Bepalen van de gebouwhoogte conform de voorschriften van het Bouwbesluit 2003.
De maatstaf voor de gebouwhoogte volgens de voorschriften in het Bouwbesluit 2003 is de verticale afstand tussen het ‘meetniveau’ en de bovenkant van de vloer van het hoogstgelegen verblijfsgebied. Het meetniveau is daarbij als volgt gedefinieerd:
‘Het meetniveau is de hoogte van het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het gebouw.’
Anders weergegeven:
hg = hvg - hm
Hierin is:
hg gebouwhoogte (meter)
hvg niveau bovenkant vloer hoogstgelegen verblijfsgebied (meter)
hm meetniveau (meter)
Wat precies onder het begrip ‘toegang van het gebouw’ moet worden verstaan is niet nader gedefinieerd. In de praktijk kan discussie ontstaan als er gebouwtoegangen voorkomen op verschillende niveaus. In dat geval is het verstandig in overleg met de toetsende instantie vooraf vast te stellen welke toegang van het gebouw als maatgevend wordt beschouwd voor de gebouwhoogte en waar ter plekke het aansluitende terrein ligt. De hoogte-afhankelijke eisen hebben vooral te maken met de mogelijkheid van bestrijding van brand. Daarom zal het meetniveau bij de toegang moeten liggen die door de brandweer als reguliere aanvalsroute wordt gebruikt: de ‘brandweeringang’. Als een keuze kan worden gemaakt uit meerdere hoogteniveaus zou uit veiligheidsoverwegingen het meetniveau bij voorkeur moeten liggen op het laagste van de niveaus. Immers, de brandwerendheid van de draagconstructie is direct gerelateerd aan dit niveau.
Het ‘meetniveau’ is gerelateerd aan het aansluitende terrein. Met de term ‘terrein’ wordt een plek bedoeld van waaruit de brandweer kan opereren. Verder is het belangrijk dat vluchtenden van hieruit vrij kunnen wegstromen. De bovenkant van een bordes, hellingbaan of trap kan dus niet gelijk worden gesteld aan het aansluitende terrein. Een ruim parkeerdek daarentegen kan eventueel wel als meetniveau aangemerkt worden. Maar dan moet dit parkeerdek bereikbaar en geschikt zijn voor plaatsing van (brandweer)voertuigen. Bovendien moet er voldoende ruimte zijn voor vluchtenden om bij brand op voldoende afstand van het bedreigde gebouwdeel te komen en zonder gevaar de openbare weg te bereiken.
Bij een gebouw dat samengesteld is uit afzonderlijke gebouwdelen die min of meer op zichzelf staan, kan er sprake zijn van meerdere aan elkaar grenzende ‘gebouwen’. Op zichzelf staand betekent dat de gebouwdelen onafhankelijk van elkaar moeten zijn wat betreft:
Wordt hieraan voldaan dan kan in beginsel worden uitgegaan van verschillende hoogtemetingen om vast te stellen welke eisen op elk afzonderlijk gebouwdeel van toepassing zijn.
Een bordes, hellingbaan of trap moet worden beschouwd als een constructie-onderdeel behorende bij het gebouw (of een aanpalend gebouw) en kan derhalve niet gelijkgesteld worden met het aansluitende terrein. Kortom: het meetniveau is hier het maaiveld en niet het bordes aan de bovenzijde voor de deur.
Het Bouwbesluit 2003 kent een aantal aspecten waarbij het niveau van de eisen afhankelijk is van de gebouwhoogte. Naarmate een gebouw hoger is, moet voor een aantal aspecten aan zwaardere brandveiligheidseisen worden voldaan. De volgende soorten eisen zijn afhankelijk gesteld van hoogte van het gebouw: