Aan de hand van het Bouwbesluit de maximale loopafstand in een woning vaststellen. Ter oplossing van dit probleem dienen tien stappen te worden gezet, die kunnen worden onderverdeeld in twee fasen. Bij wijze van toelichting van deze stappen wordt de vraag (bepaal de maximale loopafstand in een woning) beantwoord aan de hand van een concreet voorbeeld: een nieuw te bouwen eengezinswoning met een gebruiksoppervlakte van 150 m2 die voorziet in een permanente behoefte.Een voorbeeld waarbij de voorschriften voor niet-permanente bouwwerken in relatie met woonfuncties relevant kunnen zijn is een woonkeet (= woonfunctie om te voorzien in een tijdelijke behoefte) waarvoor op grond van artikel 45 van de Woningwet een bouwvergunning is verleend waarbij een termijn is gesteld, na het verstrijken waarvan de woonkeet niet langer in stand mag worden gehouden. Bij de verdere uitwerking van het voorbeeld blijven de voorschriften inzake tijdelijke bouw dus buiten toepassing.
1. De relevante afdeling (van het Bouwbesluit) opzoeken
Een eengezinswoning kan een brandcompartiment (zie artikel 2.104 lid 1 en artikel 2.105 lid 3) en een rookcompartiment (zie artikel 2.135 lid 1) zijn. De maximale loopafstand in een woning heeft betrekking op het vluchten vanaf een verblijfsruimte in een woning naar tenminste één toegang van de woning vanwaar de openbare weg kan worden bereikt. Voor de maximale loopafstand in een woning is afdeling 2.17 Vluchten binnen een rookcompartiment en een subbrandcompartiment van toepassing.
2. De relevante artikelen selecteren
Beantwoord de vraag of het gaat om nieuwbouw dan wel bestaande bouw. Het voorbeeld betreft nieuwbouw. Derhalve is in afdeling 2.17 paragraaf 2.17.1 van toepassing; deze paragraaf omvat de artikelen 2.145 t/m 2.149.
3. Aan de hand van deze artikelen de relevante (sub)gebruiksfunctie(s) vaststellen
Een woning, zoals in het voorbeeld dient conform de Bouwbesluitterminologie te worden aangemerkt als 'woonfunctie'. Tabel 2.145 (bij artikel 2.145) vermeldt bij de woonfunctie vijf subgebruiksfuncties:1a t/m 1e. Op basis van het voorbeeld dient te worden uitgegaan van subgebruiksfunctie 1b: Woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 500 m2, niet gelegen in een woongebouw en niet van een woonwagen.
4. Aan de hand van deze (sub)gebruiksfunctie(s) de relevante artikelleden opzoeken en raadplegen
Volgens tabel 2.145 zijn bij de in stap 3 gevonden subgebruiksfunctie (nummer 1b) voor wat betreft het vluchten uit een verblijfsgebied en/of een verblijfsruimte artikel 2.146 lid 6 en 7 van toepassing; alleen lid 6 heeft betrekking op de maximale loopafstand.
Artikel 2.146 lid 6 luidt:
'De loopafstand tussen de toegang van een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte en ten minste een toegang van het brandcompartiment of het subbrandcompartiment waarin die ruimte ligt, is ten hoogste 15 m.'
Nu het toepasselijke voorschrift (art. 2.146 lid 6) in vier stappen is gevonden, moet dit voorschrift worden toegepast. Als volgt:
5. indeling in brandcompartimenten vaststellen
Een eengezinswoning is op basis van artikel 2.104 lid 1 een brandcompartiment. Dit behoeft op grond van artikel 2.116 niet te worden onderverdeeld in subbrandcompartimenten.
6. Toegang tot het brandcompartimenten aanwijzen
De toegang van het brandcompartiment is een toegang van de woning. De aanvrager van de bouwvergunning bepaalt welke toegang wordt aangemerkt als toegang van de woning; dit mag zowel de voordeur als de achterdeur zijn. Mits via het achtererf de openbare weg kan worden bereikt.
7. Indeling in verblijfsruimten vaststellen
Om te kunnen toetsen of aan de voorschriften van het Bouwbesluit wordt voldaan, is het niet verplicht de nadere indeling van het verblijfsgebied in afzonderlijke verblijfsruimten op tekening aan te geven. Echter, door naast de indeling in verblijfsgebieden ook de indeling in verblijfsruimten aan te geven, kan direct worden beoordeeld of ook aan de zogenaamde vangneteisen op verblijfsruimteniveau kan worden voldaan. Is een verblijfsgebied niet ingedeeld, dan is het tevens een verblijfsruimte.
8. Toegang tot verblijfsruimten aanwijzen
De toegang van een verblijfsruimte is veelal de toegang tot een verblijfsruimte vanuit een verkeersruimte (hal, gang, overloop). De aanvrager van de bouwvergunning bepaalt welke toegang wordt aangemerkt als toegang van een verblijfsruimte.
In het gevonden voorschrift met betrekking tot de maximale loopafstand (art. 2.146 lid 6 - zie onder 4.) is aangegeven dat het gaat om een 'niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte'; een dergelijke verblijfsruimte is bestemd voor gebruikers van één woonfunctie. Een in een eengezinswoning gelegen verblijfsruimte betreft dus een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte
9. De bepalingsmethode toepassen
Bepaal de maximale loopafstand als volgt:



10. De prestatie beoordelen
Uit de rekenstaat bij de plattegronden blijkt dat de loopafstand voor de voorbeeld-woning exact 15,00 m bedraagt. Conclusie: er wordt voldaan aan de prestatie-eis inzake de maximale loopafstand in artikel 2.146 lid 6.
Het stellen van eisen aan een maximale loopafstand in een woning in samenhang met de toepassing van rookmelders is nieuw ten opzichte van Bouwbesluit 1992. De bedoeling van het voorschrift is aangegeven in de functionele eis (artikel 2.145 lid 1): "Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat een rookcompartiment en een subbrandcompartiment voldoende snel en veilig kunnen worden verlaten". Door het stellen van eisen aan de maximale loopafstand in een woning in samenhang met de toepassing van rookmelders wordt aan deze functionele eis invulling gegeven voor wat betreft vluchten binnen een woning.