Aan de hand van de Model-bouwverordening vaststellen welke eisen gelden voor de toepassing van een brandbeveiligingsinstallatie in een ‘doodlopend eind’.
Om dit probleem op te lossen moeten drie stappen worden gezet, die weer zijn onder te verdelen in twee fasen.
Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 en 2)
Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 3)
Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 en 2)
1. Bepaal het relevante hoofdstuk van de Model-bouwverordening
De voorschriften voor brandbeveiligingsinstallaties, zoals brandmeld- en ontruimingsalarminstallaties, zijn opgenomen in hoofdstuk 2 ‘De aanvraag bouwvergunning’ van de Model-bouwverordening.
2. Bepaal de relevante artikelen van de Model-bouwverordening
De voorschriften voor brandbeveiligingsinstallaties, zoals brandmeld- en ontruimingsalarminstallaties, zijn opgenomen in paragraaf 6 van hoofdstuk 2 van de Model-bouwverordening. De volgende artikelen zijn relevant:
In geval van een ‘doodlopend eind’ zijn de volgende artikelleden relevant:
Artikel 2.6.2, tweede lid, luidt als volgt:
‘In een gebruiksfunctie niet zijnde een woonfunctie of een woongebouw waar vanaf de toegang van een verblijfsruimte slechts in één richting kan worden gevlucht, dient de ruimte waardoor dient te worden gevlucht alsmede de ruimten van waaruit de betreffende vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd, voorzien te zijn van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking, indien er sprake is van één of meer van de volgende situaties:
a. De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte en een punt vanwaar in meerdere richtingen kan worden gevlucht, bedraagt meer dan 10 m.
b. Het totale oppervlak van het gedeelte van de ruimte waardoor slechts in één richting kan worden gevlucht alsmede de op dit gedeelte aangewezen verblijfsruimten is groter dan 200 m2.
c. Het aantal verblijfsruimten dat is aangewezen op de betreffende ruimte bedraagt meer dan 2.’
De toelichting bij dit artikel luidt als volgt:
‘In artikel 2.6.2, tweede lid, is – kort samengevat – geregeld dat bij doodlopende gangen een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking aanwezig moet zijn. Ook indien het rookcompartiment beschikt over twee toegangen, kan binnen het rookcompartiment sprake zijn van doodlopende gangen. Om te voorkomen dat in een kort doodlopend eind of in een doodlopend eind waarop weinig of kleine ruimten uitkomen er een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking noodzakelijk zou zijn, zijn er beperkende grenswaarden beschreven. Doordat in het onderhavige artikel de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie verplicht is gesteld, volgt uit de werking van artikel 2.6.6 dat tevens wordt voorzien in de alarmering van de gebruikers van de verblijfsruimten die op de bedoelde doodlopende gang zijn aangewezen. Het artikel is eveneens van toepassing indien een verblijfsruimte via een andere verblijfsruimte moet worden verlaten.’
Artikel 2.6.3, eerste lid, onder d, luidt als volgt:
‘De omvang van de bewaking van de brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002, is uitgevoerd als:
d. Ruimtebewaking voor gedeeltelijk samenvallende vluchtroutes en risicoruimten.’
In de toelichting bij dit artikel is voor wat betreft ruimtebewaking aangegeven dat het gaat om automatische brandmelders in specifieke ruimten in een gebouw, zoals in geval van doodlopende einden.
Artikel 2.6.6, tweede lid, luidt als volgt:
‘In een gebruiksfunctie, waarop het gestelde in artikel 2.6.2, tweede lid, van toepassing is, dienen de betreffende verblijfsruimten te zijn voorzien van een automatische ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave 2004.’
De toelichting bij dit artikel luidt als volgt:
‘In artikel 2.6.2, tweede lid, is geregeld wanneer bij doodlopende gangen een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking aanwezig moet zijn. Doordat in het onderhavige artikel de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie verplicht is gesteld, volgt uit de werking van artikel 2.6.6 dat tevens wordt voorzien in de alarmering van de gebruikers van de verblijfsruimten die op de bedoelde doodlopende gang zijn aangewezen. Een automatische ontruimingsinstallatie houdt in dat directe aansluiting van de signaalgevers plaatsvindt als gevolg van de activering van een automatische brandmelder.’
Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 3)
3. Aan de hand van een voorbeeld worden de voorschriften uitgelegd
Omschrijving situatie
In een kantoorgebouw (zie de plattegrond in figuur 1) is sprake van een ‘doodlopend eind’ op de verdieping. Het kantoorgebouw heeft twee trappenhuizen, maar vanuit verblijfsruimte 1 en 2 is sprake van een ‘doodlopend’ eind voordat in twee richtingen kan worden gevlucht.
Figuur 1: voorbeeldsituatie toepassing ruimtebewaking.
Is ruimtebewaking noodzakelijk ?
Om te bepalen of ruimtebewaking noodzakelijk is, wordt de situatie getoetst aan artikel 2.6.2, tweede lid, van de Model-bouwverordening. Geconcludeerd kan worden dat in het gegeven voorbeeld geen ruimtebewaking noodzakelijk is, aangezien:
In gebouwen kunnen verblijfsruimten liggen, waar vanuit maar in slechts één richting naar de toegang van het rookcompartiment waarin die verblijfsruimte ligt kan worden gevlucht. In dat geval is er sprake van een zogenaamd ‘doodlopend eind’. Vanuit het oogpunt van brandveiligheid is dit risicovol. Indien er in één van de ruimten die grenzen aan het ‘doodlopende eind’ brand uitbreekt, kan dit het vluchten belemmeren.
Vanuit artikel 2.146, zestiende lid, van Bouwbesluit 2003 geldt voor een niet tot bewoning bestemde gebruiksfunctie in geval van een ‘doodlopend eind’, een maximale loopafstand van 15 meter tussen een verblijfsruimte en de toegang van het rookcompartiment waarin die verblijfsruimte ligt. In de Model-bouwverordening is in dergelijk geval ook een brandbeveiligingsinstallatie vereist. Hierop wordt in dit informatieblad nader ingegaan.