfunctie’ en daarom niet geschikt is voor het verblijf van mensen. Een bergruimte in een appartement die als ‘overige gebruiksfunctie’ is aangemerkt is niet geschikt om als slaapkamer te worden gebruikt.
  • Indien de oppervlakte van de overige gebruiksfunctie in de woonfunctie > 50 m2 is, moet deze ruimte worden aangemerkt als apart brandcompartiment. Dan moet rekening worden gehouden met brandwerende scheidingsconstructies tussen de woonfunctie en de overige gebruiksfunctie.

OVERIGE INFORMATIE

  • Praktijkboek Bouwbesluit 2003
  • Nota van toelichting bij Bouwbesluit 2003
  • NEN 2580
SBR, prettig kennis te maken.