Infoblad 230 - Dimensionering van vluchttrappenhuizen

Het bepalen van de minimale afmetingen van een vluchttrappenhuis.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Vier stappen

Het gaat om de volgende vier stappen:

  • a) Bepaal de minimale afmetingen van de trappen en het trappenhuis
  • b) Bepaal of het trappenhuis een vluchttrappenhuis is
  • c) Bepaal de opvangcapaciteit
  • d) Bepaal de doorstroomcapaciteit
  • Rekenvoorbeeld

a) Bepaal de minimale afmetingen van de trappen en het trappenhuis
De minimale afmetingen van trappen moeten voor niet-woonfuncties voldoen aan de eisen in tabel 2.28b van het Bouwbesluit. Voor trappen in woongebouwen gelden de eisen in tabel 2.28a. Beide tabellen kennen voor wat betreft de afmetingen van trappen twee kolommen met elk een verschillende waarde: kolom A en kolom B. Alleen wanneer het verblijfsgebied van een te ontsluiten functie beperkt in omvang is, in relatie tot de bezetting, kan worden uitgegaan van de lagere waarden in kolom A. Het Bouwbesluit kent ook de categorie noodtrap. Dit zijn trappen die uitsluitend bestemd zijn voor het vluchten en dus niet voor het ontsluiten van (delen van) het gebouw bij normaal gebruik. Een noodtrap moet altijd minimaal voldoen aan de eisen van tabel 2.28b kolom A, ook bij woongebouwen.

b) Bepaal of het trappenhuis een vluchttrappenhuis is
Wanneer er door een trappenhuis een rookvrije vluchtroute voert, is er sprake van een vluchttrappenhuis. Vluchttrappenhuizen moeten ook voldoen aan de eisen in de Regeling Bouwbesluit 2003 afdeling 3.1 Opvang- en doorstroomcapaciteit van een vluchttrappenhuis. Het Bouwbesluit verwijst naar dit besluit in art. 2.173.

c) Bepaal de opvangcapaciteit
Om de opvangcapaciteit van een vluchttrappenhuis te kunnen berekenen, moet bekend zijn hoeveel vierkante meter gebruiksoppervlakte en verblijfsgebied met de bijbehorende bezettingsgraadklasse er per bouwlaag op elk trappenhuis is aangewezen. Het minimumaantal personen dat per bouwlaag moet worden opgevangen is de grootste uitkomst van de volgende formules:

Hierin is: VB1 t/m VB5 vloeroppervlakte (m2) aan verblijfsgebied met bezettingsgraadklasse B die is aangewezen op de vluchtroutes via het trappenhuis; GB1 t/m GB5 gebruiksoppervlakte (m2) aan ruimte met bezettingsgraadklasse B die is aangewezen op de vluchtroutes via het trappenhuis.

Wanneer het aantal personen (per bouwlaag) bekend is, kan vervolgens worden nagegaan of dit aantal op de beschikbare vloeroppervlakte in het trappenhuis zelf kan worden opgevangen. Daarbij gelden de volgende rekenwaarden:

  • 4 personen per vierkante meter vrije vloeroppervlakte (bordes of vloer in het trappenhuis);
  • 0,9 personen per strekkende meter breedte per traptrede bij een trap als bedoeld in kolom B van tabel 2.28b van het Bouwbesluit. Dit komt globaal overeen met 1 persoon per traptrede bij een breedte van 1,1 m;
  • 1 persoon per twee traptreden bij een trap als bedoeld in kolom A van tabel 2.28b van het Bouwbesluit.

d) Bepaal de doorstroomcapaciteit
De totale ontruimingstijd hangt af van de doorstroomsnelheid op het meest kritische onderdeel van een trappenhuis, namelijk:
- de onderste deur; óf
- de trapbreedte; óf
- de breedte van een bordes.

Om de ontruimingstijd te bepalen worden voor de doorstroomcapaciteit de volgende rekenwaarden aangehouden:

  • 90 personen per minuut per strekkende meter vrije doorgang (deur of bordes) voor een vlakke vloer;
  • 45 personen per minuut per strekkende meter trapbreedte bij een trap als bedoeld in kolom B van tabel 2.28b van het Bouwbesluit;
  • 25 personen per minuut bij een trap als bedoeld in kolom A van tabel 2.28b van het Bouwbesluit.

In het eenvoudigste trappenhuis blijven de afmetingen van de trap naar boven toe gelijk. Wanneer er geen vernauwingen in het trappenhuis zijn, dan is de onderste verdieping maatgevend. Op grond van het totale aantal personen dat moet worden opgevangen (zie rekenvoorbeeld) wordt vastgesteld wat de ontruimingstijd is. Wanneer er hoger in het trappenhuis een maatgevende vernauwing ligt, moet allereerst de benodigde ontruimingstijd op die plaats worden bepaald. Dat gebeurt door het aantal personen dat zich boven die plaats bevindt te delen door de doorstroomcapaciteit ter plekke. Om de ontruimingstijd van het gehele trappenhuis te bepalen, moet er vervolgens voor elke bouwlaag tussen de maatgevende vernauwing en de toegang steeds één minuut worden bijgeteld.

Rekenvoorbeeld
Gegeven is een kantoorgebouw van vijf bouwlagen waarvan per bouwlaag de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied V en de gebruikoppervlakte G met bijbehorende bezettingsgraadklasse B bekend zijn, zie afbeelding. Elke trap in het trappenhuis heeft negen treden.


Per verdieping moeten volgens formule (a) 60 / 2 + 370 / 12 = 61 personen worden opgevangen in twee trappenhuizen. Dat zijn afgerond 31 personen per trappenhuis. Volgens formule (b) zijn dat 65 / 3 + 385 / 18 = 44 personen in totaal en 22 personen per trappenhuis. Maatgevend is dus de uitkomst volgens formule (a), want die is het grootst. Het trappenhuis is voor de twee bovenste bouwlagen (3e en 4e verdieping!) smaller dan daaronder. Dit bovenste gedeelte is in dit voorbeeld dus maatgevend. De aanwezige opvangcapaciteit voor de bovenste bouwlaag bedraagt, met inbegrip van de trap naar de vijfde bouwlaag:

  • trap van 1,1 m breed met 2 x 9 = 18 treden: 18 x 1,1 x 0,9 = 17,8 personen;
  • vloer en bordes: (2 x 1,1 x 2,4) x 4 = 21,1 personen.

De beschikbare opvangcapaciteit van één trappenhuis per bouwlaag voor de bovenste twee bouwlagen is dus minimaal 17,8 + 21,1 = 38,9 personen. Dat is voldoende om de vereiste 31 personen op te vangen. De doorstroomcapaciteit in het onderste deel van het trappenhuis hangt af van de breedte van de trap. Immers, over de trap met een trapbreedte van 1,5 m kunnen per minuut 1,5 x 45 = 67,5 personen passeren, terwijl door de deuropening op de begane grond 0,9 x 90 = 81,0 personen per minuut kunnen doorstromen. Wanneer er geen vernauwing in het trappenhuis zou zijn, dan zou de ontruimingstijd van het gehele trappenhuis (31 x 4) / 67,5 = 1,8 minuten bedragen. (Merk op dat de mensen die op de begane grond werken niet via het trappenhuis naar buiten vluchten!) Voor de bovenste twee bouwlagen is de doorstroomsnelheid vanwege de smallere trap echter lager, namelijk 1,1 x 45 = 49,5 personen per minuut. De laagst gelegen vernauwing is de trap die omhoog gaat vanaf de vloer van de derde bouwlaag. De tijd die nodig is om dit deel van het trappenhuis te ontruimen bedraagt 2 x 31 / 49,5 = 1,3 minuten. Om de totale ontruimingstijd te bepalen moet hierbij per bouwlaag nog 1 minuut worden opgeteld voor de onderste bouwlagen, waardoor de totale ontruimingstijd uitkomt op 1,3 + 2 x 1 = 3,3 minuten. Deze tijd voldoet ruimschoots aan het criterium dat het trappenhuis binnen 15 minuten moet zijn ontruimd.

ACHTERGROND

Gebouwen moeten zo zijn ingericht dat gebruikers bij brand in korte tijd veilig kunnen vluchten. Het Bouwbesluit hanteert als uitgangspunt dat (rookvrije) vluchtroutes altijd over vloeren en over vaste trappen voeren. In het algemeen moet het traject van een rookvrije vluchtroute altijd een vrije breedte van 0,85 m en een hoogte ten minste 2,3 m hebben. Deze afmetingen gelden echter niet voor het deel van een vluchtroute dat over een trap voert. (Bouwbesluit, art. 2.167 lid 1) Als deuren de vluchtroute indraaien moet er een breedte van 0,6 m beschikbaar blijven, gemeten naast de deur in geopende stand. (Bouwbesluit art. 2.76 lid 3).

Daarnaast stelt het Bouwbesluit eisen aan de afmetingen van gangen en trappen. Deze eisen zijn in het algemeen gebaseerd op een ontsluiting van het gebouw bij normaal gebruik. Bij brand kan een grotere capaciteit van gangen en trappen nodig zijn om het gebouw tijdig te ontruimen. Met name vluchttrappen moeten voldoende capaciteit hebben om vluchtende personen op te kunnen vangen en zo opstoppingen en lange wachttijden te voorkomen. Bovendien moeten vluchttrappen voldoende doorstroomcapaciteit hebben. In gebouwen waar relatief veel mensen verblijven kan het nodig zijn de afmetingen van vluchttrappen op deze situatie af te stemmen. Afmetingen van trappen hebben in dat geval grote invloed op het gebouwontwerp.

Het Bouwbesluit verwijst naar de Regeling Bouwbesluit 2003 die het volgende voorschrijft: 'Een ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft, afhankelijk van de oppervlakte van de daarop aangewezen ruimten en van de bezettingsgraadklasse van die ruimten, een zodanige opvang- en doorstroomcapaciteit dat in geval van brand snel en veilig kan worden gevlucht. Daarbij kan rekening worden gehouden met gefaseerde ontruiming.' De toelichting bij de Regeling Bouwbesluit 2003 is specifieker en beschrijft een methode voor het berekenen van de opvangcapaciteit en de doorstroomcapaciteit, beide met de uitgangspunten die hierbij kunnen worden gehanteerd.

Vroeger gold deze berekeningsmethode uitsluitend voor kantoor- en logiesfuncties, maar met de nieuwe Regeling Bouwbesluit 2003 mag de methode nu voor alle gebruiksfuncties en voor alle bezettingsgraadklassen worden toegepast. De toelichting bij de Regeling Bouwbesluit 2003 bevat echter wel een waarschuwing: de praktijk ervaart namelijk de uitkomsten van de berekeningsmethode voor bezettingsgraadklasse B1 en B2 bij andere gebruiksfuncties dan kantoor- en logiesfunctie soms als onredelijk! In een rekenvoorbeeld wordt de berekeningsmethode nader uiteengezet. Als uitgangspunt geldt dat personen in een gebouw in een veilig gebied moeten kunnen worden opgevangen binnen één minuut nadat de brand is ontdekt en de gebruikers zijn gealarmeerd. Dit veilige gebied kan een trappenhuis met eventueel een voorportaal zijn. Het gebouw moet daarna - indien nodig - binnen een kwartier na alarmering zijn ontruimd, waarbij men uitgaat van maximaal 1 minuut ontruimingstijd per bouwlaag. De ontruimingstijd kan langer zijn naarmate het trappenhuis veiliger is: 20 minuten wanneer er een toegangssluis is en 30 minuten wanneer het trappenhuis is uitgevoerd als veiligheidstrappenhuis.

AANDACHTSPUNTEN

  • Maak voor het vluchten bij voorkeur gebruik van normale ontsluitingsroutes. Herkenbaarheid en vanzelfsprekendheid van vluchtroutes zijn in panieksituaties van het allergrootste belang.
  • Vluchtroutes die niet dagelijks worden gebruikt, worden ook bij calamiteiten weinig gebruikt. Dergelijke vluchtroutes leveren daarom in de praktijk vaak een geringere bijdrage aan de capaciteit dan op basis van theoretische gegevens wordt verondersteld.
  • Een vluchttrappenhuis moet op de begane grond bij voorkeur direct uitkomen op het buitenterrein. Bij vluchttrappenhuizen die doorlopen naar bouwlagen onder het maaiveld moet de uitgang naar de straat duidelijk worden gemarkeerd.
  • Minimumafmetingen van trappen voor woongebouwen wijken af van de eisen die gelden voor andere gebruiksfuncties. Dit geldt voor de op- en aantrede, de trapbreedte en de vrije hoogte van de trap.
  • De berekeningsmethode die in dit Informatieblad wordt beschreven voor de opvang- en doorstroomcapaciteit is geschikt voor kantoor- en logiesfuncties met een bezettingsgraadklasse B3 of hoger. Voor andere gebruiksfuncties en bij bezettingsgraadklassen B1 of B2 leidt de toepassing van deze berekeningsmethode soms tot eisen die als onredelijk worden ervaren.

OVERIGE INFORMATIE

SBR, prettig kennis te maken.