Infoblad 248 - Het betrekken van de brand- en rookvrij vluchtroute bij de eisen voor een bouwplan

Het benoemen en hanteren van het begrip ‘brand- en rookvrije vluchtroute’ om de toepasselijke eisen voor een bouwplan op te kunnen zoeken en vast te kunnen stellen.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

1. Definitie/omschrijving

In artikel 1.1 van Bouwbesluit 2003 is ‘brand- en rookvrije vluchtroute’ als volgt gedefinieerd: Brand- en rookvrije vluchtroute = van brand gevrijwaarde rookvrije vluchtroute die uitsluitend door verkeersruimten voert. Het begrip ‘brand- en rookvrije vluchtroute’ staat in directe relatie met het begrip ‘rookvrije vluchtroute’.

In artikel 1.1 van Bouwbesluit 2003 is ‘rookvrije vluchtroute’ als volgt gedefinieerd: Rookvrije vluchtroute = van rook gevrijwaarde route die begint bij een toegang van een rookcompartiment of een subbrandcompartiment, uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt op een veilige plaats, zonder dat gebruik behoeft te worden gemaakt van een lift.

In artikel 2.104, derde lid, van Bouwbesluit 2003 is bepaald dat een brand- en rookvrije vluchtroute buiten een brandcompartiment moet liggen.

2. Uitleg definitie/omschrijving

Uit de definities (zie 1) valt op te maken dat:
2.1 Een brand- en rookvrije vluchtroute een rookvrije vluchtroute is;
2.2 Een brand- en rookvrije vluchtroute uiteraard van brand én rook gevrijwaard is;
2.3 Een brand- en rookvrije vluchtroute uitsluitend door verkeersruimten voert.

2.1 Een brand- en rookvrije vluchtroute is een rookvrije vluchtroute
Uit de definitie van ‘rookvrije vluchtroute’ blijkt dat deze ter plaatse van de toegang van een rookcompartiment of een subbrandcompartiment begint. Ter plaatse van een dergelijke toegang moeten in beginsel 2 rookvrije vluchtroutes beginnen. In een aantal (uitzonderings)situaties mag worden volstaan met 1 rookvrije vluchtroute. In het Bouwbesluit wordt dan gesproken over ‘samenvallende rookvrije vluchtroutes’. In bepaalde situaties is het alleen toegestaan om één samenvallende rookvrije vluchtroute toe te passen als deze rookvrije vluchtroute een ‘brand- en rookvrije vluchtroute’ is. Om te bepalen hoe een dergelijke brand- en rookvrije vluchtroute (vanwege samenvallende vluchtroutes) moet zijn gesitueerd, moeten beide definities worden gecombineerd (rekening houdend met het bepaalde in artikel 2.104, derde lid - zie 1. Definitie): Een brand- en rookvrije vluchtroute is een van brand- en rook gevrijwaarde (vlucht)route die begint bij een toegang van een brandcompartiment, uitsluitend voert door verkeersruimten, over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt op een veilige plaats, zonder dat door vluchtende mensen gebruik behoeft te worden gemaakt van een lift. Let op: als in het Bouwbesluit een ‘indien-bepaling’ is gegeven voor een rookvrije vluchtroute (dus een voorschrift dat geldt indien een rookvrije vluchtroute aanwezig is), dan is die bepaling ook van toepassing op een brand- en rookvrije vluchtroute.

2.2 Een brand- en rookvrije vluchtroute van brand en rook gevrijwaard is
Met een ‘van rook gevrijwaarde vluchtroute’ wordt bedoeld dat de rook niet makkelijk kan doordringen vanuit een rookcompartiment waarin de brand is ontstaan naar de ruimte waar de vluchtroute uit dat rookcompartiment doorheen voert. Een rookvrije vluchtroute mag wel door een ander rookcompartiment en dus ook door een ander brandcompartiment voeren. Brand- en rookvrij Met een ‘van brand- en rook gevrijwaarde vluchtroute’ wordt bedoeld dat brand en rook niet makkelijk kunnen doordringen vanuit een brandend compartiment naar de ruimte waar de vluchtroute uit dat compartiment doorheen voert. Een brand- en rookvrije vluchtroute mag dus niet door een ander brandcompartiment voeren. Een ruimte waardoor een dergelijke vluchtroute voert moet zo veilig zijn, dat in die ruimte geen brand kan uitbreken en indien daarin onverhoopt toch vuur komt, dit vuur geen voedingsbodem vindt om in die ruimte een volledig ontwikkelde brand te kunnen veroorzaken. In de voorbeelden (zie 3) zal een en ander worden toegelicht.

2.3 Een brand- en rookvrije vluchtroute voert uitsluitend door verkeersruimten
Uit 2.1 en 2.2 kan worden geconcludeerd dat een ‘brand- en rookvrije vluchtroute’ ten opzichte van een ‘rookvrije vluchtroute’ een extra veilige status heeft. Daarom worden aan ruimten waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert extra eisen gesteld. Het is toegestaan dat een enkel rookvrije vluchtroute door een verblijfsgebied voert. Daarbij valt te denken aan een situatie waarin vanuit een rookcompartiment gevlucht moet worden door een ander rookcompartiment, waarin achter de toegang van dat andere rookcompartiment direct een verblijfsgebied is gelegen (zoals een winkelruimte). Bij een brand- en rookvrije vluchtroute is dit niet toegestaan. Volgens de definitie van ‘verblijfsgebied’ is in een verblijfsgebied geen verkeersruimte gelegen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat een brand- en rookvrije vluchtroute in de gegeven situatie nooit door een verblijfsgebied mag voeren.

3. Voorbeelden van consequenties voor een brand- en rookvrije vluchtroute

In het hierna volgende wordt ingegaan op de vraag wanneer het Bouwbesluit een brand- en rookvrije vluchtroute vereist. Vervolgens zal worden ingegaan op de vraag welke eisen het Bouwbesluit stelt aan een brand- en rookvrije vluchtroute.

Aanwezigheidseisen
In de volgende situaties is een brand- en rookvrije vluchtroute voorgeschreven:

  • Indien een veiligheidstrappenhuis wordt toegepast; een veiligheidstrappenhuis is volgens artikel 1.1 van Bouwbesluit 2003 een trappenhuis waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, en dat in de vluchtrichting uitsluitend kan worden bereikt vanuit een niet-besloten ruimte. Een veiligheidstrappenhuis is een trappenhuis met een extra veilige status. Omdat een veiligheidstrappenhuis in de vluchtrichting uitsluitend mag worden bereikt vanuit een niet-besloten ruimte, is het praktisch uitgesloten dat in een veiligheidstrappenhuis rook binnenkomt. Omdat een veiligheidstrappenhuis zo'n veilige status heeft mogen twee vluchtroutes hierin volgens artikel 2.156 lid 3 en 2.157 lid 5 samenvallen.
  • Volgens artikel 2.156 lid 6 mogen de eerste gedeelten van twee rookvrije vluchtroutes samenvallen, indien deze gedeelten een brand- en rookvrije vluchtroute vormen, waarbij afhankelijk van de bezettingsgraadklasse een maximale oppervlakte aan rookcompartiment mag zijn aangewezen op deze brand- en rookvrije vluchtroute (zie ook het Infoblad over Bezettingsgraadklasse). Een dergelijk voorschrift (artikel 2.156 lid 5) wordt ook gegeven indien sprake is van een rookvrije vluchtroute; de oppervlakte die dan op de samenvallende vluchtroutes mag zijn aangewezen is echter kleiner dan bij een brand- en rookvrije vluchtroute.
  • Volgens artikel 2.158 moet een vluchttrappenhuis waarbinnen een hoogteverschil van meer dan 8 m wordt overbrugd, voldoen aan de voorschriften die van toepassing zijn op een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert. Trappenhuizen in hogere gebouwen moeten zodanig zijn dat zij voldoende bescherming bieden tijdens het vluchten. Dergelijke trappenhuizen moeten daarom voldoen aan dezelfde eisen als een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, ook al gaat het om een rookvrije vluchtroute die geen brand- en rookvrije vluchtroute is.

Eisen aan een brand- en rookvrije vluchtroute

  • Een brand- en rookvrije vluchtroute mag volgens artikel 2.104 lid 3 niet in een brandcompartiment liggen. In 2.2 is reeds aangegeven dat hiermede wordt beoogd dat een brand vanuit een aan een brand- en rookvrije vluchtroute grenzende ruimte slechts tot een brand- en rookvrije vluchtroute kan doordringen door een scheidingsconstructie van een brandcompartiment. Het ontstaan en de ontwikkeling van een brand in de brand- en rookvrije vluchroute zelf is beperkt op grond van de voorschriften van afdeling 2.12 (beperkte bijdrage tot brandvoortplanting van materialen).
  • Tussen een brandcompartiment en een brand- en rookvrije vluchtroute geldt volgens artikel 2.106, afhankelijk van de gebruiksfunctie en soort ruimte, een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) van 60 of 30 minuten; in artikel 2.118 is eenzelfde voorschrift opgenomen voor de wbdbo tussen een subbrandcompartiment en een brand- en rookvrije vluchtroute. Dit voorschrift heeft als doel te beperken dat een brand vanuit een (sub)brandcompartiment kan doordringen in een brand- en rookvrije vluchtroute.
  • Aan de materialen die worden toegepast in een brand- en rookvrije vluchtroute worden doorgaans (met uitzondering van een aantal gebruiksfuncties waarin kan worden overnacht) zwaardere eisen gesteld aan de brandvoortplantingsklasse (afdeling 2.12) en rookproductie (afdeling 2.15). In het voorgaande is reeds aangegeven dat hiermede het beperken van het ontstaan en ontwikkelen van brand in een brand- en rookvrije vluchtroute wordt beoogd.
  • Volgens artikel 4.88 lid 3 mag de opstelplaats voor een stooktoestel niet liggen in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert. Hiermede wordt beoogd om obstakels en het ontstaan van brand in een brand- en rookvrije vluchtroute te voorkomen.

ACHTERGROND

Met betrekking tot de brandveiligheid geeft het Bouwbesluit onder andere voorschriften omtrent het vluchten bij brand. Deze voorschriften hebben als doel dat een bouwwerk voldoende snel en veilig kan worden verlaten. Om dit te bewerkstelligen zijn vluchtroutes nodig. In Bouwbesluit 1992 werd onderscheid gemaakt in ‘vluchtmogelijkheden’ en ‘vluchtwegen’. Deze begrippen zijn in Bouwbesluit 2003 vervangen door respectievelijk ‘rookvrije vluchtroutes’ en ‘brand- en rookvrije vluchtroutes’. Afhankelijk van de indeling van het gebouw worden rookvrije en / of brand- en rookvrije vluchtroutes vereist. Wie het Bouwbesluit professioneel gebruikt (met name als ontwerper of toetser), dient de betekenis van deze begrippen te kennen.

AANDACHTSPUNTEN

  • De eisen, steld aan de bijdrage tot brandvoortplanting en de rookproductie van een materiaal in een brand- en rookvrije vluchtroute zijn doorgaans zwaarder dan die voor een rookvrije vluchtroute. Voor rookvrije vluchtroutes uit subbrandcompartimenten (dus gebruiksfuncties waarin kan worden overnacht) zijn de eisen echter gelijk, waarbij het er feitelijk op neerkomt dat ook in een rookvrije vluchtroute van een dergelijke gebruiksfunctie geen brand kan ontstaan.
  • Dat de eisen, gesteld aan de bijdrage tot brandvoortplanting en de rookproductie, voor een brand- en rookvrije vluchtroute doorgaans zwaarder zijn dan die voor een rookvrije vluchtroute kan in de praktijk betekenen dat materialen (bijvoorbeeld bepaalde houtsoorten) in een gebouw mogelijk wel in een rookvrije vluchtroute (niet van een subbrandcompartiment) kunnen worden toegepast, maar niet in een brand- en rookvrije vluchtroute.
  • Als in een bepaalde situatie kan worden volstaan met een rookvrije vluchtroute (waarbij dus wordt gevlucht door een ander brandcompartiment) is het ook toegestaan om deze rookvrije vluchtroute uit te voeren als brand- en rookvrije vluchtroute die niet in een brandcompartiment is gelegen. Dit kan qua indeling soms gunstiger situaties opleveren m.b.t brand- en rookscheidingen.

OVERIGE INFORMATIE

  • Praktijkboek Bouwbesluit 2003
  • Nota van toelichting bij Bouwbesluit 2003
SBR, prettig kennis te maken.