Infoblad 295 - Eisen aan brandvoortplanting en rookproductie constructie-onderdeel

Aan de hand van het Bouwbesluit vaststellen welke eisen gelden voor de beperking van de brandvoortplanting en de rookproductie van een constructie-onderdeel.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Vier stappen

Om het genoemde probleem op te lossen moeten vier stappen worden gezet. Deze zijn onder te verdelen in twee fasen.

Fase A. Opzoeken van toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 3)

  • Relevante afdeling (van het Bouwbesluit) opzoeken.
  • Relevante paragrafen (van de afdelingen) selecteren.
  • Aan de hand van de tabellen in de paragrafen de relevante voorschriften selecteren.
  • Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 4)

  • Aan de hand van de geselecteerde voorschriften (stap 3) bepalen welke eisen gelden voor de bijdrage tot brandvoortplanting en rookdichtheid van een materiaal.

  • Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 3)

    1. De relevante afdeling (van het Bouwbesluit) opzoeken
    De voorschriften voor de bijdrage tot brandvoortplanting zijn in afdeling 2.12: ‘Beperking van ontwikkeling van brand’ van het Bouwbesluit opgenomen.
    De voorschriften voor de beperking van de rookproductie zijn in afdeling 2.15: ‘Beperking van ontstaan van rook’ van het Bouwbesluit opgenomen.

    2. De relevante paragrafen (van de afdelingen) selecteren
    Beantwoord de vraag of het gaat om nieuwbouw dan wel bestaande bouw. In het vervolg zal worden ingegaan op de voorschriften die gelden voor materialen in nieuw te bouwen bouwwerken. Een bouwwerk geen gebouw zijnde wordt verder buiten beschouwing gelaten.

    Afdeling 2.12: ‘beperking van ontwikkeling van brand’ is onderverdeeld in twee paragrafen: paragraaf 2.12.1 bevat de nieuwbouwvoorschriften; paragraaf 2.12.2 bevat de voorschriften voor bestaande bouw.

    Afdeling 2.15 bevat eveneens twee paragrafen: paragraaf 2.15.1 bevat de nieuwbouwvoorschriften; paragraaf 2.15.2 bevat de voorschriften voor bestaande bouw.

    3. Aan de hand van de tabellen in de paragrafen de relevante voorschriften selecteren
    Paragraaf 2.12.1 (nieuwbouw) van afdeling 2.12: ‘beperking van ontwikkeling van brand’ bevat de artikelen 2.91 t/m 2.97. Hiervan zijn de volgende eisen van belang:

    • artikel 2.92: eisen voor constructie-onderdelen aan het binnenoppervlak;
    • artikel 2.93: eisen voor constructie-onderdelen aan het buitenoppervlak;
    • artikel 2.94: eisen voor constructie-onderdelen aan het beloopbare vlak;
    • artikel 2.95: vrijgestelde oppervlakte.

    Paragraaf 2.15.1 (nieuwbouw) van afdeling 2.15: ‘beperking van ontstaan van rook’ bevat de artikelen 2.125 t/m 2.129. Hiervan zijn de volgende eisen van belang:

    • artikel 2.126: algemene eisen;
    • artikel 2.127: eisen voor het beloopbare vlak;
    • artikel 2.128: vrijgestelde oppervlakte.

    Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 4)

    Nu de voorschriften (artikel 2.92 t/m 2.95 en artikel 2.126 t/m 2.128) in drie stappen zijn gevonden, moeten deze voorschriften worden toegepast om te bepalen welke eisen gelden voor de beperking van de brandvoortplanting en de rookproductie. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de volgende grenswaarden:

    • bijdrage tot brandvoortplanting;
    • rookdichtheid;
    • Euroklassen.

    4. Aan de hand van de geselecteerde voorschriften (stap 3) bepalen welke eisen gelden voor de bijdrage tot brandvoortplanting en rookdichtheid van een materiaal

    Bijdrage tot brandvoortplanting
    Afhankelijk van de soort gebruiksfunctie is onderscheid gemaakt tussen constructie-onderdelen in een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een rookvrije vluchtroute van een subbrand-compartiment en andere ruimten. De eisen hebben consequenties voor het materiaalgebruik van de constructie-onderdelen. Voor ruimten waardoor een brand- en rookvrije voert en een rookvrije vluchtroute van een subbrandcompartiment, gelden doorgaans hogere eisen voor het materiaalgebruik van de naar die ruimten toegekeerde constructie-onderdelen, dan voor ruimten waardoor deze routes niet voeren.

    Ook aan de gevelafwerking worden eisen gesteld. De hoogte van de eis is hierbij afhankelijk van de hoogte van de gevel. Om te voorkomen dat het gebouw als gevolg van brandstichting in brand geraakt, wordt aan de onderste 2,5 meter een zwaardere eis gesteld dan hoger gelegen geveldelen. Een brand, die zich over het geveloppervlak uitbreidt, kan slechts tot een hoogte van 13 meter met gangbaar materieel worden geblust. Daarom wordt aan de gevelafwerking van een bouwwerk boven deze 13 meter eveneens een zwaardere eis gesteld aan de brandvoortplantingsklasse.

    In de onderstaande tabel zijn de eisen inzake brandvoortplantingsklassen vermeld. Opgemerkt wordt dat de aangegeven eisen voor de meeste van de gebruiksfuncties gelden. Enkele specifieke gebruiksfuncties (zoals celfuncties) zijn buiten beschouwing gelaten.

    Constructie-onderdeel Brandvoortplantingsklasse conform NEN 6065 of NEN 1775 Brandklasse conform NEN-EN 13501-1
    Vloerafwerking
    Van besloten of niet-besloten ruimten met een rookvrije vluchtroute in een woongebouw T1 Cfl
    Van besloten of niet-besloten ruimten met een brand- en rookvrije vluchtroute in alle gebouwen T1 Cfl
    Van andere besloten of niet-besloten ruimten T3 Dfl
    Wand- en plafondafwerking
    Van besloten of niet-besloten ruimten met een rookvrije vluchtroute in slaapfuncties 2 B(besloten) / C
    Van besloten of niet-besloten brand- en rookvrije vluchtroute 2 B(besloten) / C
    Van andere besloten of niet-besloten ruimte (basiseis) 4 D
    Gevelafwerking (met uitzondering van ramen, deuren, kozijnen e.d.)
    Onderste 2,5 meter bij gebouw met vloer verblijfsgebied op 5 meter of meer (m.u.v. woning) 1 B
    Boven 13 meter hoogte 2 B
    Rest (basiseis) 4 D

    Slaapfuncties:

    • woonfunctie in woongebouw of van megawoning (GO woonfunctie >500 m2);
    • slaapgedeelte van een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang van kinderen jonger dan 4 jaar en 24-uurs opvang;
    • celfunctie (eventueel hogere eisen);
    • logiesfunctie > 500 m2 of in logiesgebouw gelegen;
    • gezondheidszorgfunctie voor aan bed gebonden patiënten.

    In de tabel zijn twee verschillende typen grenswaarden aangegeven. Het betreffen de brandvoortplantingsklasse volgens NEN 6065 of NEN 1775 en de brandklasse volgens NEN-EN 13501-1. De grenswaarden conform NEN-EN 13501-1 moeten worden aangehouden voor die producten die moeten zijn voorzien van de CE-markering. Tot deze producten behoren onder andere de isolatiematerialen en de houten plaatmaterialen.

    De grenswaarden volgens de NEN 6065 en NEN 1775 mogen worden aangehouden voor de producten die nog niet zijn voorzien van de CE-markering. Voor genoemde producten mag echter ook reeds van de Euroklassen worden uitgegaan. NEN 6065 is van toepassing voor alle niet-beloopbare oppervlakten (doorgaans de wanden en plafonds); NEN 1775 voor beloopbare oppervlakten (vloeren, bovenzijde traptreden en bovenzijde hellingbaan). NEN-EN 13501-1 is zowel van toepassing op beloopbare als op niet-beloopbare oppervlakten.

    Beperking van rookproductie
    Afhankelijk van de soort gebruiksfunctie is onderscheid gemaakt tussen constructie-onderdelen in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een rookvrije vluchtroute van een subbrandcompartiment en andere ruimten. De eisen hebben consequenties voor het materiaalgebruik van de constructie-onderdelen. Voor ruimten waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert en rookvrije vluchtroute van een subbrandcompartiment gelden doorgaans hogere eisen voor het materiaalgebruik van de naar die ruimten toegekeerde constructie-onderdelen, dan voor ruimten waardoor deze routes niet voeren.

    In de onderstaande tabel zijn de eisen die hieraan worden gesteld weergegeven. Daarbij is weer onderscheid gemaakt in twee verschillende typen grenswaarden.

    Constructie-onderdeel Rookdichtheid conform NEN 6066 Rooklasse conform NEN-EN 13501-1
    Wand- en plafondafwerking in besloten ruimten, bij eis aan brandvoortplanting
    klasse 1 cf NEN 6065 5,4 m-1 s2
    klasse 2 cf NEN 6065 2,2 m-1 s2
    klasse 4 cf NEN 6065 10 m-1 s2
    Vloerafwerking in besloten ruimte
    Ongeacht eis aan brandvoortplantingsklasse 10 m-1 S1fl

    Euroklassen
    Sinds 13 mei 2003 is het gebruik van de Euroklassen voor het brandgedrag van bouwmaterialen en -producten in het Bouwbesluit geïntroduceerd. Het gebruik van Euroklassen in het Bouwbesluit is een direct gevolg van de op grond van de Richtlijn Bouwproducten ingezette harmonisatie van bepalingsmethoden. Deze bepalingsmethoden zijn ook van belang voor de CE-markering van een product. Omdat voor het merendeel van de constructie-onderdelen nog geen verplichte CE-markering geldt, is besloten dat tijdelijk voor die producten de bestaande grenswaarden mogen worden gehandhaafd. Hierdoor behouden de bestaande beproevingen hun waarde tot het tijdstip dat ook voor deze producten overeenkomstig de Europese Richtlijn Bouwproducten, is vastgesteld dat ze een CE-markering moeten hebben.

    Opgemerkt wordt dat het alleen eenzelfde bepalingsmethode betreft in elk land. De grenswaarde kan wel per land verschillen. Het blijft mogelijk dat Nederland klasse A voor de bijdrage tot de brandvoortplanting in een bepaalde situatie voorschrijft (via het Bouwbesluit), terwijl Noorwegen in dezelfde situatie klasse B voorschrijft.

    De Euroklassen zullen voor nieuwbouw en verbouw op termijn volledig de plaats in gaan nemen van de voorgeschreven Nederlandse bepalingsmethoden die nu in Bouwbesluit 2003 gelden voor:

    • de onbrandbaarheid van materialen; NEN 6064;
    • de brandvoortplantingsklasse; NEN 6065 en NEN 1775;
    • de rookproduktie; NEN 6066.

    Voor bestaande bouw blijven naast de Europese normen, voorlopig nog de Nederlandse normen van kracht.

    Het Eurobrandklassensysteem kent onderscheid tussen vloeren (aangeduid met subscript 'fl') en niet-vloeren. Er wordt gebruik gemaakt van de prestaties die zijn vastgesteld met een vijftal Europese normen met bepalingsmethoden. Naast de bijdrage aan de brandvoortplanting (brandklassen A1 t/m F) kent het systeem een klasse-aanduiding voor de rookproductie (s1 t/m s3) en voor vrijkomende brandende druppels of deeltjes (d0 t/m d2). Voorbeelden van Euroklassen-aanduidingen zijn: A1, A2-s2-d1, C-s3, d2, E of F. Klasse-aanduidingen voor vloeren zien er bijvoorbeeld als volgt uit: A1fl of Dfl-s2. In Nederland worden geen eisen gesteld aan de druppelvorming.

    In onderstaande tabel is de relatie tussen de grenswaarden gebaseerd op de Nederlandse klassering en de Europese klassering aangegeven.

    Nederlandse brand- en rookklassen Euroklassen
    NEN 6064 NEN 1775 NEN 6065 NEN 6066 NEN-EN 13501-1
    Onbrandbaarheid Brandklasse (bijdrage tot brandvoortplanting) Rookklasse Brandklasse (materiaalgedrag bij brand) Rookklasse
    materialen constructieonderdelen materialen constructieonderdelen constructieonderdelen
    beloopbaar vlak (bovenzijde van vloer, hellingbaan of trap) niet beloopbaar vlak (niet zijnde bovenzijde van vloer, hellingbaan of trap)
    onbrandbaar A1 of A1fl
    T1
    T2
    T3
    10 m-1 en lager
    10m-1 en lager
    10m-1 en lager
    Cfl
    Cfl
    Dfl
    S1fl
    S1fl
    S1fl
    Niet-besloten vluchtroute
    1
    2
    -
    -
    B
    C
    -
    -
    Alle andere toepassingen

    ACHTERGROND

    Om de ontwikkeling van brand te beperken zijn eisen gesteld aan de maximale brandvoortplanting van constructie-onderdelen in een bouwwerk. Om de hoeveelheid rook te beperken zijn aan constructie-onderdelen in besloten ruimten en verkeerstunnels ook eisen gesteld aan de maximale rookproductie. De achtergrond hiervan is dat gebruikers nog tijdig in staat zijn het brandende deel van het bouwwerk te verlaten.
    Om vast te kunnen stellen welke materialen in een bepaalde ruimte kunnen worden toegepast, is het van belang om de eisen die Bouwbesluit 2003 geeft voor brandvoortplanting en rookproductie te kunnen hanteren.

    AANDACHTSPUNTEN

    • Wanneer een ruimte als brand- en rookvrije vluchtroute of als rookvrije vluchtroute moet worden aangemerkt, volgt uit de indeling in (sub)brandcompartimenten en rookcompartimenten en uit het beoordelen van het vluchten uit deze compartimenten.
    • 5% van de oppervlakte in een ruimte is vrijgesteld. Bijvoorbeeld voor wandcontactdozen, schakelaars, elektriciteitskabels (boven een verlaagd plafond) en in een besloten ruimte ook voor deuren, ramen en kozijnen.
    • Een constructie-onderdeel dat in klasse 4 valt, valt niet automatisch in klasse D. Door het verschil in bepalingsmethode kan het best zijn dat een bepaald materiaal in klasse 4 volgens NEN 6065 valt en in klasse C volgens NEN-EN 13501-1. De tabel geeft alleen de relatie tussen de grenswaarden weer.

    OVERIGE INFORMATIE

    SBR, prettig kennis te maken.