Infoblad 424 - Inspectie brand- en rookwerende puien in bestaand gebouw

Het periodiek beoordelen of brand- en rookwerende puien nog aan het vergunde niveau voldoen.

OPLOSSINGRICHTINGEN



Voor nieuwbouwprojecten wordt veelal een map aangelegd met certificaten van brandwerende puiconstructies. De ervaring leert dat dit vaak niet geldt voor bestaande gebouwen, zeker als deze wat ouder zijn. Daarmee staat dus de brandwerendheid van constructieonderdelen niet altijd onomstotelijk vast. Wanneer deze toch moet worden beoordeeld is een bepaalde mate van kennis en gezond verstand vereist. In het algemeen moeten de volgende stappen worden doorlopen:
  • achterhalen (uit de vergunningsstukken) van de vereiste brand- of rookwerendheid van een pui;
  • pui visueel inspecteren (hanteer daarvoor de bijgevoegde checklist);
  • eventuele afwijkingen/ mankementen vaststellen;
  • eventueel te nemen maatregelen voorstellen.
  • Beoordeling

    Het beoordelen van de brandwerendheid van puiconstructies is een hachelijke zaak. Zelfs bij geaccrediteerde testinstituten kunnen medewerkers van tevoren niet zeggen of een test gaat slagen. In het algemeen geldt dan ook dat een brandwerende constructie uitsluitend brandwerend is wanneer deze is getest. Bij nieuw te bouwen constructieonderdelen is het dan ook altijd zaak gecertificeerde puiconstructies aan te schaffen en niet op basis van inschattingen te beoordelen of iets zal voldoen of niet. In bestaande gebouwen is het in de meeste gevallen een ondoenlijke zaak om ieder constructieonderdeel waarvan geen certificaat bekend is te testen of te laten vervangen. Vandaar dat het in veel gevallen toch nodig is om op basis van kennis en gezond verstand een inschatting te kunnen maken. Gebruikers van dit infoblad moeten echter beseffen dat het blijft bij een inschatting. De enige manier om iets zeker te weten is en blijft testen.

    Bij dit infoblad is een checklist gevoegd. Het doorlopen hiervan geeft een idee van de brandwerendheid van puiconstructies. Hieronder volgt een toelichting bij de checklist.

    Glas

    In brandwerend glas staan stempels waaruit de brandwerendheid is te herleiden. Er is een aantal typen brandwerend glas te onderscheiden:
    • E 30 of E 60 beglazing;
    • EW 30 of EW 60 beglazing;
    • EI 30 of EI 60 beglazing;
    • Spiegeldraadglas.
    Is niet te herleiden welke glassoort is toegepast dan is dat reden om het glas te vervangen.



    In de norm NEN 6069 wordt omschreven op welke criteria een brandwerende constructie wordt getoetst. Dat zijn:
    • R: brandwerendheid met betrekking tot bezwijken.
    • E: vlamdichtheid betrokken op de afdichting.
    • W: thermische isolatie betrokken op de warmtestraling.
    • I: thermische isolatie betrokken op de temperatuur.
    R: brandwerendheid met betrekking tot bezwijken
    Het R criterium is voor glas niet van toepassing: glas wordt als regel niet als dragende constructie toegepast.

    E: vlamdichtheid betrokken op de afdichting
    Brandwerende beglazing begint bij vlamdichtheid betrokken op afdichting. Dat wordt aangeduid met een E waarachter de brandwerendheid in minuten wordt aangegeven. Er zijn beglazingen te koop die alleen aan het criterium vlamdichtheid voldoen. Een voorbeeld daarvan is spiegeldraadglas. De toepassing van E- beglazingen is overigens uiterst beperkt. Het kan voorkomen in binnen- buitenconstructies waar direct vlamcontact vermeden moet worden, maar waar warmtestraling geen probleem is.

    W: thermische isolatie betrokken op de warmtestraling
    Het criterium isolatie betrokken op warmtestraling wordt aangeduid met EW. Er wordt dan voldaan aan vlamdichtheid en warmtestraling. Het glas laat dan geen of minder warmtestraling door. Normale brandscheidende puien in een gebouw moeten voldoen aan het EW criterium.

    I: thermische isolatie betrokken op de temperatuur
    Het criterium isolatie betrokken op temperatuur wordt aangeduid met EI, maar voldoet als regel ook aan EW. Bij blootstelling aan een standaardbrandkromme mag de temperatuurstijging tijdens de proef aan de niet blootgestelde zijde gemiddeld niet hoger oplopen dan 140°C, en lokaal maximaal tot 180°C. Dit type glas wordt in Nederland van rechtswege niet voorgeschreven, maar wordt bijvoorbeeld toegepast wanneer zich achter het glas brandbare spullen bevinden die moeten worden beschermd. Enkele fabrikanten brengen geen E/ EW of EI aanduiding aan in hun stempels. Ze volstaan dan met de type-aanduiding (merknaam) en de dikte van het glas. In die gevallen moet via gegevens van de leverancier worden achterhaald wat de brandwerendheid van het glas is.

    Opmerking 1:
    Niet alle glassoorten zijn symmetrisch. Dat wil zeggen dat het glas in de ene richting brandwerend kan zijn en in de andere richting niet. Het verdient dan ook de voorkeur om altijd bij de fabrikant na te gaan wat de eigenschappen van het glas zijn.

    Opmerking 2:
    Brandwerend glas is aan maximum afmetingen gebonden. Ook hiervoor kan documentatie van de fabrikant uitkomst bieden. Het verdient hierbij de voorkeur om op zoek te gaan naar ‘harde’ gegevens, dat wil zeggen: testrapporten. Vermeldingen in brochures zijn niet altijd even betrouwbaar.

    Brandwerendheid spiegeldraadglas
    De brandwerendheid van spiegeldraadglas staat ter discussie. Nieuw spiegeldraadglas is sinds de invoering van CE markeringen niet meer in brandwerende uitvoering te koop. Bij vervanging na bijvoorbeeld breuk zal dus een keuze voor een andere glassoort gemaakt moeten worden. Voor bestaande situaties wordt spiegeldraadglas gedoogd mits aan bepaalde afmetingen wordt voldaan. Deze afmetingen moeten worden gemeten binnen een segment van 2,5 x 2,5 meter. Algemeen wordt als vuistregel gehanteerd dat onderstaande oppervlakten acceptabel zijn:
    • 60 minuten wbdbo: maximaal 0,9 m2 per segment van 2,5 x 2,5 meter;
    • 30 minuten wbdbo: maximaal 1,7 m2 per segment van 2,5 x 2,5 meter;
    • 20 minuten wbdbo: maximaal 3,0 m2 per segment van 2,5 x 2,5 meter.
    Spiegeldraadglas laat warmtestraling door. Wanneer de opgegeven oppervlakten niet worden overschreden mag worden aangenomen dat deze warmtestraling binnen de perken blijft. Er kan dus binnen de gegeven afmetingen een EW klassering aan dit glas worden toegekend.

    Houten puien




    Houtsoort
    Bij houten puien moet als eerste achterhaald worden wat voor houtsoort is toegepast. De inbrandsnelheid van zachte houtsoorten is veel hoger dan die van harde houtsoorten. Algemeen geldt dat brandwerende puien zijn vervaardigd uit hardhout. Wanneer een pui dus bestaat uit een zachte houtsoort (bijvoorbeeld vuren, grenen, oregon pine) dan is de brandwerendheid zonder bijbehorend testrapport niet vast te stellen. Zeker niet bij hogere (60 minuten) brandwerendheden. Het bepalen van de houtsoort gebeurt visueel. Er is dus enige kennis van houtsoorten noodzakelijk. Vaak is ter plaatse van de sluitkom in het kozijn het hout niet geschilderd. Ook kan ‘prikken’ met een hard voorwerp een indicatie geven van de hardheid van een houtsoort.

    Sponningdiepte
    Als vuistregel wordt in Nederland veelal een minimale sponningdiepte van 15 mm gehanteerd voor een brandscheiding met een weerstand tegen branddoorslag van 30 minuten. Voor een weerstand van 60 minuten moet ten minste een sponning van 25 mm aanwezig zijn. Dit geldt uitsluitend voor hardhoutsoorten. Zachte houtsoorten kunnen niet volgens deze vuistregels worden beoordeeld. Puien van zachthout kunnen uitsluitend met een certificaat worden toegelaten, of kunnen eventueel worden beoordeeld door een notified body. Dat is een geaccrediteerd bureau dat in staat is de brandwerendheid meer genuanceerd te onderzoeken. Uit het voorgaande volgt dat hardhouten glaslatten van ten minste 15 x 15 mm benodigd zijn voor een weerstand van 30 minuten, en 25 x 25 mm voor een weerstand van 60 minuten. Afgeschuinde kanten zijn niet toegestaan wanneer dan een kleinere doorsnede overblijft. Dat verkort namelijk de inbrandtijd. De glaslatten moeten zijn geschroefd. Draadnagels gaan bij verhitting gloeien en branden zodoende uit hun spijkergat. Er moet op worden gelet dat de glaslat even hoog op het glas aansluit als de kozijnsponning. Anders ontstaan asymmetrische spanningen en is de kans op breuk groter.

    Deuren van hout
    Brandwerende deuren zijn in vele soorten en maten te verkrijgen. Algemene regels zijn zonder testrapporten moeilijk te geven. Wel is het zo dat een deur zonder bepaalde basale voorzieningen niet goedgekeurd kan worden en dus moet worden afgewezen. Houten deuren waaraan een weerstand tegen branddoorslag wordt toegekend zijn meestal massief. Is een deur niet massief dan bestaat bij afwezigheid van een certificaat voldoende twijfel aan de brandwerendheid ervan om een vervanging (of nader onderzoek) te rechtvaardigen. De vulling van een brandwerende deur kan bestaan uit multiplex of spaanplaat. De minimale dikte van een brandwerende deur is 40 mm, hoewel 60 minuten brandwerende deuren vandaag de dag meestal 54 mm dik worden geleverd.



    Weerstand tegen branddoorslag 30 minuten
    Massieve deur. Dikte ten minste 40 mm. Aanslag ten minste 15 mm. Dus bij een draainaad van 2 mm is een sponningdiepte van 17 mm noodzakelijk. Aan de zij- en bovenkant van de deur is een bij brand opschuimende strip aanwezig. Ook goed: een aanslag van 25 mm, indien geen bij brand opschuimende strip aanwezig is. Kantlat moet dan wel van hardhout zijn.

    Weerstand tegen branddoorslag van 60 minuten
    Massieve deur. Dikte ten minste 40 mm. Aanslag ten minste 25 mm. Bij brand opschuimende strip aanwezig.

    De bij brand opschuimende strips zijn niet altijd goed waarneembaar bij brandwerende deuren. Soms bevinden ze zich in de deur. Ze schuimen dan op bij brand en duwen de kantlat naar buiten, waardoor de draainaad van de deur wordt dichtgedrukt. Dergelijke strips zijn in de regel aan de boven- en onderzijde van de deur waarneembaar (spiegeltje meenemen dus). Aan de onderzijde van een deur is een draainaad acceptabel. Bij het uitvoeren van een brandproef wordt met twee stalen staven gemeten of een opening nog acceptabel is of niet. Wanneer een staaf met een doorsnede van 6 mm meer dan 150 mm heen en weer kan worden bewogen wordt de test beëindigd, het is dan einde brandwerendheid. Ook wordt gemeten of een staaf met een doorsnede van 25 mm ergens door de constructie past. Ook wanneer dat het geval is wordt de test beëindigd. De test met het kaliber 6 mm geldt echter niet voor de onderzijde van deuren. Er geldt dus een speling van ten hoogste 25 mm aan de onderzijde van een deur. Reden voor de versoepeling aan de onderzijde is dat aan de onderzijde in een brandruimte (in ieder geval in een test-oven) onderdruk ontstaat. Er wordt dus lucht van buiten naar binnen gezogen. Wel wordt af en toe rook uitgepuft, maar dat is relatief incidenteel.

    Aluminium puien

    Aluminium heeft een relatief laag smeltpunt. Een aluminium pui kan dan ook niet brandwerend zijn zonder hulpstaal. Beglazing in een aluminium pui wordt als regel vastgehouden met stalen clips. Het is mogelijk dit te controleren door de glaslatten van de puien te halen. Vaak is dat vrij eenvoudig: trek het rubber beglazingsprofiel uit de sponning, de glaslat klikt dan gemakkelijk los (ook het opnieuw aanbrengen van de glaslat is eenvoudig). Zijn er geen stalen clips aanwezig die het glas vasthouden of die de kunststof isolator overbruggen dan is de brandwerendheid van de pui nihil. Zijn deze clips wel aanwezig, overleg dan met de leverancier van de pui welke brandwerendheid kan worden behaald. Vaak is het handig om een paar glaslatten los te halen: er kan dan beter worden achterhaald met welk profiel men te maken heeft. Fotografeer de doorsnede van de glaslat en het kozijnprofiel en meet de breedte en diepte van het kozijn op. In overleg met leveranciers kan dan vrij snel worden achterhaald om welk merk of type het gaat. Ook wanneer verder geen gegevens bekend zijn. Probeer de verwerkingsvoorschriften bij de leverancier te achterhalen en let op maximaal toelaatbare afmetingen.



    Stalen puien

    Voor stalen puien geldt net als bij aluminium puien dat door fotografie van de profielen en glaslatten en door de profielen in breedte en diepte te meten vrij éénvoudig kan worden vastgesteld met welk profiel men te maken heeft. In overleg met de leverancier is dan te achterhalen welke weerstand tegen branddoorslag aan het profiel kan worden toegekend. Ook kan de leverancier aangeven wat de verwerkingsvoorschriften zijn en tot welke afmetingen de puien brandwerend zijn.

    Hang- en sluitwerk


    Scharnieren
    Scharnieren moeten bestrand zijn tegen hoge temperaturen. Nu is met het blote oog uiteraard niet waarneembaar bij welke temperatuur een scharnier bezwijkt, maar scharnieren van aluminium en kunststof zijn in ieder geval uit te sluiten.

    Deurnaalden
    Bestaande aluminium deurnaalden zijn moeilijk beoordeelbaar vanwege de grote verscheidenheid aan profielen. Wel is het vaak goed mogelijk om een paar foto’s van de profielen te maken. Fotografeer dan kenmerkende elementen zoals de doorsnede (foto van boven maken) en van de sluitingsmechanismen. Vaak is dan goed te achterhalen wat de leverancier en het type is. Hierdoor is na te gaan wat de brandwerende eigenschappen van de deurnaald zijn.

    Loopsloten
    De meeste deuren worden getest met een loopslot. Dat wil zeggen dat de deur in het midden gefixeerd wordt. Een loopslot heeft bovendien als voordeel dat het gemakkelijk te openen is voor vluchtende personen. Er zijn ook loopsloten te verkrijgen met duwbalken, het zogenaamde paniekbeslag. Dat een deur gefixeerd wordt met een loopslot bij een brandproef heeft een reden. De deur opent dan niet automatisch door de overdruk die in een brandruimte ontstaat. Bovendien gaat een deur onder brandomstandigheden uitbuigen. Deze buiging wordt sterk verminderd wanneer in het midden een sluiting aanwezig is. Onder een aantal omstandigheden kan worden afgezien van een loopslot. Bepaalde pendeldeuren (doorzwaaideuren) hebben een deurnaald die bij brand dichtschuimt en zodoende de deur gesloten houdt. Ook is een (beperkt) aantal deurdrangers op de markt die een deur 30 minuten gesloten kunnen houden. Het is hierbij wel erg belangrijk te letten op de combinatie van deur en dranger. Immers: wanneer het deurblad te veel uitbuigt is het einde brandwerendheid, of de deur nu boven wordt vastgehouden of niet. Dergelijke drangers zijn vaak alleen toepasbaar op stalen deuren. Ten slotte zijn sluitpennen verkrijgbaar die een deur bij brand fixeren. Deze pennen worden aangebracht in de deur. In het kozijn wordt een gaatje geboord met een stalen busje erin. Bij verhitting schuift de pen uit en schuift in het stalen busje. De deur is dan dicht. Er kan nu niet meer door gevlucht worden maar wanneer de temperatuur zo hoog is dat de sluitpen dichtgaat, mag ervan worden uitgegaan dat de condities al niet meer levensvatbaar zijn.

    Elektrische sloten
    In veel gevallen wordt voor elektrische sloten een wegklapbare sluitkom aangebracht in het kozijn. Wanneer deze sluitkom de enige sluiting is van de betreffende deur dan wordt de brandwerendheid beëindigd op het moment dat de sluitkom opengaat. Er is dus ook een loopslot benodigd op een deur met een niet-wegklapbare sluitkom. Zie ook het bovenstaande over loopsloten. Toegangscontrole kan eventueel elektronisch worden geregeld op de nachtschoot of met een kleefmagneet.

    Drangers
    Deuren in brand- en rookscheidingen moeten zelfsluitend worden uitgevoerd. Uitzonderingen kunnen worden gemaakt voor deuren die tijdens normaal gebruik altijd dicht zitten, bijvoorbeeld de meterkast of een cv kast. Eén en ander wel in overleg met het bevoegd gezag. Dubbele deuren moeten vaak zijn voorzien van een dranger met sluitvolgorderegelaar. Anders kunnen de deuren ‘verkeerd om’ dichtvallen en zijn ze niet brandwerend. Deuren met vastzetinrichtingen (kleefmagneten of drangers met een vastzetstand) vallen dicht wanneer de brandmeldinstallatie afgaat. Veelal zit er een rode knop op dergelijke vastzetinrichtingen zodat getest kan worden of de deur goed sluit bij brand. Ook hier geldt dat een sluitvolgorderegelaar aan de orde kan zijn bij dubbele deuren. Vastzetinrichtingen zijn niet altijd centraal geregeld. Ze kunnen het beste worden getest door een brandalarm te forceren bij de dichtstbijzijnde rookmelder. Voor en achter de deur moet een rookmelder aanwezig zijn op een horizontale afstand van 0,5 tot 2,5 meter van de deur. Af en toe worden inbouwdeurdrangers aangetroffen. Let erop dat hiermee een inkassing in deur en kozijn wordt gemaakt. Dat betekent een behoorlijke verzwakking van deurblad of kozijn. Probeer via de leverancier van de inbouwdranger te achterhalen op welke constructies de drangers zijn getest. Sommige drangers zijn in staat een deur gedurende een bepaalde periode onder brandomstandigheden gesloten te houden. Let erop dat dit alleen voor bepaalde typen deuren geldt. Meestal staat de leverancier en het typenummer op de dranger. Het is dus relatief eenvoudig om te achterhalen op welk type deur een dranger is getest en of dat overéénkomt met de aangetroffen deur.



    Deurautomaten
    Deuren met deurautomaten hebben geen loopslot. Dan zou de deur namelijk niet automatisch open kunnen. Bij brand moet de deur dus op een andere manier worden gefixeerd. Dat kan met een druk opbouwend profiel, of met temperatuurafhankelijke sluitpennen, maar ook met de deurautomaat zelf. Deurautomaten op brandwerende deuren moeten ‘fail safe’ worden geschakeld. Dat wil zeggen dat ze bij stroomuitval of bij een signaal van de brandmeldinstallatie fungeren als dranger en dus automatisch sluiten. Sommige deurautomaten kunnen een deur gedurende een bepaalde tijd onder brandomstandigheden gesloten houden. Ook hier geldt weer het devies: merk en typenummer staan erop. Bellen met de leverancier geeft uitsluitsel omtrent toepassingsvoorwaarden en prestaties.


    ACHTERGROND INFORMATIE

    Brandwerende constructies moeten proefondervindelijk worden getest. In Nederland gebeurt dat conform de norm NEN 6069. Rookwerende constructies worden in Nederland getest volgens de norm NEN 6075. Zonder een test kan van een brandwerende puiconstructie niet onomstotelijk worden gesteld of de pui zal voldoen of niet. Wanneer in een bestaande situatie een test niet uitvoerbaar of billijk is, kan op grond van de genoemde normen wel een vrij redelijk inzicht worden verkregen in de criteria waar een constructie aan moet voldoen. Het is dan op grond van kennis van brandwerende constructies mogelijk een inschatting te maken, maar niet meer dan dat. Het blijft een inschatting. Bij het testen van puiconstructies wordt een combinatie van elementen getest. Een bepaald kozijn, bepaalde afmetingen, een bepaalde deur, een bepaalde glassoort, een bepaald type glaslatten, bepaald hang- en sluitwerk. Wanneer één van deze onderdelen ‘in het werk’ anders wordt gekozen dan in de testopstelling kan dat betekenen dat de constructie niet voldoet. Het blijft dus raadzaam goed te letten op het samenstel der delen.

    AANDACHTSPUNTEN

    Bij het inspecteren van brandwerende bouwconstructies door overheden is van belang in redelijkheid en billijkheid te handelen. Het is onredelijk ineens certificaten te verlangen voor constructies die jaren geleden zijn vergund. Verder is het zo dat de bewijslast voor het ondeugdelijk zijn van een constructie bij het bevoegd gezag rust. Een overheid kan dus niet stellen dat een constructie niet voldoet omdat geen certificaat aanwezig is, maar zal op grond van goede argumenten aannemelijk moeten maken dat er iets mis is. Dit infoblad probeert daarvoor een handreiking te zijn. Omgekeerd is het ook niet zo dat wanneer aan de voorwaarden in dit infoblad wordt voldaan dat het dan ‘goed’ is. Met andere woorden: de overheid ‘moet’ het goedkeuren. Eén en ander moet in overleg met het bevoegd gezag worden vastgesteld. Wel is het zo dat dit infoblad een aantal aandachtspunten geeft op grond waarvan voor veel standaardconstructies een inschatting kan worden gemaakt. Bij speciale constructies is het raadzaam een notified body in te schakelen.

    OVERIGE INFORMATIE

    SBR, prettig kennis te maken.