Infoblad 391 - Brandwerende voorzieningen aan vliesgevels
Bepalen van brandwerende voorzieningen bij een vliesgevel op basis van de eisen voor branddoorslag en brandoverslag (wbdbo).
OPLOSSINGRICHTINGEN
Bij een gebouw met een vliesgevel moet ook de vliesgevel zelf voldoen aan de eisen voor branddoorslag en brandoverslag (wbdbo). Wanneer de vliesgevel op de juiste wijze wordt gedetailleerd zijn geen aanvullende brandwerende voorzieningen nodig. Voorwaarde is wel dat de dikte van de brandscheidende vloer of van de brandscheidende wand voldoende is om brandoverslag via de vloer of via de wand te verhinderen.

De brandcompartimentering achter de vliesgevel en de vereiste brandweerstand van de brandcompartimenten vormen het uitgangspunt. De dikte van de brandscheidende vloer of van de brandscheidende wand moet voldoende zijn om brandoverslag via de vloer of via de wand te verhinderen. Brandoverslag en branddoorslag via de vliesgevel is dan te voorkomen door het treffen van de volgende maatregelen:
Voorkom brandoverslag: maak de afstand tussen gevelopeningen voldoende groot.
Voorkom branddoorslag: beperk de kozijndikte tot maximaal 100 mm. Wanneer beide maatregelen zijn getroffen zijn, voor de kozijnen in een vliesgevel geen aanvullende brandwerende voorzieningen nodig.
1. Voorkom brandoverslag: maak de afstand tussen gevelopeningen voldoende groot.
Het gevaar voor brandoverslag volgt uit de vereiste weerstand tegen brandoverslag (wbo). De wbo kan worden bepaald met een rekenprogramma conform NEN 6068. Bepalend hierin is de afstand tussen de delen van de vliesgevel die minder dan 30 minuten brandwerend zijn: de 'gevelopeningen'. Het gevaar is namelijk dat de brand en de uitslaande vlammen door de gevelopeningen zoveel warmte uitstralen dat er achter de gevelopeningen van het andere brandcompartiment brand ontstaat. Dit is met name het geval wanneer de gevelopeningen van de verschillende brandcompartimenten te dicht bij elkaar liggen.
Per situatie moet allereerst worden onderzocht of de dikte van de brandscheidende vloer of van de brandscheidende wand al voldoende is om brandoverslag te verhinderen. Wanneer echter niet wordt voldaan aan de vereiste wbo, moeten delen van de vliesgevel brandwerend worden uitgevoerd. Dat kan bijvoorbeeld door het toepassen van brandwerend glas in combinatie met daarvoor bestemde speciale kozijnen. De brandwerendheid moet dan zijn aangetoond met een brandwerendheidsproef.
In het algemeen is de vereiste brandwerendheid van een gevel 30 minuten om brandoverslag te verhinderen. Deze brandwerendheid moet zijn bepaald in de richting waarin de brandoverslag kan plaatsvinden. Informatieblad 298 ‘Brandwerendheid in een brandoverslagsituatie’ geeft een nadere toelichting op de wbo-waarde van 30 minuten, die zowel geldt voor een wbdbo-eis van 30 als van 60 minuten.
2. Voorkom branddoorslag: beperk de kozijndikte tot maximaal 100 mm.
Wanneer de kans op brandoverslag is verhinderd – zie maatregel 1 – bestaat er nog gevaar voor branddoorslag via de gevel. Dit is te voorkomen door de diepte van de gevel te beperken. De kozijnen van een aluminum vliesgevel hebben geen extra brandwerende bescherming nodig wanneer de aluminium stijlen en regels ter plaatse van een brandscheidende wand of vloer maximaal 100 mm diep zijn, gemeten loodrecht op de gevel.
Daarnaast moet ook nog zijn voldaan aan de voorwaarde dat brandbare inventaris nergens direct contact maakt met deze kozijndelen (bijvoorbeeld geen gordijnen tegen het kozijnprofiel). Onder deze voorwaarde worden de kozijnen beschouwd als onderdeel van de gevel en niet van de brandscheidende wand of vloer. Utiliteitsgebouwen voldoen in de meeste gevallen aan deze voorwaarde.
ACHTERGROND INFORMATIE
Gebouwen moeten voldoen aan de eisen voor branddoorslag en brandoverslag (wbdbo). Brandoverslag treedt op via de vliesgevel en de buitenlucht en branddoorslag via de vloer en/of de binnenwand. Een vliesgevel bestaat meestal uit een aluminium stijl- en regelwerk met een zekere dikte, ingevuld met glas of met dichte panelen. Het is daarbij niet altijd duidelijk of de stijlen en de regels van de vliesgevel moeten worden beschouwd als onderdeel van de brandscheiding (bijvoorbeeld de vloer) of als onderdeel van de gevel. Daardoor is het bij vliesgevels moeilijk een scherp onderscheid te maken tussen branddoorslag en brandoverslag.
Aluminium is een goede warmtegeleider. Wanneer de aluminiumprofielen aan één zijde worden verhit, wordt het profiel aan de andere zijde ook snel heet. Wanneer dit profiel – bijvoorbeeld een kozijn – een onderdeel vormt van een brandscheiding tussen twee brandcompartimenten, wordt niet meer aan één van de brandwerendheidscriteria voldaan. Brandbaar materiaal dat aan de niet-direct verhitte zijde contact heeft met dit profiel kan namelijk ontbranden. Het lijkt daarom logisch ook een brandwerende bescherming aan te brengen op de kozijnen ter plaatse van de aansluiting van een vliesgevel met een brandscheidende vloer of wand, maar dat is praktisch moeilijk uitvoerbaar.
In de praktijk blijkt dat er bij vliesgevels bij een brand doorgaans sprake is van brandoverslag en niet van branddoorslag, omdat de niet-brandwerende glazen delen van de vliesgevel naar verwachting het eerste bezwijken. Daarna heeft de buitenlucht een koelend effect op de brand. In nabijheid van de aansluiting van de vliesgevel met een vloer of wand is er dan geen sprake van een standaardbrand binnen het gebouw, maar van een uitslaande brand. Om die reden zijn branddeskundigen van mening dat aluminium kozijnen onbeschermd kunnen blijven, mits de kozijnen een dikte hebben van maximaal 100 mm, gemeten loodrecht op de vliesgevel.
AANDACHTSPUNTEN
- De eisen aan de brandcompartimentering volgen uit het Bouwbesluit en eventuele andere regelgeving.
- Een berekening volgens NEN 6068 geeft uitsluitsel over de benodigde afstanden tussen gevelopeningen van verschillende brandcompartimenten. Een dergelijke berekening kan worden uitgevoerd met het programma BRANDO 2.
- Bij het beoordelen van de brandwerendheid van een vliesgevel moet ook rekening worden gehouden met een identieke gevel van een denkbeeldig belendend of een tegenoverliggend gebouw. Hiervoor geldt in het algemeen het beginsel van spiegelsymmetrie; zie hiervoor Infoblad 364 ‘Toepassing regels spiegelsymmetrie’.
OVERIGE INFORMATIE
- Informatieblad 298 ‘Brandwerendheid in een brandoverslagsituatie’, 2005.
- Informatieblad 364 ‘Toepassing regels spiegelsymmetrie’, 2007.
- E.W. Janse, ‘Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag. Werken met wbdbo in de praktijk’ (SBR publicatie 541), Rotterdam 2005.
- Bouwbesluit 2003.
- NEN 6068 ‘Bepaling van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen ruimten’, 2004 + wijzigingsblad A2, 2005.
- Computerprogramma BRANDO 2, zie http://www.bris.nl.
SBR, prettig kennis te maken.