Infoblad 330 - Isolatie- en ventilatie-eisen voor berging of garage

Aan de hand van het Bouwbesluit vaststellen welke eisen voor de thermische isolatie en ventilatie van een garage of berging gelden.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Vijf stappen

Om dit probleem op te lossen moeten vijf stappen worden gezet, die weer zijn onder te verdelen in twee fasen.

Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 4)

  • Bepaal de relevante afdeling van het Bouwbesluit.
  • Bepaal de relevante paragrafen.
  • Bepaal de relevante gebruiksfunctie.
  • Bepaal met de tabel in de afdelingen de relevante voorschriften.
  • Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 5)

  • Aan de hand van twee voorbeeldsituaties worden de voorschriften uitgelegd.
  • Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 4)

    1. Bepaal de relevante afdeling van het Bouwbesluit
    De voorschriften voor de thermische isolatie staan in afdeling 5.1 ‘Thermische isolatie’ van Bouwbesluit 2003. De voorschriften voor de ventilatie staan in afdeling 3.10 ‘Luchtverversing van een verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte’ van Bouwbesluit 2003.

    2. Bepaal de relevante paragrafen
    Afdeling 5.1 ‘Thermische isolatie’ bevat alleen eisen voor nieuwbouw. Deze afdeling is niet onderverdeeld in paragrafen. Afdeling 3.10 ‘Luchtverversing van een verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte’ bevat paragraaf 3.10.1 voor nieuwbouw en paragraaf 3.10.2 voor bestaande bouw. In het vervolg wordt alleen ingegaan op de nieuwbouw-voorschriften.

    3. Bepaal de relevante gebruiksfunctie
    Bij de bepaling van de gebruiksfunctie is maatgevend of er sprake is van een ‘garage’ of een ‘berging’. Zowel een garage als een berging moet in beginsel worden aangemerkt als ‘overige gebruiksfunctie’. In diverse beoordelingsaspecten zijn de ‘overige gebruiksfuncties’ echter nader gespecificeerd. Zo wordt een garage in tabel 3.46.1 van afdeling 3.10 van Bouwbesluit 2003 aangeduid als een ‘overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen’.

    4. Bepaal met de tabel in de afdelingen de relevante voorschriften
    Tabel 5.1 van afdeling 5.1 ‘Thermische isolatie’ bevat de artikelen 5.2 t/m 5.7. Artikelen 5.2 t/m 5.5 betreffen de inhoudelijke voorschriften, artikel 5.6 geeft voorschriften voor verbouw en artikel 5.7 voor tijdelijke bouw. Om te bepalen welke eisen voor thermische isolatie gelden zijn artikelen 5.2 t/m 5.5 van belang.
    In afdeling 3.10 van Bouwbesluit 2003 zijn twee tabellen opgenomen: tabel 3.46.1 en 3.46.2. Over deze twee tabellen zijn de artikelen 3.46 t/m 3.53 verdeeld. Voor het bepalen van de ventilatiecapaciteit is artikel 3.48 van belang.

    Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 2)

    5. Aan de hand van twee voorbeeldsituaties worden de voorschriften uitgelegd

    Voorbeeld 1

    Omschrijving situatie
    Naast een woning is een berging gelegen (zie foto 1). Deze berging is rechtstreeks bereikbaar vanuit de woning.

    Foto 1. Woning met berging.

    Uitwerking ventilatie
    De eisen voor de ventilatiecapaciteit zijn opgenomen in artikel 3.48, eerste lid, van Bouwbesluit 2003. Deze ventilatie-capaciteiten zijn afhankelijk van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied en verblijfsruimte in een gebruiksfunctie. In een ‘overige gebruiksfunctie’ is per definitie een verblijfsgebied en een verblijfsruimte gelegen. Hiervoor gelden volgens artikel 3.48, eerste en tweede lid en dus Tabel 3.46.1 van Bouwbesluit 2003, echter geen ventilatie-eisen.

    Uitwerking thermische isolatie
    In tabel 5.1 van afdeling 5.1 ‘Thermische isolatie’ zijn voor een ‘overige gebruiksfunctie’ geen eisen aangestuurd. In artikel 5.1, derde lid is bepaald dat dit betekent dat deze ‘overige gebruiksfunctie’ (dak, gevels en vloer) niet behoeft te worden geïsoleerd.
    Een berging als ‘overige gebruiksfunctie’ ligt altijd buiten de thermische schil van de woonfunctie. De scheidingsconstructie tussen de woning en de berging moet volgens artikel 5.2, derde lid, van Bouwbesluit 2003 daarom worden geïsoleerd. Dit artikel luidt als volgt:

    ‘Een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, en een ruimte die niet wordt verwarmd of die wordt verwarmd voor uitsluitend een ander doel dan het verblijven van mensen, heeft een volgens NEN 1068 bepaalde warmteweerstand van ten minste 2,5 m2.K/W.’

    De Rc-waarde van de wand tussen de woning en de berging moet in beginsel minimaal 2,5 m2.K/W bedragen. Om aan deze eis te voldoen mag wel de equivalente warmteweerstand als bedoeld in NEN 1068 worden aangehouden. Dit houdt in dat het positief effect van de aangrenzende bergruimte mag worden meegenomen bij de bepaling van de Rc-waarde. Dit kan in de praktijk betekenen dat tussen de woning en de berging kan worden volstaan met een beperktere isolatie-dikte.

    Voor ramen, kozijnen en deuren tussen de woning en de berging geldt artikel 5.3, eerste lid, van Bouwbesluit 2003. Dit artikel luidt als volgt:

    ‘In afwijking van artikel 5.2, hebben ramen, deuren, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructie-onderdelen, gelegen in een scheidingsconstructie als bedoeld in dat artikel, een volgens NEN 1068 bepaalde warmtedoorgangscoefficient van ten hoogste 4,2 W/m2.K.’

    Dit stelt eisen aan de kwaliteit van de toe te passen deur tussen de woning en de berging. Dit kan niet zonder meer elke willekeurige binnendeur zijn, maar deze deur moet ‘buitendeurkwaliteit’ hebben.
    Ligt een berging fysiek binnen de woning, dan ligt het meer voor de hand om deze als ‘onbenoemde ruimte’ van de woonfunctie aan te merken. In dat geval ligt de berging wel binnen de thermische schil en behoeft de inwendige scheidingsconstructie tussen de ruimten binnen de woning en deze berging niet te worden geïsoleerd. Dit kan niet als daardoor niet meer wordt voldaan aan de eis dat ten minste 55% van de gebruiksoppervlakte van een woonfunctie in één of meer verblijfsgebieden moet liggen (artikel 4.21, lid 5).

    In de praktijk komt het ook voor dat de gehele berging wordt geïsoleerd, zelfs een eventuele aanwezige sectionaldeur. In dat geval kan ook worden overwogen om de berging als ‘onbenoemde ruimte’ van de woonfunctie aan te merken, zodat tussen de woning en deze ‘onbenoemde ruimte’ geen isolatie behoeft te worden aangebracht. De berging is op deze wijze onderdeel van de woonfunctie geworden.

    Voorbeeld 2

    Omschrijving situatie
    Naast een woning is een garage gelegen (zie foto 2). Deze garage is rechtstreeks bereikbaar vanuit de woning en heeft zelf ook een sectionaldeur.

    Foto 2. Woning met garage.

    Uitwerking ventilatie
    De eisen voor de ventilatiecapaciteit zijn opgenomen in artikel 3.48, eerste en tweede lid, van Bouwbesluit 2003. Deze ventilatie-capaciteiten zijn afhankelijk van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied en verblijfsruimte in een gebruiksfunctie. In een ‘overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen’ is per definitie een verblijfsgebied en een verblijfsruimte gelegen.
    Volgens artikel 3.48, eerste lid, en tabel 3.46.1 geldt voor een verblijfsgebied van een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen een minimale ventilatiecapaciteit van 3,0 dm3/s per m2 vloeroppervlakte aan verblijfsgebied. Stel dat de garage een verblijfsgebiedoppervlakte van 20 m2 heeft, dan is de minimaal vereiste ventilatiecapaciteit 3,0 x 20 = 60 dm3/s.

    Uitwerking thermische isolatie
    Voor de uitleg van de geldende Rc-waarde tussen de woning en de garage wordt verwezen naar voorbeeld 1. Tussen de woonfunctie en de garage geldt een Rc-waarde van minimaal 2,5 m2.K/W. Aangezien de garage moet worden geventileerd met een ventilatiecapaciteit van minimaal 3,0 dm3/s per m2 is de garage volgens artikel 3.1.3 van NEN 5128 een ‘sterk geventileerde ruimte’ die volgens artikel 5.3.2.2 van NEN 5128 altijd buiten de thermische schil moet liggen. Het feit dat de garage een sterk geventileerde ruimte is betekent ook dat de scheidingsconstructie tussen de garage en de woning moet worden beschouwd als een buitenwand. Voor deze scheidingsconstructie mag niet mag worden gerekend met een equivalente warmteweerstand.

    De definitie van een sterk geventileerde ruimte luidt volgens artikel 3.1.3 van NEN 5128 als volgt:

    ‘Een met buitenlucht via niet-afsluitbare ventilatieopeningen geventileerde ruimte met een ventilatiecapaciteit, bepaald volgens 5.3 van NEN 1087, van ten minste 3,0 dm3/s per m2 gebruiksoppervlakte van die ruimte.’

    Discussies omtrent ruimtebenaming
    In de praktijk komt het nog wel eens voor dat er discussie ontstaat tussen bouw- en woningtoezicht en de aanvrager van een bouwvergunning over de juiste ruimtebenaming van een ‘berging’ of ‘garage’ volgens de bouwbesluit-terminologie. De vraag die dan gesteld kan worden is of een gemeente de functieaanduiding van ‘overige gebruiksfunctie’ (berging) dwingend kan laten wijzigen in ‘overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen’ (stallingsruimte/garage). Dit als zij vinden dat dit kennelijk uit de tekening blijkt, doordat een overheaddeur op tekening is aangegeven.

    Uitgangspunt is dat de aanvrager van een bouwvergunning de indeling in gebruiksfuncties bepaalt. Op basis hiervan zal een gemeente moeten beoordelen of aan de eisen die gelden voor de betreffende gebruiksfunctie wordt voldaan. Het gegeven dat op tekening een overheaddeur is aangegeven is hierbij in principe niet van belang.

    Het is echter niet logisch om de betreffende ruimte niet te benoemen als ‘overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen’ indien bij de indiening van de bouwaanvraag reeds bekend is dat de betreffende ruimte mede bestemd is voor het stallen van motorvoertuigen. Het latere gebruik van de ruimte komt dan niet overeen met hetgeen in de bouwvergunning is aangehouden. In het kader van de handhaving kan de gemeente toetsen of wordt voldaan aan de eisen die gelden voor bestaande gebouwen. Indien de ruimte toch wordt gebruikt als 'overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen' zal de gemeente toetsen of aan de voorschriften wordt voldaan die gelden voor een dergelijke gebruiksfunctie. Voor de bestaande 'overige gebruiksfuncties voor het stallen van motorvoertuigen' gelden dezelfde eisen inzake ventilatie, waardoor in het kader van de handhaving alsnog kan worden afgedwongen aanpassingen aan te brengen.

    Bestemmingsplan
    Hierbij is wel van belang dat in het bestemmingsplan kan zijn aangegeven dat op het desbetreffende deel van het perceel alleen een garage of garage in combinatie met een berging mag worden gebouwd. In dat geval kan de gemeente terecht verlangen dat de ruimte moet worden aangemerkt als een ‘overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen’. Dit geldt ook als het gaat om een procedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de ruimtelijke ordening.

    Het is wel van belang om een koper vooraf duidelijk te informeren over de mogelijkheden van de 'berging'. Indien op tekening een overheaddeur is aangegeven zal naar de koper de verwachting worden gewekt dat sprake is van een garage en dat hierin een auto kan worden gestald. Indien deze garage niet voldoet aan de eisen die gelden voor een 'overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen', moet rekening worden gehouden met vragen van de koper die een langdurige discussie op kunnen leveren. Bij een eventuele arbitrale uitspraak wordt niet uitgesloten dat de koper in het gelijk gesteld wordt.

    ACHTERGROND

    In diverse woningontwerpen wordt naast of onder de woning een garage of berging gerealiseerd, al dan niet rechtstreeks bereikbaar vanuit die woning. Zie bijvoorbeeld een situatie als bij foto 1. In dit informatieblad wordt ingegaan op de juiste benaming van een garage of berging volgens Bouwbesluit 2003. Verder wordt ingegaan op de geldende eisen voor isolatie en ventilatie en de noodzakelijke voorzieningen om aan die eisen te voldoen.

    AANDACHTSPUNTEN

    De ventilatiecapaciteit van een ‘overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen’ wordt bepaald overeenkomstig paragraaf 5.3 van NEN 1087. Hieruit volgt de netto-oppervlakte aan ventilatieopeningen die noodzakelijk is om de vereiste ventilatiecapaciteit te kunnen realiseren. Dit kunnen bijvoorbeeld openingen zijn in de garagedeur of in het dak, of een (niet-afsluitbaar) ventilatierooster. Ventilatievoorzieningen voor een ‘overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen’ mogen volgens artikel 3.50, derde lid, van Bouwbesluit 2003, niet afsluitbaar zijn.

    OVERIGE INFORMATIE

    SBR, prettig kennis te maken.