Infoblad 366 - Bepaling gebouwhoogte

Bepalen van de gebouwhoogte conform de voorschriften van het Bouwbesluit 2003.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Definitie

De maatstaf voor de gebouwhoogte volgens de voorschriften in het Bouwbesluit 2003 is de verticale afstand tussen het ‘meetniveau’ en de bovenkant van de vloer van het hoogstgelegen verblijfsgebied. Het meetniveau is daarbij als volgt gedefinieerd:

‘Het meetniveau is de hoogte van het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het gebouw.’

Anders weergegeven:

hg = hvg - hm

Hierin is:
hg gebouwhoogte (meter)
hvg niveau bovenkant vloer hoogstgelegen verblijfsgebied (meter)
hm meetniveau (meter)

Wat precies onder het begrip ‘toegang van het gebouw’ moet worden verstaan is niet nader gedefinieerd. In de praktijk kan discussie ontstaan als er gebouwtoegangen voorkomen op verschillende niveaus. In dat geval is het verstandig in overleg met de toetsende instantie vooraf vast te stellen welke toegang van het gebouw als maatgevend wordt beschouwd voor de gebouwhoogte en waar ter plekke het aansluitende terrein ligt. De hoogte-afhankelijke eisen hebben vooral te maken met de mogelijkheid van bestrijding van brand. Daarom zal het meetniveau bij de toegang moeten liggen die door de brandweer als reguliere aanvalsroute wordt gebruikt: de ‘brandweeringang’. Als een keuze kan worden gemaakt uit meerdere hoogteniveaus zou uit veiligheidsoverwegingen het meetniveau bij voorkeur moeten liggen op het laagste van de niveaus. Immers, de brandwerendheid van de draagconstructie is direct gerelateerd aan dit niveau.

Het ‘meetniveau’ is gerelateerd aan het aansluitende terrein. Met de term ‘terrein’ wordt een plek bedoeld van waaruit de brandweer kan opereren. Verder is het belangrijk dat vluchtenden van hieruit vrij kunnen wegstromen. De bovenkant van een bordes, hellingbaan of trap kan dus niet gelijk worden gesteld aan het aansluitende terrein. Een ruim parkeerdek daarentegen kan eventueel wel als meetniveau aangemerkt worden. Maar dan moet dit parkeerdek bereikbaar en geschikt zijn voor plaatsing van (brandweer)voertuigen. Bovendien moet er voldoende ruimte zijn voor vluchtenden om bij brand op voldoende afstand van het bedreigde gebouwdeel te komen en zonder gevaar de openbare weg te bereiken.

Bij een gebouw dat samengesteld is uit afzonderlijke gebouwdelen die min of meer op zichzelf staan, kan er sprake zijn van meerdere aan elkaar grenzende ‘gebouwen’. Op zichzelf staand betekent dat de gebouwdelen onafhankelijk van elkaar moeten zijn wat betreft:

  • (hoofd)draagconstructie;
  • brandcompartimentering;
  • vluchtroutes.


Wordt hieraan voldaan dan kan in beginsel worden uitgegaan van verschillende hoogtemetingen om vast te stellen welke eisen op elk afzonderlijk gebouwdeel van toepassing zijn.


Een bordes, hellingbaan of trap moet worden beschouwd als een constructie-onderdeel behorende bij het gebouw (of een aanpalend gebouw) en kan derhalve niet gelijkgesteld worden met het aansluitende terrein. Kortom: het meetniveau is hier het maaiveld en niet het bordes aan de bovenzijde voor de deur.

ACHTERGROND

Het Bouwbesluit 2003 kent een aantal aspecten waarbij het niveau van de eisen afhankelijk is van de gebouwhoogte. Naarmate een gebouw hoger is, moet voor een aantal aspecten aan zwaardere brandveiligheidseisen worden voldaan. De volgende soorten eisen zijn afhankelijk gesteld van hoogte van het gebouw:

  • sterkte bij brand van de hoofddraagconstructie (BB afd. 2.2);
  • mogelijkheid van reductie van de WBDBO-eis (BB afd. 2.13);
  • type brand: volledig of gereduceerde brand (BB afd. 2.13 / NEN 6068);
  • materiaalgebruik in de buitengevel (BB afd. 2.12);
  • ontsluiting via één vluchtweg (portiekontsluiting woonfunctie) (BB afd. 2.18);
  • aanwezigheid brandweerlift (BB afd. 2.20);
  • aanwezigheid droge blusleiding (BB afd. 2.21);
  • rooksluis bij een vluchttrappenhuis (BB afd. 2.16);
  • brandmeldinstallatie en ontruimingsalarmering (gemeentelijke bouwverordening).

AANDACHTSPUNTEN

  • Het Bouwbesluit 2003 geeft geen restricties ten aanzien van de absolute hoogte van een gebouw. Echter voor gebouwen met een verblijfsgebied hoger dan 70 meter moeten brandveiligheidseisen op basis van gelijkwaardige veiligheid worden bepaald (Bouwbesluit art. 2.209 lid 1). Een richtsnoer voor de invulling van brandveiligheidseisen is de SBR praktijkrichtlijn ‘brandveiligheid in hoge gebouwen’.
  • Hoogte-afhankelijke eisen kunnen voor specifieke gebruiksfuncties anders zijn ingevuld. Een goed voorbeeld zijn de eisen voor de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken van de hoofddraagconstructie. Deze is voor slaapfuncties (woonfunctie, logiesfunctie, gezondheidszorgfunctie, kinderdagverblijf, etc.) aanmerkelijk zwaarder dan voor andere gebruiksfuncties. Als er verschillende gebruiksfuncties in het gebouw zijn ondergebracht zal het gebouw moeten worden afgestemd op de zwaarste eisen.
  • Een bordes, hellingbaan of trap moet worden beschouwd als een constructie-onderdeel behorende bij het gebouw (of een aanpalend gebouw) en kan derhalve niet gelijkgesteld worden met het aansluitende terrein. In het verlengde hiervan kan ook een ter plaatse van de toegang verhoogd deel van het terrein dat maar beperkt toegankelijk is (bijvoorbeeld door trap, hellingbaan of laadperron) niet worden beschouwd als het terrein bij de toegang.
  • Als er sprake is van automatische doormelding naar de alarmcentrale moet volgens de Model-bouwverordening (artikel 2.5.3A) voordat bouwvergunning kan worden verleend duidelijkheid bestaan over de plaats van de brandweeringang. Dit vanwege de eisen die hieraan gesteld worden voor het kunnen openen door de brandweer.

OVERIGE INFORMATIE

  • Bouwbesluit 2003; inclusief toelichting.
  • Brandveiligheid: ontwerpen en toetsen; SBR-publicatie 443, 2005.
  • Brandveiligheid in hoge gebouwen, Praktijkrichtlijn; SBR-publicatie 521, 2005
  • Model-bouwverordening 1992.
SBR, prettig kennis te maken.