Infoblad 101 - Bepaling van het vereiste aantal toiletruimten in een gebouw

Aan de hand van het Bouwbesluit vaststellen hoeveel toiletruimten er in een bepaald gebouw zijn vereist. Ter oplossing van dit probleem dienen acht stappen te worden gezet, die kunnen worden onderverdeeld in twee fasen. Bij wijze van toelichting van deze stappen wordt de vraag (bepaal het minimale aantal toiletruimten) beantwoord aan de hand van een concreet voorbeeld: een nieuw te bouwen permanente sporthal met een gebruiksoppervlakte van 700 m2 waarin 10 toiletruimten zijn geprojecteerd.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 4)

1. afdeling opzoeken
De voorschriften inzake toiletruimten zijn gegeven in afdeling 4.7 van het Bouwbesluit.

2. paragraaf selecteren
Beantwoord de vraag of het gaat om nieuwbouw dan wel bestaande bouw. Het voorbeeld betreft nieuwbouw. Derhalve is in afdeling 4.7 paragraaf 4.7.1 voor nieuwbouw van toepassing; deze paragraaf omvat de artikelen 4.34 t/m 4.39.

3. (sub-)gebruiksfunctie(s) selecteren
Een sporthal, zoals in het voorbeeld, dient conform de Bouwbesluitterminologie te worden aangemerkt als ‘sportfunctie’. Opgemerkt wordt dat een sporthal alleen geheel als sportfunctie kan worden aangemerkt als hierin geen tribune (bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport) of restaurant (bijeenkomstfunctie) aanwezig is en geen ruimte als 'overige gebruiksfunctie' is aangemerkt. Tabel 4.34 (bij artikel 4.34) vermeldt bij de sportfunctie geen sub-gebruiksfuncties. Er dient te worden uitgegaan van gebruiksfunctie 9: sportfunctie.

4. artikelleden opzoeken en raadplegen
Volgens tabel 4.34 zijn bij de in stap 3 gevonden gebruiksfunctie (nummer 9 'sportfunctie') alleen artikel 4.35 lid 4, 5 en 6 van toepassing op de aanwezigheid van de toiletruimten; alleen de leden 4 en 5 hebben betrekking op het vereiste aantal toiletruimten.

Artikel 4.35 lid 4 luidt:
'Een gebruiksfunctie heeft een zodanig aantal toiletruimten dat op een toiletruimte niet meer is aangewezen dan de in tabel 4.34 aangegeven gebruiksoppervlakte aan gebruiksfunctie, met een minimum van twee toiletruimten.'

Artikel 4.35 lid 5 luidt:
'In afwijking van het vierde lid, kan worden volstaan met één toiletruimte, indien de totale gebruiksoppervlakte van een of meer op deze toiletruimte aangewezen gebruiksfuncties niet groter is dan de in tabel 4.34 aangegeven gebruiksoppervlakte.'

Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 5 t/m 8)

Nu de toepasselijke voorschriften (art. 4.35 lid 4 en 5) in vier stappen zijn gevonden, moeten deze voorschriften worden toegepast. Als volgt:

5. bezettingsgraad vaststellen
In een sportfunctie, zoals in het voorbeeld, mag conform tabel 4.34 worden uitgegaan van de bezettingsgraadklassen B1 t/m B5. Bij de uitwerking van het voorbeeld wordt ervan uitgegaan dat 400 m2 gebruiksoppervlakte van de sportfunctie bezettingsgraadklasse B2 heeft en 300 m2 gebruiksoppervlakte bezettingsgraadklasse B3. De som van deze gebruiksoppervlakten (per bezettingsgraadklasse) is gelijk aan de totale gebruiksoppervlakte, namelijk 700 m2.

6. gebruiksoppervlakte vaststellen
Volgens het voorbeeld is de gebruiksoppervlakte van de sportfunctie in totaal 700 m2.

7. bepalingsmethode toepassen
Het minimum aantal toiletruimten dient te worden bepaald conform artikel 4.35 lid 4 dan wel lid 5. Deze voorschriften zijn te herleiden tot eenvoudige formules waarin de gebruiksoppervlakte en bezettingsgraadklasse kunnen worden ingevuld; het minimumaantal toiletruimten is hiermee dan gemakkelijk te bepalen.

7a. Beoordeling conform artikel 4.35 lid 4
Op een toiletruimte in de sportfunctie mag conform artikel 4.35 lid 4 en tabel 4.34 bij de (in stap 5 genoemde) bezettingsgraadklasse B2 niet meer dan 60 m2 aan gebruiksoppervlakte zijn aangewezen en bij bezettingsgraadklasse B3 niet meer dan 150 m2.
Het aantal vereiste toiletruimten X kan worden berekend met de volgende formule:

X = (de naar boven afgeronde uitkomst van)

(GOB2 is de gebruiksoppervlakte met bezettingsgraadklasse B2 en GOB3 idem met klasse B3.)

Na invulling van de in stap 5 gevonden gebruiksoppervlakten in de formule:

(8,67: naar boven af te ronden op 9.)

7b. Beoordeling conform artikel 4.35 lid 5
In afwijking van artikel 4.35 lid 4 mag worden volstaan met één toiletruimte indien op een toiletruimte in de sportfunctie conform artikel 4.35 lid 5 en tabel 4.34 bij bezettingsgraadklasse B2 niet meer dan 30 m2 en bij bezettingsgraadklasse B3 niet meer dan 75 m2 aan gebruiksoppervlakte is aangewezen.
Er is volgens stap 5 echter meer gebruiksoppervlakte aanwezig dan hierboven is aangegeven. Derhalve mag conform artikel 4.35 lid 5 niet worden volstaan met slechts 1 toiletruimte.

8. beoordeling prestatie
Volgens het voorbeeld zijn in de sportfunctie van de geplande hal 10 toiletruimten voorzien. Op grond van de resultaten van de stappen 7a en 7b mag worden geconcludeerd dat in de sportfunctie voldoende toiletruimten aanwezig zijn.

ACHTERGROND

Het Bouwbesluit stelt eisen aan het aantal toiletruimten dat in een gebouw aanwezig moet zijn. Voor bepaalde gebruiksfuncties wordt een vast minimum voorgeschreven, voor andere gebruiksfuncties is het vereiste aantal afhankelijk van de bezettingsgraad. Ontwerpers en toetsende instanties zullen dan ook eerst in tabel 4.34 van het Bouwbesluit (behorend bij artikel 4.34) moeten nagaan of er voor de gekozen gebruiksfunctie een vast minimumaantal toiletruimten geldt of dat het aantal afhankelijk is van de bezettingsgraad.

AANDACHTSPUNTEN

De gebruiksoppervlakte die bij een bepaalde bezettingsgraadklasse voor een toiletruimte mag zijn aangewezen is niet voor alle gebruiksfuncties gelijk. Tabel 4.34 laat bijvoorbeeld zien dat voor een celfunctie ter bepaling van het aantal toiletruimten bij iedere bezettingsgraadklasse de gebruiksoppervlakte moet worden aangehouden die gegeven is bij bezettingsgraadklasse B4.

OVERIGE INFORMATIE

  • Nota van Toelichting bij Bouwbesluit 2003
  • Praktijkboek Bouwbesluit 2003
SBR, prettig kennis te maken.