Het voorkomen van een te hoog geluidsniveau in verblijfsruimten ten gevolge van nog te ontwerpen installaties binnen de eigen woning.
Om dit probleem op te lossen worden de volgende vier vragen beantwoord:
1. Vaststellen toetskader
Het installatiegeluid in woningen, veroorzaakt door de ‘eigen’ installatie, is nog niet in het Bouwbesluit geregeld. Voor de aanvraag van een bouwvergunning is installatiegeluid dat wordt veroorzaakt door de ‘eigen’ installatie daarom niet relevant.
Wel wordt in de praktijk vaak gebruik gemaakt van de GIW/ISSO publicatie 2008 om zodoende een hoger comfortniveau te realiseren in de woning.
De GIW/ISSO publicatie 2008 stelt in het specificatieblad 4.1-1 en 4.1-2 eisen aan het maximaal geluidsniveau in een verblijfsruimte ten gevolge van installaties in de eigen woning (LI;A). Deze eisen zijn afhankelijk gesteld van het type installatie. Controle van de geluidsniveaus moet plaatsvinden door middel van metingen conform NEN 5077 'Geluidwering in gebouwen - Bepalingsmethoden voor de grootheden voor geluidwering van uitwendige scheidingsconstructies, luchtgeluidisolatie, contactgeluidisolatie, geluidniveaus veroorzaakt door installaties en nagalmtijd'.
Het is van belang vast te stellen of het ontwerp getoetst moet worden aan een eis uitgedrukt in LI;A;k of LI;A of aan beide. Dit heeft invloed op de benodigde voorzieningen. Hierbij geldt voor het karakteristieke geluidsniveau LI;A;k een verblijfsgebied met een gestandaardiseerd volume van 25 m³. De LI;A geldt voor een verblijfsruimte waarbij het werkelijke volume wordt gehanteerd:
LI;A;k = LI;A + 5 log (V/V0) (waarbij V0 = 25 m³)
Beide methoden gaan uit van een referentie nagalmtijd van 0,5 s.
2. Situering opstelplaats installatie
Om het geluidsniveau in verblijfsruimten te beperken moet de installatie in een aparte ruimte worden geplaatst of op een verdieping zonder verblijfsruimte. Het is echter niet zonder meer mogelijk de installatie op een open zolder of in een aparte ruimte rechtstreeks uitkomend op een verblijfsruimte op te stellen. Over het algemeen geldt dat minimaal twee deuren tussen de opstelruimte en de verblijfsruimte aanwezig moeten zijn. Bij voorkeur moet men de opstelruimte niet direct aan een verblijfsruimte laten grenzen.
De ideale situatie (afhankelijk van het type installatie) voor de afmetingen van een opstelruimte zijn 1,5 x 1,5 m¹ of 2,0 x 1,0 m¹. Dit om te zorgen dat een goede montage van de installatie mogelijk is en dempers goed recht en met voldoende lengte aangebracht kunnen worden, en om te voorkomen dat door te korte kanalen te veel weerstand in de kanalen ontstaat.
3. Bouwkundige praktische consequenties voor het ontwerp
De bouwkundige voorzieningen die benodigd zijn om te voldoen aan de gestelde eisen zijn afhankelijk van:
Bouwkundige beperking indirecte geluidsoverdracht
De indirecte geluidsoverdracht is afhankelijk van de woningindeling. Men moet met de volgende bouwkundige voorzieningen rekening houden:
Opstelruimte:
Indien de opstelplaats direct aan een verblijfsruimte grenst, is het aan te raden deze scheidingswand (waar geen installatie tegen is bevestigd) uit te voeren in minimaal 100 mm kalkzandsteen. Indien een lichtere wandconstructie wenselijk is, is een aanvullend onderzoek benodigd.
Verblijfsruimte:
Bouwkundige beperking directe geluidoverdracht
Ontwerpaanbevelingen om de directe geluidsoverdracht door trillingen te beperken zijn:
4. Installatietechnische praktische consequenties voor het ontwerp
Vooral de toepassing van warmtepompen, wtw-installaties en mechanische ventilatieboxen leiden in de praktijk tot problemen. Betreffende de installatie moet men de volgende ontwerprichtlijnen aanhouden (afhankelijk van de toe te passen installatie) om het geluidsniveau ten gevolge van de installatie in verblijfsruimten te beperken:
In de GIW/ISSO publicatie 2008 zijn eisen opgenomen betreffende het geluidsniveau ten gevolge van installaties in de eigen woning. Tegenwoordig wordt onder invloed van de EPN steeds vaker gebruik gemaakt van onder andere WTW's en warmtepompen. In de praktijk worden regelmatig klachten gemeld betreffende geluidsoverlast van de 'eigen' installaties binnen de woning. Het is dan ook van belang al in een vroeg stadium de consequenties voor het ontwerp vast te stellen waarmee voldaan kan worden aan de GIW/ISSO eisen. Zo worden klachten na realisering voorkomen. Hierbij moeten de bouwkundige en installatietechnische voorzieningen optimaal op elkaar zijn afgestemd.
In dit infoblad worden praktische consequenties voor het ontwerp omschreven waarmee rekening gehouden moet worden om te kunnen voldoen aan de eisen uit de GIW/ISSO publicatie 2008.
Het installatiegeluid in woningen, veroorzaakt door de 'eigen' installatie, is nog niet in het Bouwbesluit geregeld. Voor de aanvraag van een bouwvergunning is installatiegeluid dat wordt veroorzaakt door de 'eigen' installatie daarom niet relevant. Het Bouwbesluit stelt voor wat betreft installatiegeluid alleen eisen ten opzichte van aangrenzende woningen. Naar verwachting zullen in komende wijzigingen van het Bouwbesluit wel voorschriften worden opgenomen ter beperking van het installatiegeluid door de 'eigen' installatie.