Infoblad 107 - Bepaling van de hoogte van een vloerafscheiding

Aan de hand van het Bouwbesluit vaststellen hoe hoog een vloerafscheiding moet zijn. Ter oplossing van dit probleem dienen zes stappen te worden gezet, die kunnen worden onderverdeeld in twee fasen.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 3)

1. De relevante afdeling opzoeken
De voorschriften inzake vloerafscheidingen zijn gegeven in afdeling 2.3 van het Bouwbesluit: 'vloerafscheiding'.

2. De relevante paragraaf (van de afdeling) selecteren
Beantwoord de vraag of het gaat om nieuwbouw dan wel bestaande bouw. In het hier behandelde geval wordt uitgegaan van de nieuwbouwvoorschriften. De hoogte van een vloerafscheiding van een bestaand bouwwerk kan op een vergelijkbare manier worden vastgesteld. De nieuwbouwvoorschriften in afdeling 2.3 staan in paragraaf 2.3.1; deze paragraaf omvat de artikelen 2.14 t/m 2.18.
NB: De voorschriften voor bestaande bouw in afdeling 2.3 staan in paragraaf 2.3.2; deze paragraaf omvat de artikelen 2.19 t/m 2.22.

3. Aan de hand van de tabel (in de paragraaf) het relevante voorschrift selecteren
Uit tabel 2.14 (bij artikel 2.14) blijkt dat de voorschriften inzake de vereiste hoogte van een vloerafscheiding staan in artikel 2.16 lid 1 t/m 4. Welk lid (of welke leden) van toepassing is (zijn), hangt af van de soort gebruiksfunctie.

Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 4 t/m 6)

Nu de voorschriften (art. 2.16 lid 1 t/m 4) in drie stappen gevonden zijn, moeten zij worden toegepast. Als volgt:

4. Vaststellen wanneer een vloerafscheiding vereist is
Het bepalen van de vereiste hoogte van een vloerafscheiding is pas zinvol als in een bepaalde situatie een vloerafscheiding wordt geëist. Een vloerafscheiding die niet door het Bouwbesluit wordt geëist behoeft niet te voldoen aan de voorschriften conform het Bouwbesluit. Uit artikel 2.15 blijkt in welke situaties een vloerafscheiding vereist is:

Artikel 2.15 lid 1:
Een vloer heeft bij een rand een niet beweegbare afscheiding als die rand meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.

Artikel 2.15 lid 2:
Het eerste lid geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan:
a. Een trap of
b. Een hellingbaan

Artikel 2.15 lid 3 (niet relevant en niet aangestuurd voor woonfuncties):
Onverminderd het tweede lid geldt het eerste lid niet voor:
a. Een rand van een podium,
b. Een rand van een vloer die aan een bassin grenst,
c. Een rand van een laadvloer,
d. Een rand van een perron en
e. Een met een rand als bedoeld onder a tot en met d, gelijk te stellen rand van een vloer

5. Aan de hand van het geselecteerde voorschrift (stap 3) vaststellen welke hoogten van vloerafscheidingen kunnen worden geëist
In stap 3 is vastgesteld dat de voorschriften inzake de hoogte van een vloerafscheiding worden gegeven in artikel 2.16 lid 1 t/m 4. Uit deze artikelleden en tabel 2.14 zijn de volgende hoogten af te lezen:
1,00 m (artikel 2.16 lid 1);
1,20 m (artikel 2.16 lid 1 en 2);
0,85 m (artikel 2.16 lid 3);
0,70 m (artikel 2.16 lid 4); in combinatie met een minimale breedte van de vloerafscheiding; zie ook de Toelichting bij stap 6.

6. Aan de hand van de (volgens stap 4) geëiste vloerafscheidingen vaststellen welke hoogte in welke situatie wordt geëist
De tabel vermeldt de hoogten van de vloerafscheiding voor nieuwbouw per situatie en gebruiksfunctie; zie ook de toelichting bij onderstaande tabel.

Gebruiksfunctie Hoogte vloerafscheiding
Nieuwbouw Hoogteverschil < 13 m
(art. 2.16 lid 1+4)
Hoogteverschil > 13 m
(art. 2.16 lid 1+2)
T.p.v. raam
(art. 2.16 lid 3)
Celfunctie 1,2 - 1,2 0,85
Bijeenkomstfunctie 1,0 0,7 (som hoogte en breedte = 1,1 m) 1,2 0,85
Sportfunctie 1,0 0,7 (som hoogte en breedte = 1,1 m) 1,2 0,85
Bouwwerk geen gebouw zijnde 1,0 - 1,2 n.v.t.
Andere gebruiksfuncties 1,0 - 1,2 0,85

Toelichting bij de tabel

Hoogteverschil
In de tabel is aangegeven dat bij een bepaald hoogteverschil een vloerafscheiding wordt geëist Met 'hoogteverschil' wordt bedoeld: het hoogteverschil tussen de beschouwde vloer en een andere, lager gelegen vloer of het aansluitende terrein (dan wel het aansluitende water).

Hogere vloerafscheiding voor celfuncties en hoogteverschil > 13 m
Voor celfuncties en hoogteverschillen > 13 m geldt een zwaardere eis voor wat betreft de hoogte van vloerafscheidingen. Deze dienen namelijk 1,2 m hoog te zijn. De overheid heeft het in dergelijke situaties zinvol geacht meer veiligheid te eisen.

Lagere vloerafscheidingen ter plaatse van een borstwering
Artikel 2.16 lid 3 bevat in afwijking van de overige leden een lagere minimumeis voor afscheidingen (borstweringen) ter plaatse van een raam. De reden is dat een raam zelf al een zekere bescherming biedt tegen naar buiten vallen. Verder zal de bovenzijde van een dergelijke borstwering veelal zijn uitgevoerd als vensterbank die eveneens een belemmering vormt tegen zo'n val.

Afwijkende vloerafscheiding voor bijeenkomstfuncties en sportfuncties
Op grond van artikel 2.16 lid 4 mag voor nieuwbouw van bijeenkomstfuncties en sportfuncties met een hoogte van 0,7 m worden volstaan, indien de hoogte en de breedte van de afscheiding samen ten minste 1,1 m bedraagt. Dit betekent dat de afscheiding bij een hoogte van 0,7 m, in dit geval een breedte b van 0,4 m moet hebben (zie Figuur). De minimale som van 1,1 m voor breedte en hoogte geeft voldoende waarborg dat iemand die tegen de afscheiding valt niet daaroverheen slaat. Dit biedt de mogelijkheid om in bijvoorbeeld theaters en sporthallen voldoende uitzicht te behouden. Bij deze gebruiksfuncties is een zo weinig mogelijk belemmerd uitzicht voor toeschouwers van groot belang. Zie voor het principe van een dergelijke vloerafscheiding de onderstaande Figuur.

Figuur: Toelichting bij tabel in de figuur. Het blijkt dat, indien hoogte en breedte worden samengenomen, de hoogte anders wordt bepaald (= a), dan in gevallen waarin hoogte en breedte niet worden samengenomen (hoogte = c en breedte = b).

ACHTERGROND

Het doel van de voorschriften inzake vloerafscheidingen is te voorkomen dat mensen van de rand van een vloer kunnen vallen. Onder vloeren worden ook vloeren verstaan van bijvoorbeeld balkons, bordessen, galerijen en dakterrassen. De voorgeschreven vloerafscheiding kan een hekwerk zijn, maar ook een muurtje langs een trapgat of een doorlopende gevel langs een dakterras.

AANDACHTPUNTEN

  • De hoogte van een vloerafscheiding voor bijvoorbeeld een dakterras wordt gerealiseerd boven het beloopbare vlak.
  • In Bouwbesluit 2003 is per 1 september 2005 expliciet voorgeschreven dat een vloerafscheiding niet beweegbaar mag zijn. Dat betekent dat een vloerafscheiding ter plaatse van een raam in geopende toestand van het raam moet worden beoordeeld.

OVERIGE INFORMATIE

  • Infoblad Veiligheidsvoorzieningen voor daken
  • Infoblad Koudebruggen bij dakranden voorkomen
  • Nota van toelichting bij Bouwbesluit 2003
  • Praktijkboek Bouwbesluit 2003
SBR, prettig kennis te maken.