Infoblad 256 - Houtskeletbouw: Dakdetails

De dakdetails bij houtskeletbouw, die qua waterdichtheid en luchtdichtheid kritisch zijn, goed ontwerpen en uitvoeren.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

In de SBR-Referentiedetails Houtskeletbouw zijn details opgenomen die voldoen aan de eisen gesteld in het Bouwbesluit. In dit informatieblad worden de uitgangspunten en aandachtspunten voor ontwerper, werkvoorbereider en uitvoerder voor dakdetails besproken.

Hellende daken
In de details is een sporenkap getekend. Ter plaatse van de aansluiting op de bouwmuur zijn de twee gebruikelijke detailleringen uitgewerkt. Dit zijn details waarbij de sporenkap wordt opgelegd op de bouwmuur en details waarbij de kap tussen de bouwmuren wordt aangebracht (figuur 1 en 3).

Figuur 1: detail 402.4.0.01 bouwmuur aansluitend op dakelement. Bron: SBR-Referentiedetails Woningbouw Houtskeletbouw.

Platte daken
De platte daken zijn uitgevoerd als warm dak. Dus isolatie aan de buitenzijde op de constructie (figuur 2a en 2b). Er zijn enkele uitzonderingen, waarbij de isolatie gedeeltelijk tussen de balken en op het dak wordt aangebracht.

Figuur 2a: detail 409.4.2.01 langsgevel aansluitend op dakelement. Bron: SBR-Referentiedetails Woningbouw Houtskeletbouw.

Figuur 2b: detail 418.4.0.01 dakelementen op de ankerloze spouwmuur. Bron: SBR-Referentiedetails Woningbouw Houtskeletbouw.

Luchtdoorlatendheid
Het Bouwbesluit stelt eisen aan de luchtdoorlatendheid van woningen en woongebouwen. Deze wordt bepaald conform NEN 2686: ‘Luchtdoorlatendheid van gebouwen. Meetmethode’. Dit is een controle (meetmethode) achteraf.
Bij alle details waarbij de luchtdoorlatendheid een rol speelt, zijn zowel in de tekening als in de aanbevelingen specifieke maatregelen aangegeven die het mogelijk maken de vereiste luchtdoorlatendheid te realiseren. De doeltreffendheid van die maatregelen is echter sterk afhankelijk van de kwaliteit van de uitvoering. Met name doorbrekingen van de dampremmende laag, zoals voor wandcontactdozen en dergelijke, kunnen belangrijke luchtlekken veroorzaken. Om die reden is, ter voorkoming van inwendige condensatie ter plaatse van het dak (ten gevolge van convectie), een minerale wolbarrière, verpakt in dampremmende folie, aangegeven. Deze fungeert tevens als brandkering (figuur 3, 4 en 5).

Figuur 3: detail 402.4.0.02 bouwmuur aansluitend op dakelement. Bron: SBR-Referentiedetails Woningbouw Houtskeletbouw, Stichting Bouwresearch.

Belangrijke aandachtspunten voor luchtdichtheid zijn:
  • Afdichting in een aanslag en in één vlak en zover mogelijk naar binnen aanbrengen (figuur 7).
  • Pas bij voorkeur prefab aangebrachte afdichtingen toe.
  • Dakdoorvoeren altijd voorzien van afdekplaat (figuur 8).
  • Bij luchtdichtheidsklasse 2 en 3 altijd manchetten toepassen.

De ontwerper moet in de detaillering en bij de keuze van het dichtingsmateriaal rekening houden met de volgende aspecten:
  • Totale lengte van de aansluiting.
  • Vormverandering van het bouwelement (krimp).
  • Plaats van het dichtingsmateriaal in het aansluitdetail.
  • Maatvoeringskwaliteit (noodzakelijke toleranties).
  • Keuze van het dichtingsmateriaal in relatie tot de gebouwdelen, rekening houdend met kruip, thermische bewegingen en optredende belastingen.

Voor overige informatie over luchtdichtheid wordt verwezen naar Informatiebladen 12 en 30.

Waterdichtheid en regenwerendheid
Waar nodig is in de details rekening gehouden met de eisen die worden gesteld aan de waterdichtheid. Daarnaast kent het Bouwbesluit een eis voor de regenwerendheid. Dat betekent dat er geen water op vloeren mag komen. Wat betreft de waterdichtheid is in de details gekozen voor twee dichtingsystemen (zie ook NPR 2652):
  • Enkelvoudig dichtingsysteem; bijvoorbeeld een dakbedekking op een plat dak. Hier wordt met één waterdichte laag een waterdichte constructie gerealiseerd.
  • Samengesteld dichtingsysteem; bijvoorbeeld een pannendak of een spouwmuurconstructie. Deze dichting is, bij de doorbrekingen, gebaseerd op een combinatie van waterdichte en waterwerende lagen.
  • Figuur 4: detail 405.4.0.01 bouwmuur aansluitend op dakelement. Bron: SBR-Referentiedetails Woningbouw Houtskeletbouw, Stichting Bouwresearch.

    Waterdichte lagen
    Bij de waterdichte lagen is bij de details rekening gehouden met:
    • Afwaterende, aansluitende lagen, die dakpansgewijs worden aangebracht (figuur 8 en 9).
    • Uitzetting en krimp, zowel van de waterkering als van de constructie.
    • Ondersteuning van de lagen.
    • Waterdichte lagen, die afwaterend worden aangebracht (schuinte ≥ 10° conform NPR 2652).
    • Waterkering die voldoende hoog is opgezet, minimaal drie steenlagen (circa 180 mm), met bevestiging tegen binnenspouwblad.
    • Voldoende waterafvoer door open stootvoegen (maximaal 10 mm breed) of voldoende ruimte tussen latei en bovendorpel (kozijn).
    • Waterdichte lagen beëindigd met kopschotjes (minimaal 20 mm hoog).
    • Bij waterwerende folies (zogenaamde waterwerende dampdoorlatende folies) moet rekening worden gehouden met een voldoende grote overlap en voorkoming van beschadigingen.
    • Waterwerende lagen worden dakpansgewijs aangebracht. In veel constructies behoren deze lagen ook dampdoorlatend te zijn.
    Waterdichte aansluitingen
    Lood kan maximaal in lengtes van 1.500 mm worden toegepast. Daarvoor zijn onderlinge aansluitingen van lagen die waterdicht moeten zijn, noodzakelijk. In NPR 2652 wordt een felsnaad als waterdicht beschouwd. Solderen is ook mogelijk, maar niet buiten het metselwerk of ter plaatse van gebouwdilataties. Een andere mogelijkheid is het afplakken van de naad (aansluiting van twee loodlagen) met band of bitumenweefsel. Ook met bitumen-rubberkit (zogenaamde lasnaad) is een aansluiting tussen loodstroken waterdicht te maken.

    Geluid: Ontkoppelen
    Bij aansluitingen van bouwproducten en bouwdelen is het van belang dat er geen kieren ontstaan. Kieren doen de luchtgeluidsisolatie grotendeels teniet, vooral voor de hogere tonen. Verankeringen van houten binnenspouwbladelementen, dakelementen en kozijnen moet per woning zijn aangebracht. Dit betekent dat de elementen niet doorgekoppeld mogen worden over scheidende constructies.

    Figuur 5: detail 406.4.0.01 bouwmuur aansluitend op dakelement (kilgoot). Bron: SBR-Referentiedetails Woningbouw Houtskeletbouw, Stichting Bouwresearch.

    Figuur 6: detail 401.4.1.01 Dakgootdetail. Bron: SBR-Referentiedetails Woningbouw Houtskeletbouw, Stichting Bouwresearch.

    Brandveiligheid
    Voor de details waarbij een ankerloze spouwmuur aansluit op een plat dak is ter voorkoming van brandoverslag / branddoorslag een 15 mm vezelversterkte gipskartonplaat als plafond aangegeven.

    Figuur 7 detail 404.4.0.01 Hellend dak / nok.

    Figuur 8 detail 408.4.0.03 Hellend dak / dakdoorvoer.

    Figuur 9 detail 431.4.0.01 Hellend dak / bovenaansluiting dakvenster.

    ACHTERGROND

    Bij Houtskeletbouw bestaat het gehele bouwsysteem veelal uit prefab elementen. Deze zijn vaak woningbreed en verdiepinghoog en hebben een gering gewicht. Afhankelijk van de wijze van prefabricage zijn de elementen gesloten of half open.

    AANDACHTSPUNTEN

    Aandachtspunten ontwerper
    • Geef een waterwerende dampdoorlatende laag aan (wwdd-laag). Bij niet-verticale constructies (bijvoorbeeld pannendaken) deze laag zodanig aangeven dat doorgeslagen water, bijvoorbeeld langs de gootbeugels, tot buiten de constructie wordt afgevoerd. De laag voorkomt vochtproblemen en beschermt de isolatie tijdens de uitvoering (figuur 4, 5 en 6).
    • Schrijf ter voorkoming van houtrot een duurzame behandeling van het hout voor of pas hout met voldoende duurzaamheid (minimaal duurzaamheidsklasse II) toe. Doe dit in situaties dat hout in een vochtige omgeving wordt toegepast, zoals in niet-controleerbare luchtspouwen (figuur 2, 4 en 6).
    • Ontwerp gevels met een overstek ≥ 750 mm (aanbeveling Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen, maatregel S061).
    • Geef ter voorkoming van condensatie in overstekken en plafonds een dichting aan tussen de luchtspouw in de gevel en de luchtspouw in het overstek / plafond (figuur 6).
    • Schrijf voor dat de openingen in uitwendige scheidingsconstructies niet groter mogen zijn dan 10 mm (voorkomen toetreding ongedierte). Aandachtspunten: dakvoet, nok, hoekkeper, kilgoten en open stootvoegen (figuur 2, 4, 5 en 6).
    • Geef bij voorkeur de luchtdichting in een 'aanslag' en in één vlak aan. Verschuiven tijdens de montage en onderbroken dichtingen worden hiermee voorkomen (figuur 1, 4, 5 en 6).
    • Geef in verband met Arbo de aansluiting van het dakelement op de vloer zelfzoekend aan (figuur 5 en 6; zie ook Arbo-Informatie 15 ‘Veilig werken op daken’).
    • Schrijf uitsluitend (dak)elementen voor met een akoestische prestatie van Ilu;k ≥ 0 dB (zie attest), wanneer aan één of twee zijden van de bouwmuur een verblijfsgebied is aangegeven (figuur 1, 3, 4 en 5).
    • Geef ter voorkoming van branddoorslag een strook minerale wol in de spouw aan ter plaatse van de (woningscheidende) vloerranden en bouwmuren (gevels en dak) (figuur 1, 3, 4 en 5). In een aantal situaties wordt branddoorslag voorkomen door het aanbrengen van een minerale wolstrook en 15 mm vezelverstrekte gipsplaat aan de binnenzijde (figuur 2b).
    • Voorkom inwendige condensatie onder de w.w.d.d.-folie door de dampremmende folie vanuit de dakelementen door te zetten en luchtdicht met elkaar te verbinden of door een in PE-folie verpakte minerale wol aan te brengen (figuur 1 en 3).
    • Geef ter voorkoming van houtrot of kromtrekken van de gevelbeplating voldoende spouwventilatie aan. Raadpleeg hiervoor ook de KVT (katern 16) (figuur 2 en 4).
    • Bereken de consequenties van een sterk geventileerde spouw (in houten binnenspouwbladen). Met een houtafmeting van 170 mm en een gangbaar percentage hout (20 procent), kan (uitgaande van Rc = 3,0 m2K/W) voor het isolatiemateriaal een warmtegeleidingscoëfficiënt of lambda-waarde van maximaal 0,038 W/mK worden toegepast (gebruik de rekenwaarde) (figuur 2a). Voor de houten binnenspouwbladen in combinatie met metselwerk is een houtpercentage van maximaal 26 procent toelaatbaar.
    • Ga in het attest na welke extra maatregelen nodig zijn om bij een zakgoot een Ilu;k ≥ 0 dB te realiseren, wanneer aan één of twee zijden van de bouwmuur een verblijfsgebied is aangegeven (figuur 5).
    • Geef ter voorkoming van vervuiling van de gevel goede waterafvoermogelijkheden aan. Aandachtspunten zijn brede trimmen (expansiestukken afdichten) en laat dakranden naar binnen toe afwateren (afschot ≥ 3°) (figuur 2).

    Aandachtspunten werkvoorbereider / uitvoerder
    • Omdat hout in de spouw voor onderhoud niet meer bereikbaar is en de vochtigheid meestal hoog is, moet het hout worden behandeld (droge laagdikte 60 mu) of moet hout met voldoende duurzaamheid (minimaal duurzaamheidsklasse II) worden toegepast (figuur 2, 4 en 6).
    • Breng de vereiste ventilatieopeningen voor de ventilatie achter plaatmaterialen (en gevelbetimmeringen) conform de verwerkingsvoorschriften aan (figuur 2 en 4). Zie ook katern 16 van de KVT.
    • Breng de dampremmende laag zorgvuldig aan. Sluit deze laag nauwkeurig aan ter plaatse van overgang naar andere constructies en ter plaatse van de doorvoeren (figuur 2 en 6).
    • Breng op de bouwplaats de isolatie in de HSB-elementen pas aan, nadat gecontroleerd is of het vochtpercentage in het hout < 20 procent is (figuur 1 t/m 6).
    • Voorkom luchtlekken door de luchtdichtingen aansluitend aan te brengen. Vergeet niet de dichtingen achter knieschotten en aan de kopzijden van de muurplaat aan te brengen (figuur 5 en 6).
    • Zorg voor een goede beveiliging voor het werk dat op daken moet worden uitgevoerd. Vooral constructies met overstekken vragen extra aandacht (raadpleeg zonodig AI-blad 15) (figuur 4, 5 en 6).
    • Bestel voor de (eventueel) tussen de panlatten aan te brengen minerale wol een goed indrukbaar product. Dit voorkomt opdrukken van de pannen (figuur 1 en 3).
    • Vermijd akoestische koppelingen en maak daarom geen (prefab) doorlopend regelwerk en beplating tussen twee woningen (ter plaatse van vloer- en dakranden, bouwmuren) (figuur 1, 3 en 5).
    • Voorkom luchtstroming (convectie) door de naden tussen bouwmuur en dakelementen zorgvuldig af te dichten (afplakken geeft extra zekerheid) (figuur 1, 3 en 5).
    • Houd steeds een gelijke afstand tussen de dakelementen aan om de luchtdichting (banden) daarna correct te kunnen aanbrengen (figuur 1, 3 en 4).
    • Bestel ter bevestiging of ter bescherming van isolatie tussen houten elementen een waterwerende, dampdoorlatende laag (N.B.: uit de praktijk blijkt, dat de 'gaatjesfolie' in dakconstructies onvoldoende dampopen is).
    • Maak bij waterdichte lagen de onderlinge verbinding zorgvuldig waterdicht. Loodstroken maximaal 1.500 mm breed in verband met vermijden scheurvorming (figuur 4).
    • Om aan de akoestische prestaties te voldoen en om het hemelwater goed af te voeren, moet een zakgoot zorgvuldig worden uitgevoerd (figuur 5).
    • Raadpleeg de leverancier van de waterwerende folie over de toegelaten ‘open tijd’- periode; deze folies zijn beperkt UV-bestendig.
    • Overleg bij flauwe dakhellingen (< 20°) met dakpannen met de leverancier van de folies en de elementleverancier op welke wijze het dak waterdicht is. Vaak zijn aanvullende maatregelen, zoals folie afplakken of extra dichtingsband onder tengels, noodzakelijk.

    OVERIGE INFORMATIE

    SBR, prettig kennis te maken.