Infoblad 250 - Hoeveel integraal toegankelijk toiletruimten zijn er in een kantoor vereist?

Aan de hand van het Bouwbesluit vaststellen hoeveel integraal toegankelijke toiletruimten er in een kantoorgebouw zijn vereist. Bij wijze van toelichting van deze stappen wordt de vraag (hoeveel integraal toegankelijke toiletruimten in een kantoor vereist zijn) beantwoord aan de hand van drie concrete voorbeelden:

  • Voorbeeld 1: een nieuw te bouwen kantoorgebouw met een gebruiksoppervlakte van 350 m2;
  • Voorbeeld 2: een nieuw te bouwen kantoorgebouw met een gebruiksoppervlakte van 1000 m2 (hierin zijn geen vergaderruimten en geen kantine aanwezig);
  • Voorbeeld 3: een nieuw te bouwen gebouw met een gebruiksoppervlakte van 4300 m2. Dit gebouw is onderverdeeld in een gedeelte met een gebruiksoppervlakte van 1000 m2 dat bestemd is als winkelruimte en een gedeelte met een gebruiksoppervlakte van 3300 m2 dat zal worden ingedeeld in kantoorruimten (3000 m2) en een bijeenkomstfunctie (300 m2).

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Vijf stappen

Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 4)

  • De relevante afdeling (van het Bouwbesluit) opzoeken
    De voorschriften voor toiletruimten zijn gegeven in afdeling 4.7 van het Bouwbesluit.
  • De relevante paragraaf (van de afdeling) selecteren
    Beantwoord de vraag of het gaat om nieuwbouw dan wel bestaande bouw. De voorbeelden betreffen nieuwbouw. Daarom is in afdeling 4.7 paragraaf 4.7.1 van toepassing; deze paragraaf omvat de artikelen 4.34 t/m 4.39.
  • Aan de hand van de tabel in de paragraaf de relevante (sub-)gebruiksfunctie(s) selecteren
    Een kantoorgebouw, zoals in voorbeeld 1 t/m 3, dient volgens de Bouwbesluitterminologie te worden aangemerkt als 'kantoorfunctie’. Bevinden zich in dat kantoorgebouw vergaderzalen, dan moeten deze worden aangemerkt als bijeenkomstfunctie. Dit geldt ook voor een kantine. Tabel 4.34 (bij artikel 4.34) vermeldt bij de kantoorfunctie geen sub-gebruiksfuncties. Er dient te worden uitgegaan van gebruiksfunctie 6: 'kantoorfunctie’. Een winkelruimte, zoals in voorbeeld 3, dient volgens de Bouwbesluitterminologie te worden aangemerkt als 'winkelfunctie’. Tabel 4.34 (bij artikel 4.34) vermeldt bij de winkelfunctie geen sub-gebruiksfuncties. Er dient te worden uitgegaan van gebruiksfunctie 10: 'winkelfunctie’.
  • Aan de hand van deze (sub-)gebruiksfunctie(s) de relevante artikelleden opzoeken en raadplegen
    Volgens tabel 4.34 is bij de in stap 3 gevonden gebruiksfuncties (nummer 6: 'kantoorfunctie’ en nummer 10: 'winkelfunctie’) alleen artikel 4.36 lid 4 van toepassing op de integraal toegankelijke toiletruimten.
    Artikel 4.36 lid 4 luidt: Indien de gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie, vermeerderd met het totaal aan gebruiksoppervlakte van een of meer gebruiksfuncties van dezelfde soort, gelegen op hetzelfde perceel, groter is dan of gelijk aan 400 m2, is het aantal integraal toegankelijke toiletruimten ten minste gelijk aan de getalwaarde van het aantal toiletruimten, bedoeld in artikel 4.35, vierde lid, gedeeld door tien, op een geheel getal naar boven afgerond.
    Voor het bepalen van het aantal vereiste toiletruimten in een gebruiksfunctie wordt verwezen naar het Infoblad: Bepaling van het vereiste aantal toiletruimten in een gebouw.
  • Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 5 t/m 7)

  • Per (sub-)gebruiksfunctie de gebruiksoppervlakte vaststellen;
  • Per (sub-)gebruiksfunctie de bezettingsgraad vaststellen;
  • De bepalingsmethode toepassen.
  • Nu het toepasselijke voorschrift (art. 4.36 lid 4) in vier stappen is gevonden, moet dit voorschrift worden toegepast. Als volgt:

    5. Per (sub-)gebruiksfunctie de gebruiksoppervlakte vaststellen
    Volgens de voorbeelden hebben de kantoorfuncties de volgende gebruiksoppervlakten:

    • Voorbeeld 1: 350 m2;
    • Voorbeeld 2: 1000 m2;
    • Voorbeeld 3: kantoorfunctie: 3000 m2;
    • bijeenkomstfunctie 300 m2 en winkelfunctie: 1000 m2.

    6. Per (sub-)gebruiksfunctie de bezettingsgraad vaststellen
    In een kantoorfunctie, zoals in de voorbeelden, mag volgens tabel 4.34 worden uitgegaan van bezettingsgraadklasse B1 t/m B4 (zie ook het Infoblad over bezettingsgraadklasse. In een kantoorfunctie mag op grond van de voorschriften inzake ARBO in verband met een minimaal vereiste oppervlakte per persoon echter geen hogere bezettingsgraadklasse dan B4 worden toegepast. Hiervan wordt in het vervolg uitgegaan. Voor de bijeenkomstfunctie en de winkelfunctie in voorbeeld 3 wordt uitgegaan van bezettingsgraadklasse B2.

    7. De bepalingsmethode toepassen
    Om het aantal vereiste integraal toegankelijke toiletruimten te kunnen bepalen moeten de volgende stappen worden gezet: a. bepaal of de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie > 400 m2 is: is deze gebruiksoppervlakte > 400 m2, dan zijn integraal toegankelijke toiletruimten vereist; b. bepaal het aantal vereiste toiletruimten volgens artikel 4.35 lid 4; c. bepaal het aantal vereiste integraal toegankelijke toiletruimten volgens artikel 4.36 lid 4.

    7a. Bepaal of integraal toegankelijke toiletruimen zijn vereist
    De gebruiksoppervlakte van de kantoorfuncties in voorbeeld 2 (1000 m2) en voorbeeld 3 (3000 m2) is > 400 m2. In deze kantoorfuncties moeten integraal toegankelijke toiletruimten worden voorzien. Aangezien de oppervlakte van de kantoorfunctie in voorbeeld 1 < 400 m2 is, is een integraal toegankelijke toiletruimte niet vereist.

    7b. Bepaal het aantal vereiste toiletruimten volgens artikel 4.35 lid 4
    Op een toiletruimte in een kantoorfunctie mag volgens artikel 4.35 lid 4 en tabel 4.34 bij de (in stap 6 aangegeven) bezettingsgraadklasse B4 niet meer dan 360 m2 aan gebruiksoppervlakte zijn aangewezen. Voorbeeld 2: Het aantal vereiste toiletruimten X kan worden berekend met de volgende formule:


    (GOB4 is de gebruiksoppervlakte met bezettingsgraadklasse B4). Na invulling van de in stap 5 gegeven gebruiksoppervlakten in de formule:

    Voorbeeld 3:
    Het aantal vereiste toiletruimten X kan worden berekend met de volgende formule:

    (GOB2 is de gebruiksoppervlakte met bezettingsgraadklasse B2 en GOB4 idem met bezettingsgraadklasse B4). Na invulling van de in stap 5 gegeven gebruiksoppervlakten in de formule vindt u:

    Voor de bijeenkomstfunctie (niet voor het aanschouwen van sport) moeten volgens tabel 4.34 en artikel 4.35, eerste lid, minimaal 2 toiletruimten aanwezig zijn. Hieraan wordt voldaan.

    7c. Bepaal het aantal vereiste integraal toegankelijke toiletruimten volgens artikel 4.36 lid 4
    Volgens artikel 4.36 lid 4 moet het aantal vereiste toiletruimten (zie stap 7b) door 10 worden gedeeld om het aantal vereiste integraal toegankelijke toiletruimten te bepalen.

    Voorbeeld 2:
    Volgens artikel 4.35 lid 4 zijn in de kantoorfunctie in voorbeeld 2 (gebruiksoppervlakte = 1000 m2) 3 toiletruimten vereist. Volgens artikel 4.36 lid 4 dient dan in 3/10 = 0,33 (= 1; afgerond naar boven) integraal toegankelijke toiletruimte te worden voorzien. Genoemde toiletruimte is 1 van de 3 vereiste toiletruimten. Voorbeeld 3: Volgens artikel 4.35 lid 4 zijn in het gebouw in voorbeeld 3 (totale gebruiksoppervlakte = 4300 m2) 25 toiletruimten vereist. Volgens artikel 4.36 lid 4 dient dan in 25/10 = 2,5 (= 3; afgerond naar boven) integraal toegankelijke toiletruimten te worden voorzien. Genoemde toiletruimten maken deel uit van de 25 vereiste toiletruimten.

    ACHTERGROND

    Het Bouwbesluit stelt eisen aan het aantal toiletruimten dat in een gebouw aanwezig moet zijn. Om te bewerkstelligen dat ook rolstoelgebruikers gebruik kunnen maken van een toiletruimte, geeft het Bouwbesluit ook aan of er integraal toegankelijke toiletruimten moeten worden aangebracht en hoeveel. Of integraal toegankelijke toiletruimten zijn vereist, is afhankelijk van de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie en het aantal vereiste (niet integraal toegankelijke) toiletruimten. Voor bestaande bouw schrijft het Bouwbesluit geen integraal toegankelijke toiletruimten voor.

    AANDACHTSPUNTEN

    • Als in een gebouw integraal toegankelijke toiletruimten moeten zijn, dient in dat gebouw ook altijd een toegankelijkheidssector te zijn gelegen (gedeelte van het gebouw dat mede bestemd is voor rolstoelgebruikers). Het criterium gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie (> 400 m2 voor een kantoorfunctie en > 150 m2 voor een bijeenkomstfunctie, mede bestemd voor alcoholgebruik) is namelijk ook bepalend voor de aanwezigheid van een toegankelijkheidssector. Zie verder ook Infobladen over de toegankelijkheidsector: Vaststellen aan welke eisen een toegankelijkheidssector moet voldoen.
    • De oppervlakte van integraal toegankelijke toiletruimten wijkt af van een niet-integraal toegankelijke toiletruimte. Voor de in dit Infoblad behandelde integraal toegankelijke toiletruimten geldt volgens artikel 4.38 lid 3 een minimale vloeroppervlakte van 1,65 x 2,2 m2. Voor een ‘gewone’ (niet-integraal toegankelijke) toiletruimte geldt volgens artikel 4.38 lid 1 een minimale vloeroppervlakte van 0,9 x 1,2 m2.
    • De toiletruimten en integraal toegankelijke toiletruimten mogen volgens artikel 4.35 lid 6 gemeenschappelijke toiletruimten zijn. Dit betekent dat hierop meerdere gebruiksfuncties op aangewezen mogen zijn. Hierdoor is het toegestaan om bij de bepaling van het vereiste aantal toiletruimten de in voorbeeld 3 gegeven gebruiksfuncties ‘kantoorfunctie’ en ‘winkelfunctie’ gelijktijdig in ogenschouw te nemen.

    OVERIGE INFORMATIE

    SBR, prettig kennis te maken.