Infoblad 299 - Geluidseisen tussen gemeenschappelijke verkeersruimte woongebouw en appartement

Aan de hand van het Bouwbesluit vaststellen welke geluidseisen er gelden tussen een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woongebouw en een ruimte in een aangrenzend appartement.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Vier stappen

Om het genoemde probleem op te lossen moeten vier stappen worden gezet, die zijn onder te verdelen in twee fasen.

Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 4)

  • Relevante afdeling (van het Bouwbesluit) opzoeken.
  • Relevante paragraaf (van de afdeling) selecteren.
  • Aan de hand van de tabellen in de paragrafen de relevante voorschriften selecteren.
  • Aan de hand van de geselecteerde voorschriften bepalen welke geluidseisen gelden voor de gegeven situatie.
  • Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 5)

  • Het weergegeven van de consequenties van de geluidseisen.

  • Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 4)

    1. Relevante afdeling (van het Bouwbesluit) opzoeken
    De voorschriften voor de geluidswering tussen ruimten zijn gegeven in afdeling 3.5: ‘Geluidswering tussen ruimten van verschillende gebruiksfuncties’.

    2. Relevante paragrafen (van de afdelingen) selecteren
    Afdeling 3.5 is niet onderverdeeld in paragrafen. Dit betekent dat er voor bestaande bouwwerken geen voorschriften zijn gegeven. In het vervolg wordt daarom uitgegaan van de nieuwbouwvoorschriften. Een bouwwerk geen gebouw zijnde wordt verder buiten beschouwing gelaten.

    3. Aan de hand van de tabellen in de paragrafen de relevante voorschriften selecteren
    Afdeling 3.5: ‘Geluidswering tussen ruimten van verschillende gebruiksfuncties’ bevat de artikelen 3.18 t/m 3.20. In artikel 3.19 zijn de geluidseisen gegeven tussen ruimten op hetzelfde perceel. Voor een woonfunctie gelegen in een woongebouw gelden artikel 3.19 lid 1 t/m 4 en lid 6 en 7.

    Deze artikelen luiden als volgt:

    Artikel 3.19, eerste lid:
    ‘De volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een op hetzelfde perceel gelegen aangrenzende woonfunctie, is niet kleiner dan de in tabel 3.17 aangegeven grenswaarde.’

    Artikel 3.19, tweede lid:
    ‘De volgens NEN 5077 bepaalde isolatie-index voor contactgeluid voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een op hetzelfde perceel gelegen aangrenzende woonfunctie, is niet kleiner dan de in tabel 3.17 aangegeven grenswaarde.’

    Artikel 3.19, derde lid:
    ‘De volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid van een besloten ruimte naar een besloten ruimte niet zijnde een verblijfsgebied van een op hetzelfde perceel gelegen aangrenzen-de woonfunctie, is niet kleiner dan de in tabel 3.17 aangegeven grenswaarde.’

    Artikel 3.19, vierde lid:
    ‘De volgens NEN 5077 bepaalde isolatie-index voor contactgeluid voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een besloten ruimte niet zijnde een verblijfsgebied van een op hetzelfde perceel ge-legen aangrenzende woonfunctie, is niet kleiner dan de in tabel 3.17 aangegeven grenswaarde.’

    Artikel 3.19, zesde lid:
    ‘In afwijking van het derde en vierde lid, is geen eis gesteld aan de karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid en de isolatie-index voor contactgeluid, voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een op hetzelfde perceel gelegen, besloten gemeenschappelijke verkeersruimte.’

    Artikel 3.19, zevende lid:
    ‘In afwijking van het eerste tot en met vierde lid, geldt geen eis voor de karakteristieke isolatie-index voor contactgeluid, voor de geluidsoverdracht van een gemeenschappelijke ruimte naar een andere gemeenschappelijke ruimte indien op die ruimten uitsluitend dezelfde gebruiksfuncties zijn aangewezen.’

    Opmerking:

    • ‘van’ = zendruimte
    • ‘naar’ = ontvangstruimte

    4. Aan de hand van de geselecteerde voorschriften bepalen welke geluidseisen gelden voor de gegeven situatie

    Figuur 1 Voorbeeldsituatie.

    In figuur 1 is een voorbeeldsituatie gegeven van een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woongebouw en daarop uitkomende woningen. De volgende overdrachtstrajecten zijn van belang:

    In deze tekst zijn de eisen vanuit tabel 3.17 opgenomen.

    Luchtgeluid Contactgeluid
    Traject dB artikel dB artikel
    1. Tussen de gemeenschappelijke verkeersruimte en een verblijfsgebied in de woning (situatie 1) 0 3.19-1 +5 3.19-2
    2. Tussen een verblijfsgebied in de woning en de gemeenschappelijke verkeersruimte (situatie 1; omgekeerd) -5 3.19-3 0 3.19-3
    3. Tussen de gemeenschappelijke verkeersruimte en een andere besloten ruimte (geen verblijfsgebied) in de woning (situatie 2) -5 3.19-3 0 3.19-4
    4. Tussen een andere besloten ruimte in de woning en de gemeenschappelijke verkeersruimte (situatie 2; omgekeerd) -

    3.19-3

    3.19-6

    -

    3.19-4

    3.19-6

    In de Nota van toelichting op het Bouwbesluit is bij het zesde lid van artikel 3.19 het volgende te lezen: ‘Het zesde lid bepaalt dat de voorschriften van het derde en het vierde lid niet van toepassing zijn op situaties waarin een gemeenschappelijke gang of trappenhuis onderhevig is aan geluid vanuit ruimten in de daaraan grenzende woningen die niet behoren tot het verblijfsgebied van die woningen, zoals een portaal. Op de situatie waarin de gemeenschappelijke verkeersruimte de zendruimte van het geluid is en een verblijfsgebied in een woning de ontvangstruimte, is het eerste lid onverkort van toepassing.’

    Hieruit kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is, dat als er voldoende geluidsisolatie aanwezig is tussen een gemeenschappelijke verkeersruimte en de verblijfsgebieden, geen verdere maatregelen nodig zijn. In de praktijk wordt dan ook de nadruk gelegd op traject 1. De overige situaties zijn niet bekend, of worden buiten beschouwing gelaten in de beoordeling. Omdat de trajecten 2 en 3 formeel niet buiten beschouwing mogen worden gelaten laten, bespreken we deze hierna:

    • Traject 2 (tussen een verblijfsgebied in de woning en de gemeenschappelijke verkeersruimte). In de praktijk wordt deze eis vrijwel nooit in ogenschouw genomen. Als de situatie echter wordt vergeleken met traject 1 (eis in omgekeerde richting) is ook niet te verwachten dat hieraan niet zal worden voldaan als aan situatie 1 is voldaan; de eis is in omgekeerde richting immers 5 dB hoger.
    • Traject 3 (tussen gemeenschappelijke verkeersruimte en ruimte (geen verblijfsgebied)): in traject 4 is de omgekeerde weg (tussen ruimte (geen verblijfsgebied) en gemeenschappelijke verkeersruimte) op grond van artikel 3.19 lid 6 expliciet uitgesloten. Aannemelijk is dat de wetgever heeft beoogd dat ook dit traject buiten beschouwing mag worden gelaten.

    Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 5)

    5. Het weergegeven van de consequenties van de geluidseisen

    Nu de voorschriften (artikel 3.19) in vier stappen zijn gevonden, moeten deze voorschriften worden toe-gepast om te bepalen welke praktische consequenties de geluidseisen hebben. De volgende trajecten worden in ogenschouw genomen:

  • Geluidseis tussen de gemeenschappelijke verkeersruimte en een verblijfsgebied in de woning waarbij het verblijfsgebied niet direct grenst aan de gemeenschappelijke verkeersruimte.
  • Geluidseis tussen de gemeenschappelijke verkeersruimte en een verblijfsgebied in de woning waarbij het verblijfsgebied direct grenst aan de gemeenschappelijke verkeersruimte.
  • Situatie 1
    Tussen de gemeenschappelijke verkeersruimte en het verblijfsgebied bevinden zich twee scheidingsconstructies, te weten de woningtoegangsdeur en de deur naar het verblijfsgebied.

    Figuur 2.

    Om aan de luchtgeluidseis van 0 dB te voldoen worden in de NPR 5070 ‘Geluidswering in woongebouwen’ enkele aanbevelingen gegeven omtrent de uitvoering van de deuren. Deze aanbevelingen zijn uitgebreid met een aantal richtlijnen die door sommige gemeenten worden aangegeven. Dit betreft de volgende aanbevelingen:

    • De in de woning gelegen verblijfsruimten moeten door een ruimte (hal of gang) van de toegangsdeur zijn gescheiden.
    • Massa woningtoegangsdeur minimaal 25 kg/m2.
    • Glasoppervlakte in toegangsdeur maximaal 0,1 m2 bij toepassing van 8 mm beglazing.
    • Bij toepassing van een grotere glasoppervlakte in de woningtoegangsdeur moet beglazing worden toegepast met een geluidsisolatiewaarde van ten minste 31 dB(A); bijvoorbeeld 8-16-6 beglazing.
    • Vierzijdige kierdichting met rondgaand in de hoeken gelast kierdichtingsprofiel met een indrukking van ten minste 4 mm (klasse 1 of 2); dit betekent dat er ook kierdichting aan de onderzijde van de deur moet worden aangebracht. Er moet dus een onderdorpel met aanslag worden aangebracht. Een valdorpel is onvoldoende.
    • Knevelende driepuntssluiting met range van ten minste 4 mm (liefst met deurkruk te bedienen). Bij toepassing van een bovenlicht of glasstrook naast de toegangsdeur, met een oppervlakte van maximaal 0,5 m2, beglazing toepassen met een geluidsisolatiewaarde van ten minste 34 dB(A) (bijvoorbeeld 6-40-8 beglazing). Bij andere afmetingen:
      • bij oppervlak van maximaal 2 m2; beglazing toepassen met een geluidsisolatiewaarde van ten minste 37 dB(A) (bijvoorbeeld 6-40-10.2 beglazing);
      • bij oppervlak van maximaal 5 m2; beglazing toepassen met een geluidsisolatiewaarde van ten minste 40 dB(A) (bijvoorbeeld 6-80-10.2 beglazing);
    • Beglazing in bovenlicht of naast toegangsdeur afkitten (vol en zat aanbrengen).
    • De hoogte tussen de onderzijde van de binnendeuren en de dorpel of vloer maximaal 10 mm in de gebruiksfase (aandachtspunt voor de ventilatievoorziening in een woning!).
    • Beglazing in bovenlicht of naast binnendeuren afkitten (vol en zat aanbrengen).

    Situatie 2
    Tussen de gemeenschappelijke verkeersruimte en het verblijfsgebied in de woning bevindt zich slechts één scheidingsconstructie. Veelal betreft dit een spouwmuur, kalkzandsteen of een betonwand met eventueel een voorzetwand. Ook is het mogelijk dat zich in deze scheidingsconstructie een raam bevindt.

    Onderscheid is te maken in de volgende constructies:

  • Dichte scheidingsconstructie (zie situatie 1: zonder raam).
  • Dichte scheidingsconstructie met een raam (zie situatie 2: met raam).
  • 1. Dichte scheidingsconstructie
    Indien de scheidingsconstructie tussen de gemeenschappelijke verkeersruimte en het verblijfsgebied uitsluitend uit een steenachtige wand bestaat kan een keuze worden gemaakt uit de volgende opbouw van deze wand:

    • spouwmuur kalkzandsteen (bijv. 120-60-120 mm); dit is overigens geen gebruikelijke constructie voor de betreffende situatie;
    • kalkzandsteen massief (minimaal 300 mm);
    • beton massief (minimaal 250 mm);
    • kalkzandsteen met een voorzetwand (bijvoorbeeld 150 mm kalkzandsteen + buigslappe voorzetwand van 100 mm);
    • beton met een voorzetwand (bijvoorbeeld 100 mm beton + buigslappe voorzetwand van 100 mm).

    Opgemerkt wordt dat hoe dikker de steenachtige wand, des te minder geluidswerende kwaliteit de voorzetwand hoeft te hebben.

    2. Dichte scheidingsconstructie met een raam
    Indien de scheidingsconstructie tussen de gemeenschappelijke verkeersruimte en het verblijfsgebied bestaat uit een steenachtige wand waarin een raam is opgenomen, dan kan voor de steenachtige constructie de opbouw zoals gegeven onder A. worden aangehouden. Om aan de eisen inzake geluidswering te voldoen kan niet worden volstaan met een in de praktijk gangbare oplossing, zoals bijvoorbeeld normaal dubbel glas. In dat geval kan voor een gelijkwaardige oplossing worden gekozen die leidt tot meer acceptabele voorzieningen, waardoor met meer gangbaar geluidsisolerend glas kan worden volstaan.

    Opmerking: uiteraard moet in de beoordeling van situatie 2 ook het overdrachtstraject via de entreedeur en binnendeuren worden meegenomen.

    ACHTERGROND

    Bouwbesluit 2003 geeft eisen voor de geluidsisolatie tussen een gemeenschappelijk verkeersruimte in een woongebouw en ruimten in een aangrenzend appartement. Met de invoering van Bouwbesluit 2003 zijn de geluidseisen veel gedetailleerder weergegeven, dan in Bouwbesluit 1992 het geval was. In tabel 3.17 van Bouwbesluit 2003 is exact aangegeven welke geluidseisen tussen welke ruimten gelden. Vaak blijkt het lastig om aan de hand van de voorschriften en de tabel te bepalen welke geluidseisen gelden tussen welke ruimten. In dit informatieblad wordt hierop nader ingegaan.

    AANDACHTSPUNTEN

    • Indien tussen een woning en een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte een raam wordt toegepast, moet deze ook brandwerend zijn. Dit geldt ook voor de woningtoegangsdeur. Dit is niet van toepassing als de ruimte bij brand als een niet-besloten ruimte mag worden beschouwd. Dus als er bijvoorbeeld een mechanisch systeem aanwezig is die bij brand zorgt voor voldoende toevoer van lucht en afvoer van rook.
    • Moet een deurraam of een raam brandwerend zijn, dan moet de deur zelfsluitend zijn en mag het raam niet beweegbaar zijn, als zij zich bevinden in een scheidingsconstructie van een rook- of brandcompartiment. Dit is bijvoorbeeld verplicht als op de gemeenschappelijke ruimte een grote-re totale gebruiksoppervlakte aan woningen grenst dan 1000 m².

    OVERIGE INFORMATIE

    SBR, prettig kennis te maken.