Infoblad 400 - Eisen aan den vloerafscheiding ter plaatse van een beweegbaar raam

Aan de hand van het Bouwbesluit vaststellen welke eisen gelden aan een vloerafscheiding ter plaatse van een beweegbaar raam.

OPLOSSINGRICHTINGEN

7 stappen in twee fasen
Om dit probleem op te lossen dienen de volgende stappen te worden gezet:

Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften
1. De relevante afdeling opzoeken
2. De relevante paragraaf (van de afdeling) selecteren
3. Aan de hand van de tabel (in de paragraaf) de relevante voorschriften selecteren

Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 4 en 5)
4. Vaststellen wanneer een vloerafscheiding vereist is
5. Vaststellen welke eisen gelden aan een vloerafscheiding ter plaatse van een beweegbaar raam
6. Voorbeeld van een vloerafscheiding die voldoet aan de prestatie-eisen
7. Voorbeeld van een gelijkwaardige oplossing

Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften

1. De relevante afdeling opzoeken
De voorschriften inzake vloerafscheidingen zijn gegeven in afdeling 2.3 van het Bouwbesluit: ‘vloerafscheiding’.

2. De relevante paragraaf (van de afdeling) selecteren
Allereerst moet de vraag worden beantwoord of het gaat om nieuwbouw dan wel bestaande bouw. De nieuwbouwvoorschriften in afdeling 2.3 staan in paragraaf 2.3.1; deze paragraaf omvat de artikelen 2.14 t/m 2.18. De voorschriften voor bestaande bouw staan in paragraaf 2.3.2; deze paragraaf omvat de artikelen 2.19 t/m 2.22.

3. Aan de hand van de tabel (in de paragraaf) de relevante voorschriften selecteren In tabel 2.14 (nieuwbouw) en tabel 2.19 (bestaande) bouw is af te lezen dat er voor de volgende onderwerpen eisen gelden voor een vloerafscheiding:
Artikel nieuwbouw Artikel bestaande bouw
Vereiste aanwezigheid 2.15 2.20
Vereiste hoogte 2.16 2.21
Toegestane openingen 2.17 2.22
Niet toegestane Opstapmogelijkheden 2.18 -

Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 4 en 5)

4. Vaststellen wanneer een vloerafscheiding vereist is
Het bepalen van de toepasselijke voorschriften van een vloerafscheiding ter plaatse van een raam is pas zinvol als in een bepaalde situatie een vloerafscheiding wordt geëist. Een vloerafscheiding die niet door het Bouwbesluit wordt geëist behoeft niet te voldoen aan de voorschriften van het Bouwbesluit. Uit artikel 2.15 blijkt in welke situaties een vloerafscheiding bij nieuwbouw vereist is. In artikel 2.20 staat wanneer in een bestaand bouwwerk een vloerafscheiding aanwezig moet zijn. Voor de verdere uitleg hiervan wordt verwezen naar infoblad 107: ‘Bepaling van de hoogte van een vloerafscheiding’.

5. Vaststellen welke eisen gelden aan een vloerafscheiding ter plaatse van een raam

Hoogte van de vloerafscheiding
In stap 3 is vastgesteld dat de voorschriften inzake de hoogte worden gegeven in artikel 2.16. Voor wat betreft de vloerafscheiding ter plaatse van een raam geldt artikel 2.16, derde lid, van Bouwbesluit 2003 (nieuwbouw) en artikel 2.21, tweede lid, van Bouwbesluit 2003 (bestaande bouw). Verder is voor de volledigheid ook de aanwezigheidseis vermeld (nieuwbouw: artikel 2.15, eerste lid, van Bouwbesluit 2003 en bestaande bouw: artikel 2.20, eerste lid, van Bouwbesluit 2003). Deze artikelleden luiden als volgt.

Artikel 2.15, eerste lid (nieuwbouw)
Een vloer heeft bij een rand een niet beweegbare afscheiding als die rand meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.

Artikel 2.16, derde lid (nieuwbouw)
Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.15, heeft, in afwijking van het eerste en tweede lid, ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,85 m.

Concreet betekent dit dat bij nieuwbouw een vloerafscheiding ter plaatse van een beweegbaar raam moet worden beoordeeld in geopende toestand van het raam. Indien zich de bovenzijde van de onderdorpel van het kozijn < 0,85 m boven de vloer bevindt, moet een doorvalbeveiliging worden toegepast.

Artikel 2.20, eerste lid (bestaande bouw)
Een vloer heeft bij een rand een afscheiding als die rand meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.

Artikel 2.21, tweede lid (bestaande bouw)
Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.20, heeft, in afwijking van het eerste lid, ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,6 m.

Concreet betekent dit dat bij een bestaand gebouw een vloerafscheiding ter plaatse van een beweegbaar raam mag worden beoordeeld in gesloten toestand van het raam. Er is in artikel 2.20, eerste lid immers niet aangegeven dat de vloerafscheiding niet beweegbaar mag zijn. Het is aan de markt om een extra voorziening te treffen, zoals een doorvalbeveiliging of een slot op het raam.

Maximaal toegestane openingen in een vloerafscheiding

Nieuwbouw
In artikel 2.17 van Bouwbesluit 2003 zijn verschillende grenswaarden gegeven voor toegestane openingen in een vloerafscheiding. Indien er tot de vereiste hoogte van de vloerafscheiding sprake is van een gesloten borstwering, dan zijn er in de vloerafscheiding geen openingen aanwezig. Bij een hiervan afwijkend ontwerp van de vloerafscheiding dient voor wat betreft de maximaal toegestane openingen rekening te worden gehouden met de volgende grenswaarden. Deze grenswaarden zijn afhankelijk van de gebruiksfunctie waarin de betreffende vloerafscheiding wordt toegepast. Onderstaand volgt bij elke grenswaarde een voorbeeld.
Maximaal toegestande opening Toepassingsgebied Voorbeeld gebruiksfunctie
0,1 m - eis geldt tot een hoogte van 0,7 m boven de vloer - woonfunctie
- kantoorfunctie (gedeelte mede voor bezoekers)
0,2 m - eis geldt voor gehele vloerafscheiding - bijeenkomstfunctie voor kinderopvang > 4 jaar
- onderwijsfunctie voor speciaal onderwijs
0,3 m - eis geldt voor gehele vloerafscheiding - celfunctie
0,5 m - eis geldt voor gehele vloerafscheiding - woonfunctie (gedeelte > 0,7 m boven de vloer)
- kantoorfunctie (gedeelte niet voor bezoekers)

Bestaande bouw
Volgens artikel 2.22, tweede lid, van Bouwbesluit 2003, en tabel 2.19, van Bouwbesluit 2003, gelden er alleen in de volgende situaties eisen voor wat betreft de maximaal toegestane openingen in een vloerafscheiding:
  • woonfunctie: 0,2 m (eis geldt tot een hoogte van 0,6 m boven de vloer)
  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar: 0,1 m (eis geldt tot een hoogte van 0,6 m boven de vloer)

Opstapmogelijkheden

In artikel 2.18, eerste en tweede lid, van Bouwbesluit 2003, is voor nieuw te bouwen bouwwerken aangegeven dat tussen 0,2 m en 0,7 m boven de vloer geen opstapmogelijkheden aanwezig mogen zijn. Dit voorschrift geldt voor de volgende gebruiksfuncties:
  • woonfunctie
  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang
  • alle andere gebruiksfuncties met een gedeelte dat mede bestemd is voor bezoekers
6. Voorbeeld van een vloerafscheiding die voldoet aan de prestatie-eisen

Figuur 1.


Figuur 1 betreft een vloerafscheiding ter plaatse van een beweegbaar raam op de 1e verdieping van een eengezinswoning. Deze vloerafscheiding voldoet aan de prestatie-eisen volgens Bouwbesluit 2003:

  • De minimale hoogte is 0,85 m (er is een doorvalbeveiliging toegepast op een hoogte van 0,85 m boven de vloer). Tot een hoogte van 0,7 m boven de vloer zijn er geen openingen aanwezig in de vloerafscheiding (er is sprake van een gesloten borstwering).
  • Tussen 0,2 en 0,7 m boven de vloer bevinden zich in de vloerafscheiding geen opstapmogelijkheden (de vensterbank bevindt zich > 0,7 m boven de vloer).

7. Voorbeeld van een gelijkwaardige oplossing

Figuur 2.



Figuur 2 betreft een vloerafscheiding ter plaatse van een beweegbaar raam op de 1e verdieping van een eengezinswoning. Deze vloerafscheiding voldoet niet aan artikel 2.18, eerste lid, van Bouwbesluit 2003, omdat er tussen 0,2 en 0,7 m boven de vloer een opstapmogelijkheid aanwezig is. De vensterbank en de bovenzijde van de onderdorpel liggen namelijk op ca. 0,5 m boven de vloer.

De vloerafscheiding is aan de buitenzijde echter voorzien van een hekwerk (met spijltjes die een tussenafstand hebben  100 mm) dat hoger is uitgevoerd dan volgens Bouwbesluit 2003 minimaal is vereist (1,15 m i.p.v. 0,85 m). Bij deze vloerafscheiding wordt ondanks de aanwezige opstapmogelijkheid dezelfde mate van veiligheid gerealiseerd omdat de afstand tussen de bovenzijde van de opstapmogelijkheid en de bovenzijde van de vloerafscheiding minimaal gelijk is aan wat is voorgeschreven in de eisen inzake opstapmogelijkheden. Dit kan als volgt wordt onderbouwd:

  • De minimaal vereiste hoogte van de vloerafscheiding ter plaatse van een raam is 0,85 m. De afstand tussen de nog toelaatbare opstap (0,2 m boven de vloer) en de bovenkant van de vloerafscheiding moet minimaal 0,85 - 0,2 = 0.65 m zijn. Voor het gegeven detail betekent dit dat de bovenzijde van de vloerafscheiding op minimaal 0,5 + 0.65 = 1,15 m boven de vloer moet liggen.
  • Stel dat de vloer 0,3 m hoger had gelegen, dan zou zelfs worden voldaan aan de prestatie-eis in artikel 2.18. In het gegeven detail is dit schematisch aangegeven door middel van een stippellijn (fictief vloerpeil).
Opgemerkt wordt dat deze gelijkwaardige oplossing is gebaseerd op casus 2.17 van de werkgroep Gelijkwaardigheid van de Vereniging Stadswerk Nederland.

ACHTERGROND INFORMATIE

Het doel van de voorschriften voor vloerafscheiding is om te voorkomen dat mensen van de rand van een vloer kunnen vallen. Vloeren zijn bijvoorbeeld balkons, bordessen, galerijen en dakterrassen. De meest tastbare vorm van een vloerafscheiding is een hekwerk, maar kan ook een doorlopende gevel zijn. In dit infoblad wordt dieper ingegaan op de vloerafscheiding ter plaatse van een beweegbaar raam.

AANDACHTSPUNTEN

  • De bevoegdheid om te beslissen of sprake is van een gelijkwaardige oplossing heeft de wetgever in eerste instantie bij Burgemeester en Wethouders gelegd. In laatste instantie is dit de rechter. De onder stap 7 voorgestelde gelijkwaardige oplossing kan daarvoor als onderbouwing dienen.
  • Van een gelijkwaardige oplossing kan ook sprake zijn indien een raam wordt toegepast met een kierstandbeveiliging, die alleen met behulp van een sleutel kan worden ontgrendeld. De opening van het raam op de kierstandbeveiliging mag tot de vereiste hoogte niet breder zijn dan volgens artikel 2.17 van Bouwbesluit 2003 is toegestaan.
  • De breedte is gedefinieerd als 'kleinste afstand, loodrecht op de omtrek gemeten'. De achtergrond van de eisen inzake de maximaal toegestane breedte is om te realiseren dat een bol met middellijn met ten hoogste de diameter van de toegestane opening er nog juist doorheen mag gaan.

OVERIGE INFORMATIE

SBR, prettig kennis te maken.