Infoblad 242 - Het betrekken van het begrip 'verblijfsruimte' bij de eisen voor een bouwplan

Het benoemen en hanteren van het begrip 'verblijfsruimte' om de toepasselijke eisen voor een bouwplan op te kunnen zoeken en vast te kunnen stellen.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

1. Definitie/omschrijving

In artikel 1.1 van Bouwbesluit 2003 is 'verblijfsruimte' als volgt gedefinieerd:
Verblijfsruimte = ruimte voor het verblijven van mensen, dan wel een ruimte waarin de voor een gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten plaatsvinden.

2. Uitleg definitie/omschrijving

Uit de definitie (zie 1) valt op te maken dat:

  • in een gebouw altijd een verblijfsruimte aanwezig is (elk gebouw heeft een kenmerkende activiteit) behalve als het gebouw voor meer dan 55% bestaat uit sanitaire of technische ruimten;
  • een verblijfsruimte in een woonfunctie bestemd moet zijn voor het verblijven van mensen;
  • een verblijfsruimte in een andere gebruiksfunctie dan een woonfunctie een ruimte moet zijn die bestemd is voor het plaatsvinden van de voor de desbetreffende gebruiksfunctie kenmerkende activiteit (waaronder in ieder geval is begrepen het verblijven van mensen);
  • niet in alle situaties een verblijfsruimte een besloten ruimte moet zijn.

2.1In een gebouw is altijd een verblijfsruimte aanwezig
In artikel 4.26 van het Bouwbesluit 2003 is voor alle gebruiksfuncties een aanwezigheidseis voor een verblijfsruimte opgenomen. Ook uit de definitie kan de vereiste aanwezigheid van een verblijfsruimte worden afgeleid: in ieder gebouw is of sprake van het verblijven van mensen, of van het plaatsvinden van de voor die gebruiksfunctie kenmerkende activiteit. Deze eis geldt niet als het gaat om een overige gebruiksfunctie die voor meer dan 55% bestaat uit sanitaire of technische ruimten.

2.2 Verblijven van mensen cq. kenmerkende activiteit
Van een ruimte voor het verblijven van mensen is in ieder geval sprake in een woonfunctie. De definitie van woonfunctie is immers 'gebruiksfunctie voor het wonen'. De ruimten die als verblijfsruimte worden aangemerkt zijn die ruimten waarin het verblijven van mensen plaatsvindt, zoals woonkamer, keuken en slaapkamer.

De definitie van 'verblijfsruimte' in Bouwbesluit 2003 omvat ook de term 'kenmerkende activiteit'. Dit leidt ertoe dat alle gebouwen een verblijfsruimte hebben, behalve als het gebouw voor meer dan 55% betstaat uit sanitaire of technische ruimten. De kenmerkende activiteiten van een gebruiksfunctie zijn vermeld in artikel 1.1 lid 3 van Bouwbesluit 2003. Indien een ruimte is bestemd voor het plaatsvinden van de uit de definitie van de desbetreffende gebruiksfunctie af te leiden kenmerkende activiteit, dan dient deze ruimte te worden aangemerkt als verblijfsruimte.

In de toepassing van de definitie (zie punt 3) wordt een en ander nader toegelicht.

2.3Besloten en niet besloten ruimten
De definitie van 'verblijfsruimte' in Bouwbesluit 1992 behelsde dat een verblijfsruimte altijd een besloten ruimte moest zijn. In de definitie van 'verblijfsruimte' in Bouwbesluit 2003 is dit niet meer aangegeven. Dit betekent dat een verblijfsruimte ook een niet-besloten ruimte kan zijn. Dit is echter alleen van belang voor een kenmerkende activiteit die ook in een niet-besloten ruimte kan worden uitgevoerd.

In de toepassing van de definitie (zie punt 3) wordt een en ander nader toegelicht.

3. Voorbeelden van consequenties voor de aanwezigheid van een verblijfsruimte

Algemeen
Voor een verblijfsruimte kunnen verschillende eisen gelden die van invloed kunnen zijn op het ontwerp van het gebouw. De volgende voorbeelden noemen een aantal nieuwbouweisen met betrekking tot het begrip 'verblijfsruimte':

  • Eisen met betrekking tot de overbrugging van hoogteverschillen tussen vloeren waartussen een hoogteverschil > 0,21 m naar een verblijfsruimte moet worden overbrugd : er wordt een vaste trap of vaste hellingbaan vereist (afdeling 2.4, 2.5 en 2.6);
  • Eisen met betrekking tot de verlichtingssterkte en noodverlichting in een verblijfsruimte (afdeling 2.6);
  • Eisen met betrekking tot indeling in sub-brandcompartimenten in onder andere zogeheten 'megawoningen' (woonfunctie met een gebruiksoppervlakte > 500 m2; afdeling 2.14);
  • Eisen met betrekking tot loopafstanden vanaf een punt in een verblijfsruimte naar de toegang van een rookcompartiment (afdeling 2.16);
  • Eisen met betrekking tot de draairichting van een toegang van een verblijfsruimte (afdeling 2.16);
  • Eisen met betrekking tot de minimale vrije doorgang van een toegang van een verblijfsruimte (afdeling 2.16);
  • Eisen met betrekking tot loopafstanden vanaf de toegang van een verblijfsruimte tot de toegang van een (sub-)brandcompartiment (afdeling 2.17);
  • Eisen met betrekking tot het aantal toegangen van een verblijfsruimte (afdeling 2.17);
  • Eisen met betrekking tot bescherming tegen geluid van buiten voor een verblijfsruimte (afdeling 3.1);
  • Eisen met betrekking tot geluidwering tussen verblijfsruimten (afdeling 3.3);
  • Eisen met betrekking tot de ventilatie van een verblijfsruimte (afdeling 3.10);
  • Eisen met betrekking tot de daglichttoetreding in een verblijfsruimte (afdeling 3.20);
  • Eisen met betrekking tot de vrije doorgang bij de toegang van een verblijfsruimte (afdeling 4.3);
  • Eisen met betrekking tot de aanwezigheid, bereikbaarheid, afmetingen en bezettingsgraadklasse van een verblijfsruimte (afdeling 4.6);
  • Eisen met betrekking tot de aanwezigheid van de opstelplaats van een kooktoestel in een verblijfsruimte (afdeling 4.15).


Concrete toepassing
Hierna volgen enkele kenmerkende voorbeelden, waarin Bouwbesluit 2003 in bepaalde situaties afwijkt van Bouwbesluit 1992.

Telefooncel
Een telefooncel is volgens de Bouwbesluitterminologie een 'overige gebruiksfunctie'. Volgens artikel 4.26 lid 6 moet in een overige gebruiksfunctie een verblijfsruimte aanwezig zijn. De kenmerkende activiteit is 'telefoneren'. Deze kenmerkende activiteit vindt plaats in de gehele telefooncel; daarom wordt de hele telefooncel als verblijfsruimte aangemerkt.

De consequenties voor de aanwezigheid van een verblijfsruimte in een telefooncel zijn beperkt. Zo gelden er geen afmetingseisen, daglichteisen en ventilatie-eisen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de eisen die worden gesteld aan een verblijfsruimte per gebruiksfunctie verschillen. Voor een verblijfsruimte in een telefooncel kan worden gedacht aan eisen voor het vluchten. Er geldt namelijk voor een verblijfsruimte in een overige gebruiksfunctie volgens o.a. artikel 2.136 lid 2 een eis voor de loopafstand tussen een punt in de verblijfsruimte van de telefooncel en de toegang van het rookcompartiment waarin de telefooncel ligt. Bij een telefooncel in de buitenlucht wordt aan deze eisen zonder meer voldaan; de deur van de telefooncel vormt de toegang van het rookcompartiment zodat de loopafstand gering is. Is een telefooncel echter in een ander gebouw gelegen (bijvoorbeeld een stationshal), dan kan de betreffende loopafstand wel relevant zijn. In dat geval maakt de telefooncel normaal gesproken deel uit van een bepaald rookcompartiment en moet de loopafstand tot de toegang van dat rookcompartiment worden beoordeeld.

Parkeergarage
Een parkeergarage is volgens de Bouwbesluitterminologie een 'overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen'. Volgens artikel 4.26 moet in een dergelijke gebruiksfunctie een verblijfsruimte aanwezig zijn. De kenmerkende activiteit is 'stallen van motorvoertuigen'; daarom worden de gedeelten waar deze activiteiten plaatsvinden (de parkeervakken) in ieder geval als verblijfsruimte aangemerkt.

De consequenties voor de aanwezigheid van een verblijfsruimte in een parkeergarage is met name relevant voor de eisen voor ontvluchting en ventilatie, al zijn ook de voorschriften inzake overbrugging van hoogteverschillen en bijvoorbeeld verlichtingssterkte van belang. Net zoals in een telefooncel gelden voor een verblijfsruimte in een parkeergarage geen afmetingseisen. Voor wat betreft de brandveiligheid worden eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en de toegang van het rookcompartiment waarin de verblijfsruimte ligt. De eisen inzake ventilatie in artikel 3.46 worden afhankelijk gesteld van de oppervlakte van verblijfsgebied/verblijfsruimte in de parkeergarage.

ACHTERGROND

Één van de belangrijkste uitgangspunten van het Bouwbesluit is het beginsel van de vrije indeelbaarheid. Eisen worden niet gerelateerd aan de bestemming van de ruimte (zoals 'woonkamer', of 'slaapkamer'), maar aan verblijfsgebieden met vangneteisen op verblijfsruimteniveau. De aanvrager om bouwvergunning kan zelf aangeven welk deel van de gebruiksfunctie wordt benoemd als verblijfsgebied en verblijfsruimte.

Het begrip 'verblijfsruimte' is daarom één van de belangrijke begrippen in het Bouwbesluit. Wie het Bouwbesluit professioneel gebruikt (met name als ontwerper of toetser), dient de betekenis van 'verblijfsruimte' te kennen. Bij een verkeerd gebruik van dit begrip kunnen grote knelpunten ontstaan bij de beoordeling van een bouwplan.
In artikel 1, lid 1, zijn de gebruiksfuncties gedefinieerd. Met deze definities is per gebruiksfunctie aangegeven welke activiteiten voor die gebruiksfunctie kenmerkend zijn. Een verblijfsruimte van een gebruiksfunctie is bestemd voor het kunnen uitvoeren van de kenmerkende activiteiten van de desbetreffende gebruiksfunctie. Hierop zijn de voorschriften voor een verblijfsgebied en een verblijfsruimte afgestemd.

AANDACHTSPUNTEN

Een verblijfsruimte maakt bij nieuwbouw altijd deel uit van een verblijfsgebied. Let bij het benoemen van ruimten in een gebruiksfunctie ook altijd op de eisen die gelden voor verblijfsgebieden. Zo maakt een verblijfsruimte in een parkeergarage altijd deel uit van een verblijfsgebied. Voor dit verblijfsgebied geldt dat de oppervlakte minimaal 55 % van de gebruiksoppervlakte moet zijn.

Binnen de grenzen die het Bouwbesluit aangeeft m.b.t. de verblijfsruimte bepaalt de aanvrager van de bouwvergunning welke ruimten of gedeelten van ruimten als verblijfsruimte worden aangemerkt. Het is mogelijk dat een gedeelte van een ruimte, bijvoorbeeld vanwege de maximale daglichttoetreding, niet als verblijfsgebied kan worden aangemerkt. Het niet als verblijfsgebied aangemerkte deel van een verblijfsgebied kan dan ook niet als verblijfsruimte worden aangemerkt (een dergelijke ruimte wordt ook wel eens als 'onbenoemde ruimte' aangeduid, maar maakt wel deel uit van een gebruiksfunctie). Daarnaast is het mogelijk dat niet het gehele oppervlak van een verblijfsgebied als verblijfsruimte wordt of kan worden aangemerkt. Dit kan bijvoorbeeld een toegangshal zijn die overblijft als een verblijfsgebied is ingedeeld in meerdere verblijfsruimten.

OVERIGE INFORMATIE

  • Praktijkboek Bouwbesluit 2003
  • Nota van toelichting bij Bouwbesluit 2003
SBR, prettig kennis te maken.