Infoblad 347 - Hellingbanen: diverse oplossingen om een hoogteverschil te overbruggen

Aan de hand van het Bouwbesluit vaststellen hoe een hellingbaan, om een hoogteverschil te overbruggen, ontworpen kan worden.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Stappenplan

Om dit probleem op te lossen moeten vijf stappen worden gezet, die weer zijn onder te verdelen in twee fasen.

Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 4)

  • Bepaal de relevante afdeling van het Bouwbesluit
  • Bepaal de relevante paragrafen
  • Bepaal de relevante gebruiksfunctie
  • Bepaal met de tabel in de afdelingen de relevante voorschriften
  • Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 5)

  • Aan de hand van vijf voorbeeldsituaties uitleggen van de voorschriften
  • Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 4)

    1. Bepaal de relevante afdeling van het Bouwbesluit
    De eisen betreffende hoogteverschillen zijn gegeven in:

    • Afdeling 2.4 ‘Overbrugging van hoogteverschillen’ ( zie stap 4a) en
    • Afdeling 4.2 ‘Toegankelijkheidssector’ van Bouwbesluit 2003 (zie stap 4b).

    Indien volgens deze afdelingen een hoogteverschil moet worden overbrugd door een hellingbaan, dan gelden de eisen voor een hellingbaan van afdeling 2.6 ‘Hellingbaan’ (zie stap 4c).

    2. Bepaal de relevante paragrafen
    Afdeling 2.4 en 2.6 bevatten zowel eisen voor nieuwbouw (paragraaf 2.4.1 en paragraaf 2.6.1) als voorschriften voor bestaande bouw (paragraaf 2.4.2 en paragraaf 2.6.2). Afdeling 4.2 bevat alleen eisen voor nieuwbouw. In het vervolg wordt alleen ingegaan op de nieuwbouw-voorschriften in paragraaf 2.4.1, paragraaf 2.6.1 en afdeling 4.2.

    3. Bepaal de relevante gebruiksfunctie
    In het vervolg wordt ingegaan op de eisen voor alle gebruiksfuncties.

    4a. Bepaal met de tabel in de afdeling 2.4 de relevante voorschriften
    Tabel 2.23 van paragraaf 2.4.1 ‘Overbrugging van hoogteverschillen’ bevat artikel 2.24. Behalve voor de gebruiksfuncties ‘andere overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk geen gebouw zijnde’ is artikel 2.24, eerste lid van toepassing. Voor de gebruikfuncties ‘andere overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk geen gebouw zijnde’ is artikel 2.24, tweede lid van toepassing.

    Artikel 2.24, eerste lid:
    Een hoogteverschil tussen vloeren van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten, badruimten en vloeren op een verkeersroute die deze ruimten verbindt, of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein, dat groter is dan 0,21 m wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan.


    Artikel 2.24, tweede lid:
    Een hoogteverschil tussen voor bezoekers toegankelijke vloeren of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein, dat groter is van 0,21 m wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan.


    Voor een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 meter geldt een afwijkend tweede lid (zie artikel 5.3 van de Regeling Bouwbesluit 2003).

    4b. Bepaal met de tabel in de afdeling 4.2 de relevante voorschriften
    Tabel 4.3 van afdeling 4.2 ‘Toegankelijkheidssector’ bevat de artikelen 4.4 t/m 4.9. De artikelen die van toepassing zijn op het overbruggen van hoogteverschillen zijn artikel 4.4 en 4.6. In artikel 4.4 wordt aangegeven wanneer een toegankelijkheidssector aanwezig moet zijn in een gebruiksfunctie. Hierbij zijn het eerste en het tweede lid van toepassing op woonfuncties en het derde lid op andere gebruiksfuncties. Dit met uitzondering van de gebruiksfuncties ‘overige gebruiksfunctie’ en ‘bouwwerk geen gebouw zijnde’. Van de andere gebruiksfuncties is het wel of niet aanwezig zijn van een toegankelijkheidssector afhankelijk van de gebruiksoppervlakte, zoals is aangegeven in tabel 4.3. Artikel 4.6, eerste lid en derde lid, bevat de eisen omtrent het overbruggen van een hoogteverschil door middel van een hellingbaan.

    Artikel 4.6, eerste lid:
    Een hoogteverschil van meer dan 0,02 meter tussen vloeren die in een toegankelijkheidssector liggen is, onverminderd artikel 2.24, overbrugd door een lift of een hellingbaan.


    Artikel 4.6, derde lid:
    Indien het hoogteverschil tussen een vloer ter plaatse van de toegang van een woonfunctie gelegen in een woongebouw en de vloer ter plaatse van een toegang van een toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.18, tweede lid, groter is dan 0,02 meter, is dat hoogteverschil, onverminderd artikel 2.24, overbrugd door een hellingbaan.

    4c. Bepaal met de tabel in de afdeling 4.2 de relevante voorschriften
    Tabel 2.38 van paragraaf 2.6.1 ‘Hellingbaan’ bevat de artikelen 2.39, 2.40 en 2.41. In artikel 2.39 worden de minimaal vereiste afmetingen van een hellingbaan aangegeven. In artikel 2.40 zijn de afmetingen van het bordes die aansluit aan de bovenzijde van de hellingbaan aangegeven. Artikel 2.41 bevat eisen omtrent de afscheidingen van de hellingbaan.

    Artikel 2.39:
    Een hellingbaan als bedoeld in artikel 2.24, heeft een breedte van ten minste 1,1 meter, een hoogte van niet meer dan 1 meter en een helling van ten hoogste:
    a. 1 : 12 indien het hoogteverschil niet groter is dan 0,25 meter,
    b. 1 : 16 indien het hoogteverschil groter is dan 0,25 meter, maar niet groter dan 0,5 meter, en
    c. 1 : 20 indien het hoogteverschil groter is dan 0,5 meter.


    Artikel 2.40:
    Een hellingbaan als bedoeld in artikel 2.24, sluit aan de bovenzijde over de ten minste vereiste breedte aan op een vrije vloeroppervlakte van ten minste 1,4 meter x 1,4 meter. Met een vrije hoogte van ten minste 2,3 meter.


    Artikel 2.41, eerste lid:
    Een hellingbaan als bedoeld in artikel 2.24, heeft aan beide zijkanten een aaneengesloten niet beweegbare afscheiding met een hoogte van ten minste 0,04 meter boven de hellingbaan.


    Artikel 2.41, tweede lid:
    Voorzover een zijkant van een hellingbaan als bedoeld in artikel 2.24, meer dan 1 meter boven een direct naast de hellingbaan gelegen vloer ligt, is, in afwijking van het eerste lid, de boven de hellingbaan gemeten hoogte van de afscheiding ten minste 0,85 meter.


    Artikel 2.41, derde lid:
    Een afscheiding als bedoeld in het tweede lid, heeft geen openingen met een grotere breedte dan 0,5 meter.


    Artikel 2.41, vierde lid:
    Tussen een afscheiding als bedoeld in het tweede lid, en de hellingbaan is de horizontaal gemeten afstand niet groter dan 0,05 meter.


    Artikel 2.41, vijfde lid:
    Een afscheiding als bedoeld in het tweede lid, heeft tot een hoogte van 0,7 meter boven de hellingbaan geen openingen met een breedte groter van 0,1 meter.


    Artikel 2.41, zesde lid:
    Een afscheiding als bedoeld in het tweede lid, heeft, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 en 0,7 meter boven de hellingbaan.


    Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 5)

    5. Aan de hand van een aantal voorbeeldsituaties uitleggen van de voorschriften

    Indien volgens afdeling 2.4 ‘Overbruggen van hoogteverschillen’ en afdeling 4.2 ‘Toegankelijkheidssector’ een hellingbaan moet worden toegepast gelden de eisen van afdeling 2.6 ‘Hellingbaan’.

    Figuur 1.



    Omschrijving situatie 1
    Figuur 1 betreft een hellingbaan met de volgende kenmerken:

    • Één hellingbaan
    • Hoogte hellingbaan maximaal 0,25 meter
    • Helling maximaal 1 : 12 (artikel 2.39)

    Ontwerp hellingbaan
    De eisen van afdeling 2.6, artikel 2.39 (onderdeel a), artikel 2.40 en artikel 2.41, eerste lid, zijn van toepassing. Bij een hoogteverschil van 0,25 meter moet de hellingbaan minimaal 3 meter lang zijn. Dit wordt als volgt berekend:

    Hellingspercentage:

    Figuur 2.



    Omschrijving situatie 2
    Figuur 2 betreft een hellingbaan met de volgende kenmerken:

    • Één hellingbaan
    • Hoogte hellingbaan maximaal 0,5 meter
    • Helling maximaal 1 : 16 (artikel 2.39)

    Ontwerp hellingbaan
    De eisen van afdeling 2.6, artikel 2.39 (onderdeel b), artikel 2.40 en artikel 2.41, eerste lid, zijn van toepassing. Bij een hoogteverschil van 0,5 meter moet de hellingbaan minimaal 8 meter lang zijn. Dit wordt als volgt berekend:

    Hellingspercentage:

    Figuur 3.



    Omschrijving situatie 3
    Figuur 3 betreft een hellingbaan met de volgende kenmerken:

    • Één hellingbaan
    • Hoogte hellingbaan maximaal 1,0 meter
    • Verhouding maximaal 1 : 20 (artikel 2.39)

    Ontwerp hellingbaan
    De eisen van afdeling 2.6, artikel 2.39 (onderdeel c), artikel 2.40 en artikel 2.41, eerste lid, zijn van toepassing. Bij een hoogteverschil van 1,0 meter moet de hellingbaan minimaal 20 meter lang zijn. Dit is als volgt berekend:

    Hellingspercentage:

    Figuur 4.



    Omschrijving situatie 4
    Figuur 4 betreft een hellingbaan met de volgende kenmerken:

    • Meerdere hellingen tot een hoogte van 1 meter
    • Hoogte per helling maximaal 0,25 meter
    • Helling per hellingbaan maximaal 1 : 12

    Ontwerp hellingbaan
    Probleem: ontwerper wil een kortere hellingbaan, bij een hoogteverschil van 1 meter, dan 20 meter (zie voorbeeld 3).
    Oplossing: aanbrengen van tussenbordessen (1,4 meter x 1,4 meter) die mogen worden beschouwd als aangrenzende vloer, waartussen kleinere hoogteverschillen met een grotere helling mogen worden toegepast. Dit resulteert per saldo in een kleinere lengte van de totale hellingbaan.
    De eisen van afdeling 2.6, artikel 2.39 (onderdeel a), artikel 2.40 en artikel 2.41, eerste lid, zijn van toepassing. Bij een hoogteverschil van 1,0 meter moet de hellingbaan minimaal 16,2 meter lang zijn. De lengte van de totale hellingbaan is als volgt berekend:
    hellingbanen van h=0,25 en een lengte van 3 meter (zie voorbeeld1). Dit betekent toepassing van drie bordessen met een breedte van 1,4 meter.

    Figuur 5.



    Omschrijving situatie 5
    Figuur 5 betreft een hellingbaan met de volgende kenmerken:

    • Meerdere hellingen tot een hoogte van 2,0 meter
    • Hoogte hellingen variërend maximaal 0,5 meter
    • Verhouding hellingen variërend

    Deze hellingbaan mag niet worden toegepast als de enige hellingbaan voor het overbruggen van een hoogteverschil tussen het aansluitende terrein en een toegang van een toegankelijkheidssector. Dit hoogteverschil mag namelijk niet groter zijn dan 1 meter (artikel 4.18, tweede lid).

    Ontwerp hellingbaan
    Probleem: een hoogteverschil van 2 meter moet worden overbrugd met een hellingbaan.
    Oplossing: aanbrengen tussenbordessen (1,4 meter x 1,4 meter) die mogen worden beschouwd als aangrenzende vloer en het toepassen van hellingen met een hoogteverschil van maximaal 0,5 meter.
    Let op: voorzover een zijkant van een hellingbaan meer dan 1 meter boven een direct naast de hellingbaan gelegen vloer ligt, is de boven de hellingbaan gemeten hoogte van de afscheiding ten minste 0,85 meter (artikel 2.41, tweede lid). Aan deze afscheidingen worden tevens ontwerpeisen gesteld, zie artikel 2.41 derde t/m zesde lid.
    De eisen van afdeling 2.6, artikel 2.39 (onderdeel a t/m c), artikel 2.40 en artikel 2.41, tweede t/m zesde lid, zijn van toepassing. In dit voorbeeld is uitgegaan van de hellingbaanverhoudingen 1:12 en 1:16. Er is uitgegaan van vier hellingen met de verhouding 1:12 (zie voorbeeld 1) en twee hellingen met de verhouding 1:16 (zie voorbeeld 2). De lengte van de totale hellingbaan is als volgt berekend: (4x3) + (3x1,40) + (2 x8) + (2x1,40) = 35 m.


    ACHTERGRONDINFORMATIE

    Het overbruggen van een hoogteverschil met een vaste trap, lift of hellingbaan moet voldoende veilig zijn. In dit informatieblad wordt alleen ingegaan op de hellingbaan, zoals vereist wordt in het Bouwbesluit voor het gebruik door personen.

    De helling van een hellingbaan is bij nieuwbouw afhankelijk van het hoogteverschil dat met die hellingbaan wordt overbrugd. Het is daarom in het ontwerpstadium van belang om de juiste verhouding in hoogte en lengte vast te stellen en te hanteren. Voor het overbruggen van een hoogte van 1 meter kan desgewenst met één hellingbaan worden volstaan, deze moet dan wel ten minste 20 meter lang zijn. Wordt gekozen voor vier hellingen met bijvoorbeeld een overbrugging van 250 mm, dan mogen de hellingen steiler zijn. Maar dan moet wel een bordes tussen de hellingbanen worden aangebracht. Door in het voortraject een optimale hellingbaan te kiezen, kunnen mogelijk kosten worden bespaard. In een aantal voorbeelden wordt hierop verder ingaan.

    AANDACHTSPUNTEN

    • De hellingbaan, zoals voorgeschreven in het Bouwbesluit, is geen in- of uitrit van een stallingsgarage (overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen) aangezien deze niet bestemd is voor gebruik door personen. De helling van een in- of uitrit is in de praktijk overigens ook te stijl om te voldoen aan artikel 2.39. In NEN 2443 staan eisen voor een helling van een in- of uitrit. Deze NEN is niet door het Bouwbesluit aangewezen. Indien NEN 2443 in het bestek van toepassing is verklaard, moet de helling van een in- of uitrit voldoen aan de eisen gesteld in NEN 2443.
    • Als NEN 2443 op grond van het bestek van toepassing is, geldt dat het toe te passen hellingpercentage bij in- en uitritten van parkeerterreinen of parkeergarages afhankelijk is van het gebruiksprofiel van de parkeervoorziening. In NEN 2443, paragraaf 5.4, worden aan de hand van grafieken de toegestane hellingspercentages aangegeven voor parkeer- en stallingsgarages. De definitie van hellingpercentage volgens artikel 3.2.5 van NEN 2443:2000 luidt: ‘verhouding van hoogteverschil tussen twee opeenvolgende hoogtepunten en de tussenliggende afstand vermenigvuldigd met 100.’

    OVERIGE INFORMATIE

    SBR, prettig kennis te maken.