Infoblad 236 - Hantering van het begrip 'toegankelijkheidssector' in een bouwplan

Het benoemen en hanteren van de toegankelijkheidssector om de eisen voor een bouwplan te kunnen bepalen.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Vier richtingen
  • Definitie.
  • Uitleg.
  • Toepassing.
  • Voorbeelden van consequenties voor een bouwplan.
  • 1) Definitie
    Artikel 1.1 van het Bouwbesluit definieert het begrip 'toegankelijkheidssector' als volgt: gedeelte van een gebouw dat mede toegankelijk is voor rolstoelgebruikers.

    2) Uitleg
    Uit de definitie valt op te maken dat een toegankelijkheidssector:

    • minimaal een gedeelte van een gebouw moet zijn;
    • mede toegankelijk is voor rolstoelgebruikers.

    Minimaal een gedeelte van een gebouw
    Een toegankelijkheidssector moet minimaal een gedeelte van een gebouw zijn. De aanvrager van een bouwvergunning geeft aan welk gedeelte van de gebruiksfunctie volgens afdeling 4.2 van het Bouwbesluit 2003 minimaal als toegankelijkheidssector wordt aangemerkt. Het is toegestaan een groter gedeelte van een gebouw als toegankelijkheidssector aan te merken, zodat een groter gedeelte van het gebouw toegankelijk is voor rolstoelgebruikers. De eisen die worden gesteld aan de toegankelijkheidssector (zie onder d) gelden dan uiteraard voor dat grotere gedeelte van het gebouw.

    Mede toegankelijk voor rolstoelgebruikers
    Een toegankelijkheidssector is zowel voor rolstoelgebruikers als voor niet-rolstoelgebruikers toegankelijk. De verplichte aanwezigheid van een toegankelijkheidssector in een gebruiksfunctie garandeert dat deze gebruiksfunctie voor iedereen, dus ook voor lichamelijk gehandicapten, toegankelijk is. Een toegankelijkheidssector kenmerkt zich door voldoende doorgangs- en manoeuvreerruimte én door het ontbreken van hoogteverschillen die voor een rolstoelgebruiker onoverbrugbaar zijn.

    3) Toepassing
    Of een gebouw een toegankelijkheidssector moet hebben - en zo ja, hoe groot - hangt af van het type gebruiksfunctie en van de gebruiksoppervlakte van die gebruiksfunctie.

    Niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties
    In een niet tot bewoning bestemde gebruiksfunctie is bij nieuwbouw een toegankelijkheidssector vereist indien de gebruiksoppervlakte groter is dan 400 m2 (of groter dan 150 m2 voor een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik).
    De eisen gelden niet voor:

    • celfunctie niet bestemd voor dag- en nachtverblijf (bijvoorbeeld een ruimte voor bezoekers);
    • lichte industriefunctie;
    • overige gebruiksfunctie;
    • bouwwerk geen gebouw zijnde.

    Woonfunctie
    Een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 moet bij nieuwbouw altijd een toegankelijkheidssector hebben (art. 4.4). Een woonfunctie in een woongebouw moet een gemeenschappelijke toegankelijkheidssector hebben, indien:

    • de vloer van een verblijfsgebied in het woongebouw hoger ligt dan 12,5 m boven het meetniveau, of
    • het woongebouw een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 3500 m2 die hoger ligt dan 1,5 m boven het meetniveau.

    4) Voorbeelden van consequenties voor een bouwplan
    Voor een toegankelijkheidssector gelden verschillende eisen die alle van invloed kunnen zijn op het ontwerp van het gebouw. De belangrijkste eisen worden hier kort toegelicht.

    Aanwezigheid van een verblijfsgebied in een toegankelijkheidssector
    Om te garanderen dat verblijfsgebieden en verblijfsruimten (ruimten waarin de kenmerkende activiteiten van een gebruiksfunctie worden uitgevoerd) ook voor rolstoelgebruikers toegankelijk zijn, moet volgens artikel 4.23 een minimaal percentage van de oppervlakte aan verblijfsgebied in de toegankelijkheidssector liggen:

    • 100% voor onderwijsfuncties;
    • 40% voor overige, niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties;
    • 35% voor woonfuncties met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;
    • 0% voor woonfuncties met een gebruiksoppervlakte van maximaal 500 m2.

    Aanwezigheid van integraal toegankelijke toiletruimten
    Om te garanderen dat in een toegankelijkheidssector toiletruimten liggen die rolstoelgebruikers kunnen gebruiken, gelden volgens artikel 4.36 en artikel 4.38 eisen voor de aanwezigheid en afmetingen van integraal toegankelijke toiletruimten (invalide-toiletten).

    Aanwezigheid van integraal toegankelijke badruimten
    Om te garanderen dat in een toegankelijkheidssector badruimten liggen die rolstoelgebruikers kunnen gebruiken, gelden volgens artikel 4.47 en artikel 4.49 eisen voor de aanwezigheid en afmetingen van integraal toegankelijke badruimten.

    Ontsluiting en bereikbaarheid
    Rolstoelgebruikers moeten vanaf het aansluitende terrein eenvoudig de toegankelijkheidssector in het gebouw kunnen bereiken. Een ruimte die in een toegankelijkheidssector ligt moet daarom volgens artikel 4.5 van het Bouwbesluit rechtstreeks bereikbaar zijn vanaf het aansluitende terrein óf via een route die uitsluitend door een toegankelijkheidssector voert.

    Overbruggen van hoogteverschillen
    Verschillen in hoogte belemmeren de toegankelijkheid van ruimten. Een beperkt hoogteverschil (maximaal 0,02 m) is toegestaan, omdat ook rolstoelgebruikers dit verschil nog zelfstandig kunnen overbruggen. Wanneer het hoogteverschil in of ter plaatse van de toegang van een toegankelijkheidssector meer bedraagt dan 0,02 m, dan moet een hellingbaan of een lift worden toegepast (art. 4.6). Volgens artikel 4.18, lid 2, mag het hoogteverschil tussen een vloer ter plaatse van ten minste één toegang van een toegankelijkheidssector en het aansluitende terrein niet groter zijn dan 1 m. Bij een woonfunctie mag volgens artikel 4.6 het hoogteverschil ter plaatse van de toegang echter niet groter zijn dan 0,02 m. Dit betekent dat woongebouwen én niet in een woongebouw gelegen woningen niet via een hellingbaan toegankelijk mogen zijn. Artikel 4.17 bevat soortgelijke voorschriften die, onafhankelijk van de aanwezigheid van een toegankelijkheidssector, altijd gelden voor woonfuncties.

    Afmetingen van liftkooien
    Volgens artikel 4.7 van het Bouwbesluit 2003 moet een liftkooi in een lift in een toegankelijkheidssector zodanige afmetingen hebben, dat ook een rolstoelgebruiker zelfstandig de lift kan gebruiken. Rekening moet worden gehouden met de volgende minimale afmetingen van de liftkooi:

    • 1,05 x 1,35 m voor niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties en voor woonfuncties met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;
    • 1,05 x 2,05 m voor een brancardlift in een woongebouw.

    Breedte van verkeersruimten
    Artikel 4.12 geeft de minimale afmetingen van verkeersroutes, waardoor een integrale toegankelijkheid van de daarop aangewezen ruimten wordt gewaarborgd. Rekening moet worden gehouden met de volgende minimale breedtes:

    • 1,1 m voor verkeersroutes in een toegankelijkheidssector van niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties;
    • 1,2 m voor gemeenschappelijke verkeersroutes in woongebouwen;
    • 0,85 m voor (niet-gemeenschappelijke) verkeersroutes in woongebouwen en voor verkeersroutes (mits niet gelegen in een toegankelijkheidssector) in niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties.

    Aanwezigheid van draaicirkels
    Artikel 4.12, lid 3 t/m 5 eist voor woongebouwen (ongeacht de aanwezigheid van een toegankelijkheidssector) de aanwezigheid van zogeheten draaicirkels voor rolstoelgebruikers. Een gemeenschappelijke verkeersruimte heeft een vrije vloeroppervlakte van 1,5 x 1,5 mdat wil zeggen dat de mogelijkheid voor een rolstoelgebruiker om 360 graden te kunnen draaien, ter plaatse van:

    • ten minste een toegang van een woongebouw;
    • een toegang van een lift;
    • een situatie waarbij een rolstoelgebruiker niet zonder keren het aansluitende terrein kan bereiken, bijvoorbeeld aan het eind van een gemeenschappelijke verkeersruimte wanneer een bezoekende rolstoelgebruiker een bewoner niet thuis treft.

    ACHTERGROND

    Het Bouwbesluit 1992 kende een toegankelijkheidssector (gedeelte van een gebouw dat is bestemd voor gebruik door bezoekers) én een bijzondere toegankelijkheidssector (gedeelte van de toegankelijkheidssector dat integraal toegankelijk is). Beide zijn met de komst van het Bouwbesluit 2003 vervallen en vervangen door een nieuw gedefinieerde 'toegankelijkheidssector'.

    Deze sector is in het Bouwbesluit 2003 niet meer beperkt tot een voor bezoekers bestemd gedeelte van een gebouw. Met deze wijziging wil de wetgever tegengaan dat bouwkundige omstandigheden binnen een toegankelijkheidssector de deelname van rolstoelgebruikers aan het arbeidsproces belemmeren. Professionele gebruikers van het Bouwbesluit, met name ontwerpers en toetsers, moeten de betekenis van 'toegankelijkheidssector' dan ook goed kunnen doorgronden.

    AANDACHTSPUNTEN

    • Voor de brandveiligheid geldt als uitgangspunt dat een rolstoelgebruiker zich niet zelfstandig kan redden. Voorbeeld: een lift mag bij brand niet worden aangemerkt als een vluchtroute; dus een rolstoelgebruiker kan dan een gebouw niet zelfstandig verlaten en is altijd afhankelijk van hulp van anderen. De gemeentelijke bouwverordening bevat voorschriften omtrent een brandmeld- en ontruimingsinstallatie voor woongebouwen die zijn bestemd voor minder zelfredzame personen.

    OVERIGE INFORMATIE

    SBR, prettig kennis te maken.