Infoblad 012 - Bepaling invoerwaarde luchtdoorlatendheid voor EPC-berekening

Het vaststellen van een juiste, reële invoerwaarde voor de luchtdoorlatendheid en het inschatten van de maatregelen die nodig zijn om deze waarde in de praktijk te realiseren.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

1. Oriëntatie op energieprestatienormering en ventilatiesystemen

Volgens NEN 5128 mogen voor de luchtdoorlatendheid niet zomaar alle waarden in de EPC-berekening worden ingevoerd. De in te voeren waarde moet namelijk voldoen aan een bepaald minimum, aangezien een gebouw in de praktijk nooit helemaal luchtdicht zal zijn; zie tabel A ‘Minimale invoerwaarden luchtdoorlatendheid voor EPC-berekening’. Het minimum is ook nodig voor een correct functioneren van het ventilatiesysteem en om te voorkomen dat zich gedurende afwezigheid van de bewoners onaanvaardbare situaties voordoen.
De tabel noemt voor elk toe te passen ventilatiesysteem een minimumwaarde. Voor gebalanceerde ventilatie ligt het minimum aanzienlijk lager dan voor de andere ventilatiesystemen. De hier bedoelde ventilatiesystemen (conform NEN 1087) zijn:

  • ventilatie door natuurlijke toevoer en afvoer;
  • mechanische toevoer en natuurlijke afvoer;
  • natuurlijke toevoer en mechanische afvoer;
  • mechanische toevoer en afvoer (gebalanceerde ventilatie).
  • Tabel A. Minimale invoerwaarden luchtdoorlatendheid voor EPC-berekening (in liter lucht per seconde en per m² vloeroppervlak). De aanduidingen A, B, C, D zijn hierboven verklaard.
    ventilatiesysteem
    conform NEN 1087
    minimale
    invoerwaarde
    A, B, C 1,0 dm3/s per m2
    D 0,4 dm3/s per m2
    Noot: In de nieuwe EPC-berekening (NEN 7120 'Energie Prestatie Gebouwen - ontwerp') mogen lagere qv;10-waarden worden ingevoerd, mits later onderbouwd met een luchtdoorlatendheidsmeting (volgens NEN 2686).

    In de nieuwe norm NEN 1087 (nog in ontwikkeling) zal ook systeem X worden geïntroduceerd. Systeem X staat voor de hybride ventilatiesystemen; dat zijn meerdere gelijktijdig werkende ventilatiesystemen in een gebouw. Als systeem X kunnen worden beschouwd:

    • Balansventilatie per verblijfsruimte en systeem C voor verkeersruimten en natte ruimten, of
    • Gebalanceerde ventilatie (systeem D) in combinatie met natuurlijke ventilatie, bijvoorbeeld met een afsluitbare dakopening en klepramen (te typeren als systeem A).

    Meting van de luchtdichtheid (qv;10-waarde) van en woning met behulp van een Blowerdoor. Foto: Adviesburo Nieman.

    Dit laatste systeem wordt vooral gebruikt bij zomernachtventilatie, omdat de basis(balans)ventilatie onvoldoende capaciteit heeft om effectieve zomernachtventilatie toe te passen. Dat geldt ook bij extra aanwezigheid van mensen, indien in woningen mensen in koude slaapkamers willen slapen of indien tijdens het koken de afzuigkap wordt gebruikt.

    Voor de luchtdichtheid worden sinds 2008 drie klassen onderscheiden, te weten:

    • klasse 1; basis
    • klasse 2; goed
    • klasse 3; uitstekend

    In tabel B wordt de relatie tussen het ventilatiesysteem en de luchtdichtheidsklasse nader toegelicht.

    Tabel B. Ventilatiesysteem in relatie tot luchtdichtheidsklassen; bron SBR-publicatie 'Luchtdicht Bouwen-theorie, ontwerp, praktijk'.
    Klasse Ventilatiesysteem volgens NEN 1087
    1 Natuurlijke toe-en afvoer (systeem A)
    Natuurlijke toevoer en mechanische afvoer (systeem C)
    2 Mechanische toevoer en natuurlijke afvoer (systeem B)
    Mechanische toe- en afvoer (systeem D)
    3 Mechanische toe- en afvoer (systeem D) in combinatie met Passief Bouwen concept

    Bij deze classificatie (tabel B) horen ook prestatie-eisen. Deze eisen zijn afkomstig uit NEN 2687 en zijn aangevuld met de eisen van het Passief Bouwen concept.

    Tabel C: Prestatie-eisen (maximaal) behorend bij de luchtdichtheidsklasse; bron SBR-publicatie 'Luchtdicht Bouwen - theorie, ontwerp, praktijk'.
    Klasse Woningvolume in m³ Maximale qv10 qv10/m² (1)
    groter dan tot en met [dm³/s] dm³/(s·m²)
    1 - 250 100 1,0
    Basis 250 500 150 1,0
    500 - 200 1,0
    2 - 250 50 0,6
    Goed 250 - 80 0,4
    3 - 250 15 0,15
    Uitstekend 250 - 30 0,15

    (1) Invoer ten behoeve van de Energie Prestatie berekening.

    2. Reële invoerwaarde kiezen
    Ventilatie-systemen A, B en C
    Op basis van ervaringen (metingen) mag worden geconcludeerd dat voor 'normale' bouw (zonder extra voorzieningen - de zogeheten luchtdichtheidsklasse 1, basis) met natuurlijke ventilatie een luchtdoorlatendheid van 1,0 dm³/s per m² vloeroppervlakte een reële invoerwaarde is.
    In de gelijkwaardigheidsverklaringen van verschillende ventilatiesystemen met natuurlijke toevoer en mechanische afvoer wordt uitgegaan van een lagere infiltratievoud; 0,625 dm³/s.m².
    Ventilatieleveranciers stellen dat op basis van gelijkwaardigheid aangetoond is dat een modern ventilatiesysteem zelf de minimale luchtkwaliteit (lage ventilatie index Lvi) bewaakt en garandeert. Het realiseren van een lagere infiltratiewaarde is alleen mogelijk als zowel in de voorbereidings- als de uitvoeringsfase aandacht wordt geschonken aan de bouwkwaliteit; zie punt 3. De detaillering en uitvoering bepalen namelijk (in hoge mate) de luchtdoorlatendheid van een gebouw.

    Met behulp van rookdetectie kunnen luchtlekken zichtbaar worden gemaakt. Foto: Adviesburo Nieman.

    Ventilatie-systeem D
    Bij gebalanceerde ventilatie met WTW is goede luchtdichtheid wenselijk om het systeem naar behoren te laten werken en om grote energieverliezen en tochtklachten te voorkomen. Daartoe zijn bij dit systeem altijd extra voorzieningen nodig. Voor de hiermee te bereiken 'goede' luchtdichtheid (luchtdichtheidsklasse 2, goed) is een invoerwaarde van 0,625 dm³/s per m² vloeroppervlak een reëel uitgangspunt. Afhankelijk van de te treffen extra maatregelen (zie ook punt 3) kan eventueel een lagere waarde (echter minimaal 0,4 dm³/s.m²) worden aangehouden. Uit voorbeeldberekeningen blijkt dat verlaging van de invoerwaarde met 0,2 een positief effect van 0,02 op de EPC heeft.

    3. Extra maatregelen voor goede luchtdichtheid (klasse 2)
    Eventuele extra maatregelen ten opzichte van klasse 1 (in ieder geval bij gebalanceerde ventilatie) betreffen:

    • Aandacht voor de detaillering van kritische aansluitingen (bijvoorbeeld draaiende delen, dakaansluitingen en doorvoeren door dak en begane-grondvloer).
    • Goed knevelende 2- en 3-puntssluitingen.
    • Manchetten ter plaatse van de dak- en geveldoorvoeren.
    • Nastelbaar hang- en sluitwerk.
    • Waar mogelijk luchtdichtingen prefabriceren.
    • Specifieke instructie met betrekking tot het aanbrengen van luchtdichtingen voor de bouwplaatsmedewerkers.
    • (Extra) kwaliteitscontroles op de bouwplaats tijdens de uitvoering.
    • Gerichte controle (door middel van een luchtdoorlatendheidsmeting) na oplevering van de eerste woningen.

    Voor een overzicht van de extra maatregelen voor klasse 3 (ten opzichte van klasse 2) wordt verwezen naar SBR-Informatieblad 030 ‘Luchtdicht Bouwen - klasse 2 en 3’.

    Zorg voor een luchtdichting van één vlak. Hier is de spouwlat afgeplakt met butylband. Foto: Adviesburo Nieman.

    ACHTERGROND

    De overheid stelt steeds strengere eisen aan de energieprestatiecoëfficiënt (EPC) van gebouwen. Het streven is om de EPC voor woonfuncties in 2011 te verlagen naar 0,6, in 2015 naar 0,4 en vanaf 2020 energieneutrale woningen te realiseren (EPC ≈ 0). De aanscherping van de EPC-eis maakt extra maatregelen noodzakelijk, met gevolgen voor ontwerp en uitvoering. Eén van de invoergegevens in de EPC-berekening is de luchtdoorlatendheid. Hoe minder energie een gebouw via luchtlekkage verliest, hoe gunstiger de EPC.
    Het effect van de luchtdoorlatendheid op de EPC is aanzienlijk. Aangezien de EPC-berekening al vroeg in het bouwproces moet worden opgesteld, moet ook de luchtdoorlatendheid in een vroeg stadium bekend zijn. Daartoe zijn verschillende accurate berekeningsmethoden en richtlijnen ontwikkeld.

    OVERIGE INFORMATIE

    SBR, prettig kennis te maken.