Infoblad 234 - Breedte van nooduitgangen en draairichting van vluchtdeuren

Het berekenen van de minimale vrije doorgangsbreedte van (nood)uitgangen en het bepalen van de draairichting van deuren die deel uitmaken van een vluchtroute.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Acht stappen

a) Vrije doorgangsbreedte
Om de vrije doorgang te berekenen, moeten de volgende vijf stappen worden gezet.

  • Stap 1: Bepaal de vloeroppervlakte van elke verblijfsruimte en van elk verblijfsgebied en rookcompartiment.
  • Stap 2: Bepaal de bezettingsgraadklasse van elke verblijfsruimte en van elk verblijfsgebied en rookcompartiment.
  • Stap 3: Bereken de minimale vrije doorgang voor verblijfsgebieden en verblijfsruimten.
  • Stap 4: Bereken de minimale vrije doorgang voor rookcompartimenten.
  • Stap 5: Bepaal de vereiste minimale breedte.

Stap 1: Bepaal de vloeroppervlakte van elke verblijfsruimte en van elk verblijfsgebied en rookcompartiment.
Bij verblijfsgebieden en verblijfsruimten is de vloeroppervlakte maatgevend voor de berekening; bij rookcompartimenten is dat de gebruiksoppervlakte. Het kenmerkende verschil is dat de gebruiksoppervlakte eenduidig is vast te stellen op grond van rekenregels die zijn uitgewerkt in NEN 2580. Omhullende constructiedelen vormen daarbij de begrenzing. De begrenzing van de vloeroppervlakte van een verblijfsgebied of van een verblijfsruimte wordt bepaald door de indiener van het bouwplan en hoeft niet per se samen te vallen met de omhullende constructiedelen. Indien een deel van een ruimte niet voldoet aan de eisen voor een verblijfsruimte respectievelijk verblijfsgebied, kan dat deel van de vloer niet worden meegerekend bij de vloeroppervlakte.

Stap 2: Bepaal de bezettingsgraadklasse van elke verblijfsruimte en van elk verblijfsgebied en rookcompartiment.
Het Bouwbesluit kent vijf bezettingsgraadklassen: B1 t/m B5. De bestemming van een ruimte is van invloed op het aantal mensen dat daar verblijft. Bij het vaststellen van de bezettingsgraadklasse wordt rekening gehouden met het soort ruimte (gebruiksfunctie), het (theoretische) aantal personen en het aantal vierkante meter vloeroppervlakte dat beschikbaar is, zie Bouwbesluit, art. 1.1, lid 6.

Stap 3: Bereken de minimale vrije doorgang voor verblijfsgebieden en verblijfsruimten.
Aan de hand van de oppervlakten en de bezettingsgraadklassen kan aan de hand van Bouwbesluit tabel 2.145.1 in combinatie met art. 2.146, lid 8 worden berekend welke vrije doorgang is vereist voor verblijfsgebieden en verblijfsruimten, zie tabel 1.
Voor deuren die in een rookvrije vluchtroute liggen geldt een minimum breedte van 0,85 m (Bouwbesluit, art. 2167 lid 2) maar ook voor alle andere deuren is uit het oogpunt van bruikbaarheid de minimum breedte op 850 mm gesteld (Bouwbesluit, art. 4.11, lid 1). Uitzondering hierop zijn de deuren van ruimten met een gezondheidszorgfunctie voor aan bed gebonden patiënten. Voor deze deuren bedraagt de minimale vrije doorgang 1100 mm (Bouwbesluit, art. 2.146, lid 15).

Tabel 1. Vrije doorgang voor vluchtuitgangen; minimaal 600 mm breed
bezettings-
graadklasse
verblijfsgebied en
verblijfsruimte
rookcompartiment
B1 13,75 mm/m2 9,2 mm/m2
B2 5,5 mm/m2 3,7 mm/m2
B3 2,2 mm/m2 1,5 mm/m2
B4 0,92 mm/m2 0,6 mm/m2
B5 0,37 mm/m2 0,2 mm/m2

Stap 4: Bereken de minimale vrije doorgang voor rookcompartimenten.
Uitgaande van de gebruiksoppervlakte kan op grond van art. 2.148, lid 3 van het Bouwbesluit in combinatie met tabel 2.145.2 worden bepaald wat de vereiste vrije doorgangsbreedte is voor een rookcompartiment; zie tabel 1. Ook hier geldt een minimum van 0,85 m per toegang.

Stap 5: Bepaal de vereiste minimale breedte.
De informatie uit stap 3 (vereiste vrije doorgang voor een verblijfsgebied en verblijfsruimte) en stap 4 (idem voor een rookcompartiment) wordt vervolgens vergeleken. Wanneer de berekende vrije doorgang van een rookcompartiment kleiner is dan de vrije doorgang van de in dat compartiment gelegen verblijfsgebieden of verblijfsruimten, is de laatste maat altijd bepalend. Wanneer er twee of meer uitgangen zijn, moeten de vrije doorgangsmaten bij elkaar worden opgeteld. (Het Bouwbesluit spreekt van de totale vrije doorgang van de toegangen.) Wanneer de totaal beschikbare vrije doorgang groter is dan de vereiste vrije doorgang, wordt in principe aan de voorschriften voldaan.

b) Draairichting
Bij het bepalen van de draairichting van deuren die deel uitmaken van een vluchtroute moet eveneens worden gekeken naar verblijfsgebieden en verblijfsruimten enerzijds en naar rookcompartimenten anderzijds. Dit leidt ertoe dat de volgende drie stappen (6 t/m 8) moeten worden doorlopen alvorens kan worden vastgesteld of er voor een deur een dwingende draairichting is.

  • Stap 6: Bepaal de draairichting van deuren van verblijfsgebieden en verblijfsruimten.
  • Stap 7: Bepaal de draairichting van de deur van een rookcompartiment.
  • Stap 8: Bepaal de draairichting.

Stap 6: Bepaal de draairichting van deuren van verblijfsgebieden en verblijfsruimten.
Om de draairichting van deuren te bepalen, zijn dezelfde invoergegevens nodig als voor het bepalen van de vrije doorgangsmaten: de vloeroppervlakte van verblijfsgebieden en verblijfsruimten en de bezettingsgraadklasse van de ruimte. Daarnaast moet de vluchtrichting worden aangegeven. Voor verblijfsgebieden en verblijfsruimten geldt dat een deur met de vluchtrichting mee moet draaien wanneer de op die uitgang aangewezen vloeroppervlakte groter is dan de grenswaarde die aangegeven is in tabel 2.145.1 van het Bouwbesluit (zie ook art. 2.146, lid 9); zie tabel 2.

Tabel 2. De draairichting van een deur hangt af van de oppervlakte van de ruimte die op die deur is aangewezen. Bij overschrijding van de vermelde waarde mag de deur niet tegen de vluchtrichting in opendraaien.
bezettings-
graadklasse
verblijfsgebied en
verblijfsruimte
rookcompartiment
B1 20 m2 30 m2
B2 50 m2 75 m2
B3 125 m2 187,5 m2
B4 375 m2 450 m2
B5 750 m2 1125 m2

Stap 7: Bepaal de draairichting van de deur van rookcompartimenten.
De draairichting van de deur van een rookcompartiment wordt bepaald aan de hand de gebruiksoppervlakte en de bezettingsgraadklasse van het rookcompartiment. Voor rookcompartimenten geldt dat een deur niet tegen de vluchtrichting in opendraait wanneer de op die uitgang aangewezen gebruiksoppervlakte groter is dan de grenswaarde die aangegeven is in tabel 2.145.2 van het Bouwbesluit (zie ook art. 2.148, lid 4); zie tabel 2.

Stap 8: Bepaal de draairichting.
Ten slotte worden de uitkomsten van stap 6 en 7 met elkaar vergeleken. Wanneer een deur op grond van de eisen voor verblijfsgebieden en verblijfsruimten niet tegen de vluchtrichting mag indraaien, houdt dit automatisch in dat ook de uitgangen van het rookcompartiment waarin dat verblijfsgebied of die verblijfsruimte ligt, niet tegen de vluchtrichting mogen indraaien.

ACHTERGROND

Om opstoppingen bij het vluchten te voorkomen, moeten deuren van verblijfsruimten, verblijfsgebieden, rookcompartimenten en vluchttrappenhuizen een voldoende vrije doorgang verschaffen. Behalve de vrije doorgangsbreedte is het voor een vlotte doorstroming bij vluchten ook van belang dat deuren in de vluchtroute in de juiste richting opendraaien. Het Bouwbesluit stelt per gebruiksfunctie (met uitzondering van de woonfunctie) eisen aan deze aspecten (art. 2.146, lid 8 en 9 en art. 2.148, lid 3 en 4). De eisen hangen af van de vloeroppervlakte en van de bezettingsgraadklasse van een verblijfsgebied, een verblijfsruimte of een rookcompartiment.

De minimale vrije doorgangsbreedte en de draairichting van deuren moet volgens het Bouwbesluit worden berekend voor zowel verblijfsgebieden en verblijfsruimten (art. 2.146) als voor rookcompartimenten (art. 2.148). Dit betekent dat er steeds twee berekeningen moeten worden uitgevoerd. Een rookcompartiment kan meerdere verblijfsgebieden omvatten. Daarom mag de vrije doorgangsbreedte voor een rookcompartiment niet kleiner zijn dan die van de verblijfsgebieden en verblijfsruimten die in dat rookcompartiment liggen. Met andere woorden: indien uit de berekeningen volgt dat de vrije breedte van deuren van een rookcompartiment kleiner is dan die van de daarin gelegen verblijfsruimten of verblijfsgebieden, dan is de laatste maat bepalend. Voor de draairichting van deuren geldt eenzelfde redenering: wanneer op grond van de berekeningen een deur niet tegen de vluchtrichting mag indraaien, geldt dit ook voor alle deuren die daarna volgen in de vluchtroute, ongeacht de uitkomst van de berekeningen.

AANDACHTSPUNTEN

  • Bij het bepalen van de draairichting van deuren die voor normaal gebruik bestemd zijn, geldt er in feite een verbod dat een deur bij het openen tegen het de vluchtrichting indraait. Dit betekent niet automatisch dat deuren dan ook met de vluchtrichting méé moeten draaien. Een schuifdeur is weliswaar niet verboden, maar wordt wel ontraden. Er bestaat namelijk het gevaar dat een schuifdeur blokkeert wanneer er teveel druk op wordt uitgeoefend.
  • Nooddeuren moeten daarentegen wel met de vluchtrichting meedraaien. Een nooddeur is een deur die uitsluitend bestemd is voor het vluchten (Bouwbesluit, art. 1.1 lid 1). Het gebruik van schuifdeuren als nooddeur is in het Bouwbesluit uitdrukkelijk verboden. (art. 2.146 lid 9 en 2.148 lid 4)
  • Let op het draaien van deuren over een deel van de vloer van een verkeersruimte die dienst doet als vluchtroute. Buiten de deur in geopende stand moet in dat geval een vrije doorgangsbreedte overblijven van 0,6 m (Bouwbesluit art 2.76 lid 3). Dit geldt niet alleen voor gangen, maar ook voor een route over een trap. Met de positionering van de deur moet hiermee rekening worden gehouden.

OVERIGE INFORMATIE

  • Brandveiligheid: ontwerpen en toetsen; SBR-publicatie 443.05.
  • Bouwbesluit 2003, inclusief toelichting.
SBR, prettig kennis te maken.