Infoblad 345 - Kinderopvang en brandveiligheid

Aan de hand van Bouwbesluit 2003 een concreet te bouwen kinderopvanggebouw toetsen aan de brandveiligheidsvoorschriften.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Uitwerking voorbeeldproject

Omschrijving project
Het te beoordelen nieuwbouwplan is weergegeven in figuur 1. Het betreft een éénlaags gebouw met een gebruiksoppervlakte van 500 m2. Het gebouw bestaat uit vier speelruimten, vier slaapruimten, een kantoor voor de administratie en een aantal overige ruimten, zoals toiletruimten, ruimten voor een aanrecht, berging, CV-ruimte en een meterruimte. Het gebouw heeft één hoofdentree ter plaatse van de verkeersruimte. Verder heeft iedere speelruimte een aparte uitgang. Het gebouw is bestemd voor dagopvang van kinderen jonger dan 4 jaar.

Figuur 1: plattegrond kinderopvanggebouw

Uitgangspunten

Indeling in gebruiksfuncties en gebruiksoppervlakte
De volgende indeling in gebruiksfuncties is aangehouden:

Ruimten Gebruiksfunctie Gebruiksoppervlakte
Kantoor Kantoorfunctie 20 m2
Overige ruimten Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang 480 m2

Aantal personen
Volgens artikel 5 van de ‘Beleidsregels kwaliteit kinderopvang’ moet in een groepsruimte voor dagopvang per kind een bruto-oppervlakte van minimaal 3,5 m2 beschikbaar zijn. Uitgaande van een volgens die Beleidsregels maximale groepsgrootte van 16 kinderen betekent dit dat een groepsruimte minimaal 16 x 3,5 = 56 m2 moet zijn. De groepsruimten in het voorbeeld zijn 70 m2. De oppervlakte is dus voldoende groot.
Het aantal beroepskrachten is volgens de ‘Beleidsregels kwaliteit kinderopvang’ afhankelijk van het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen. Uitgaande van een groep van 16 kinderen van 0 t/m 3 jaar waarvan maximaal 8 kinderen van 0 of 1 jaar, zijn minimaal 4 beroepskrachten nodig. In het voorbeeld in dit infoblad wordt er verder vanuit gegaan dat er maximaal 4 bezoekers (ouders) per groep aanwezig kunnen zijn. Dit betekent dus een totaal van 16 kinderen + 4 beroepskrachten + 4 ouders = 24 personen per groep.


Indeling in verblijfsgebieden
De indeling in verblijfsgebieden is aangegeven in figuur 2. De volgende indeling in verblijfsgebieden is aangehouden:

Verblijfsgebied Ruimten Oppervlakte Aantal personen
1 Speelruimte en slaapruimte 1 + slaapruimte 1 90 m2 24
2 Speelruimte 2 + slaapruimte 2 90 m2 24
3 Speelruimte 1 + slaapruimte 3 90 m2 24
4 Speelruimte 4 + slaapruimte 4 90 m2 24
5 Kantoor 20 m2 1


Figuur 2: indeling in verblijfsgebieden


Bezettingsgraadklasse

Gebruiksoppervlakte bijeenkomstfunctie voor kinderopvang:

  • De totale gebruiksoppervlakte van de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang = 480 m2. Het aantal personen hierin bedraagt 96. Dit betekent dat per persoon 480/96 = 5,0 m2 gebruiksoppervlakte per persoon beschikbaar is. Volgens tabel 1 van Bouwbesluit 2003 valt dit binnen bezettingsgraadklasse B2 (> 2 - = 5 m2 per persoon).

Gebruiksoppervlakte kantoorfunctie:

  • De totale gebruiksoppervlakte van de kantoorfunctie = 20 m2. Het aantal personen hierin bedraagt 1. Dit betekent dat per persoon 20/1 = 20 m2 gebruiksoppervlakte per persoon beschikbaar is. Volgens tabel 1 van Bouwbesluit 2003 valt dit binnen bezettingsgraadklasse B4 (> 12 - = 30 m2 per persoon).

Verblijfsgebied 1 t/m 4:

  • Verblijfsgebied 1 t/m 4: de vloeroppervlakte van verblijfsgebied 1 t/m 4 = 90 m2. Het aantal personen per verblijfsgebied bedraagt 24. Dit betekent dat per persoon 90/24 = 3,75 m2 vloeroppervlakte aan verblijfsgebied beschikbaar is. Volgens tabel 1 van Bouwbesluit 2003 valt dit binnen bezettingsgraadklasse B3 (> 3,3 - = 8 m2 per persoon). De slaapruimte en de speelruimte zijn aparte verblijfsruimten. In deze verblijfsruimten afzonderlijk is sprake van bezettingsgraadklasse B2:
    • Slaapruimte: 20 m2 / 10 personen (8 kinderen + 2 beroepskrachten) = 2,0 m2 per persoon (=bezettingsgraadklasse B2)
    • Speelruimte: 70 m2 / 24 personen (in de speelruimte kunnen immers alle personen van de slaapruimte en speelruimte tegelijk aanwezig zijn) = 3,0 m2 per persoon (=bezettingsgraadklasse B2).
  • Volgens artikel 4.29 van Bouwbesluit 2003 geldt voor een verblijfsruimte dezelfde bezettingsgraadklasse als voor het verblijfsgebied waarin deze ligt. In de beoordeling is daarom voor verblijfsgebied 1 t/m 4 uitgegaan van bezettingsgraadklasse B2.

Verblijfsgebied 5:

  • Verblijfsgebied 5: de vloeroppervlakte van verblijfsgebied 5 = 20 m2. Het aantal personen bedraagt 1. Dit betekent dat per persoon 20/1 = 20 m2 vloeroppervlakte aan verblijfsgebied beschikbaar is. Volgens tabel 1 van Bouwbesluit 2003 valt dit binnen bezettingsgraadklasse B4 (> 8 - = 20 m2 per persoon).

Beoordeling van de brandveiligheid volgens Bouwbesluit 2003

Indeling in brandcompartimenten (afdeling 2.13)

Het gehele gebouw kan worden aangemerkt als één brandcompartiment. Hierin mogen zowel de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang als de kantoorfunctie liggen. De gebruiksoppervlakte van het brandcompartiment is < 1.000 m2. De nominale belasting van het stooktoestel in de CV-ruimte is < 130 kW en behoeft dus ook niet als apart brandcompartiment te worden aangemerkt. Op basis van de indeling in brandcompartimenten gelden er binnen het gebouw geen wbdbo-eisen. Afhankelijk van de afstand tot de perceelsgrens, moet nog wel worden beoordeeld of er geen brandoverslag kan plaatsvinden naar een spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Dit kan bij een steenachtig gebouw mogelijk toepassing van brandwerend glas in de gevel(s) betekenen.

Indeling in subbrandcompartimenten (afdeling 2.14)

Eisen
In tabel 2.115 van afdeling 2.14 ‘Verdere beperking van uitbreiding van brand’ zijn voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voorschriften aangewezen. In de tabel wordt daarbij onderscheid gemaakt in een ‘gedeelte voor slapen’ en een ‘ander gedeelte’. De gedeelten die bestemd zijn om te slapen moeten in een subbrandcompartiment liggen. In dit subbrandcompartiment mogen ook andere ruimten liggen, zoals een ruimte om te spelen en sanitaire ruimten. In infoblad 333 is al aangegeven dat voor een subbrandcompartiment de volgende specifieke eisen gelden;

  • gebruiksoppervlakte mag maximaal 200 m2 zijn, en;
  • maximaal 40 personen per subbrandcompartiment toegestaan (inclusief bezoekers!).

De wbdbo-eis tussen een subbrandcompartiment en een andere ruimte binnen het brandcompartiment bedraagt volgens artikel 2.118, eerste lid minimaal 30 minuten. Deuren in een brandwerende inwendige scheidingsconstructie moeten zelfsluitend worden uitgevoerd.

Figuur 3: indeling in sub- en rookcompartimenten

Indeling in subbrandcompartimenten
In figuur 3 is de indeling in subbrandcompartimenten en zijn de geldende wbdbo-eisen aangegeven. Het gebouw heeft een gebruiksoppervlakte van 500 m2 en is bestemd voor 97 personen. Dit betekent dat niet het gehele gebouw als één subbrandcompartiment kan worden aangemerkt, maar dat het gebouw in meerdere subbrandcompartimenten moeten worden ingedeeld. Het gebouw wordt als volgt in subbrandcompartimenten ingedeeld:

  • Subbrandcompartiment 1: speel- en slaapruimte 1 incl. keuken en sanitaire ruimte. De gebruiksoppervlakte is 110 m2; het aantal personen 24.
  • Subbrandcompartiment 2: speel- en slaapruimte 2. De gebruiksoppervlakte is 90 m2; het aantal personen 24.
  • Subbrandcompartiment 3: speel- en slaapruimte 3 incl. keuken en sanitaire ruimte. De gebruiksoppervlakte is 110 m2; het aantal personen 24.
  • Subbrandcompartiment 4: speel- en slaapruimte 4. De gebruiksoppervlakte is 90 m2; het aantal personen 24.

De brandwerendheid van de scheidingsconstructies tussen de subbrandcompartimenten onderling en tussen de subbrandcompartimenten en overige ruimten in het gebouw moet minimaal 30 minuten bedragen. Deuren die zich bevinden in deze scheidingsconstructies moeten zelfsluitend worden uitgevoerd. De brandwerende scheidingsconstructies en zelfsluitende deuren zijn in figuur 3 aangegeven.

Indeling in rookcompartimenten (afdeling 2.16)
Volgens artikel 2.135, eerste lid, van Bouwbesluit 2003 moet een brandcompartiment worden ingedeeld in één of meerdere rookcompartimenten. Volgens tabel 2.134 en artikel 2.136, eerste lid, moet een subbrandcompartiment in een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang tevens een rookcompartiment zijn. Dit betekent dat de subbrandcompartimenten in het gebouw ook worden aangemerkt als ‘rookcompartiment’ (rookcompartiment 1 t/m 4). De overige ruimten (kantoorfunctie, verkeersruimte, toiletruimten, bergruimte en CV-ruimten) zijn eveneens een apart rookcompartiment (rookcompartiment 5).
Voor de indeling in rookcompartimenten is de loopafstand tussen een punt in een verblijfsgebied en een toegang van het rookcompartiment waarin dat verblijfsgebied ligt van belang. Bij bezettingsgraadklasse B2 mag deze loopafstand maximaal 30 meter zijn, waarbij de loopafstand binnen een verblijfsgebied met 1,5 moet worden vermenigvuldigd. Met de gegeven indeling in rookcompartimenten wordt hieraan ruimschoots voldaan.
Tussen de rookcompartimenten onderling geldt een WRD-eis van 30 minuten. De scheidingsconstructies die rookwerend moeten worden uitgevoerd zijn al brandwerend uitgevoerd op basis van de eisen van afdeling 2.14. Daarom behoeven op basis van de indeling in rookcompartimenten geen extra voorzieningen te worden getroffen.

Vluchten binnen een rookcompartiment en een subbrandcompartiment (afdeling 2.17)

Vrije doorgang toegangen (artikel 2.146, achtste lid en artikel 2.148, derde lid)

  • Volgens artikel 2.146, achtste lid, van Bouwbesluit 2003 moet de vrije doorgang van een verblijfsgebied van 90 m2 met bezettingsgraadklasse B2 minimaal 90 x 5,5 = 495 mm (met een minimum van 850 mm) zijn. Hieraan wordt ruimschoots voldaan.
  • Volgens artikel 2.148, derde lid, van Bouwbesluit 2003 moet de vrije doorgang van een rookcompartiment met een gebruiksoppervlakte van 110 m2 met bezettingsgraadklasse B2 minimaal 110 x 3,7 = 407 mm (met een minimum van 850 mm) zijn. Hieraan wordt ruimschoots voldaan.
    Op de toegang van het gebouw is aan vloeroppervlakte aan rookcompartimenten aangewezen:
    - bezettingsgraadklasse B2: 2 x 55 m² (½ x rookcompartiment 1 en 3) = 110 m² (de andere helft van de beide rookcompartimenten is op de deuren aangewezen die in de buitengevel zijn aangebracht); en
    - bezettingsgraadklasse B2: 2 x 45 m² (½ x rookcompartiment 2 en 4) = 90 m² (de andere helft van deze rookcompartimenten is op de deuren aangewezen die in de buitengevel zijn aangebracht); en
    - bezettingsgraadklasse B3 (lager is niet toegestaan): 20 m² (kantoor) + 80 m² (hal) = 100 m².
    De vrije doorgang van de toegang moet derhalve (110 + 90) x 3,7 + 100 x 1,5 = 890 mm zijn. Er wordt een dubbele toegangsdeur toegepast met een totale vrije doorgang van 1,7 m (2 x 0,85 m).

Draairichting toegangsdeuren (artikel 2.146, negende lid en artikel 2.148, vierde lid)

  • De verblijfsgebieden en rookcompartimenten in het gebouw hebben meerdere toegangen die niet tegen de vluchtrichting indraaien. Aan de eisen wordt derhalve voldaan.

Vluchten vanaf de toegang van een verblijfsruimte (artikel 2.146, twaalfde lid)
Vanuit de slaapruimten moet eerst door de speelruimte worden gevlucht alvorens een toegang van het rookcompartiment kan worden bereikt. Dit is volgens artikel 2.146, twaalfde lid, onderdeel c en het veertiende lid van artikel 2.146 echter toegestaan aangezien:

  • De verblijfsruimte waardoor wordt gevlucht (speelruimte) ten minste twee toegangen heeft. Beide toegangen zijn toegangen van het rookcompartiment en voldoen daarmee aan artikel 2.146, twaalfde lid, onderdeel a.
  • De afstand tussen de twee toegangen in de speelruimte minimaal 5 meter is; daarmee wordt voldaan aan artikel 2.146, veertiende lid.

Vluchtroutes (afdeling 2.18)
Alle rookcompartimenten in het gebouw voldoen aan artikel 2.156, tweede lid;

  • Elk rookcompartiment heeft minimaal twee toegangen ter plaatse waarvan ten minste één rookvrije vluchtroute begint (artikel 2.156, tweede lid).

Beperking van de ontwikkeling van brand (afdeling 2.12)
Volgens tabel 2.91 en artikel 2.92 van Bouwbesluit 2003 moeten de constructie-onderdelen in een rookvrije vluchtroute van een ‘bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar’ voldoen aan brandvoortplantingsklasse 2 (wanden en plafonds) en klasse T1 (vloeren). Dit geldt in dit gebouw voor de materialen die worden toegepast in de verkeersruimte. Hiermee moet bij de materiaalkeuze rekening worden gehouden.
Aandachtspunt is dat op grond van artikel 2, zesde lid, van bijlage 4 van de MBV deze eisen ook gelden voor de toe te passen bekleding, stoffering en versiering.

Beperking van het ontstaan van rook (afdeling 2.15)
Volgens artikel 2.126, tweede lid, van Bouwbesluit 2003 mogen de constructie-onderdelen in een rookvrije vluchtroute van een ‘bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar’ een rookproductie van maximaal 2,2 m-1 veroorzaken (ervan uitgaande dat de constructie-onderdelen voldoen aan brandvoortplantingsklasse 2). Dit geldt in dit gebouw voor de materialen die worden toegepast in de verkeersruimte. Hiermee moet bij de materiaalkeuze rekening worden gehouden.
Aandachtspunt is dat op grond van artikel 2, zesde lid, van bijlage 4 van de MBV deze eis ook geldt voor de toe te passen bekleding, stoffering en versiering.

Bestrijding van brand (afdeling 2.21)
Volgens tabel 2.190 en artikel 2.191, derde lid zijn in een ‘bijeenkomstfunctie voor kinderopvang’ altijd brandslanghaspels vereist (ongeacht de gebruiksoppervlakte).

Noodverlichting
Volgens artikel 2.159, derde lid, moet de verlichtingsinstallatie in een rookvrije vluchtroute worden aangesloten op een voorziening voor noodstroom.

Brandveiligheidsvoorzieningen volgens de Model-bouwverordening (11e serie)
Volgens de Model Bouwverordening (incl. de 11e serie wijzigingen) zijn verder nog de volgende brandveiligheidsvoorzieningen vereist:

  • Toepassing van vluchtroute-aanduiding (artikel 2.6.9).
  • Toepassing van een brandmeldinstallatie met volledige bewaking en doormelding naar de brandweer (artikel 2.6.1) alsmede een ontruimingsalarminstallatie (artikel 2.6.5).

ACHTERGROND

Sinds 1 september 2005 zijn er in Bouwbesluit 2003 concrete prestatie-eisen voor kinderopvang opgenomen. Met deze wijziging van Bouwbesluit 2003 is tevens nog duidelijker dat kinderopvang een bijeenkomstfunctie is. Hoewel dit voor 1 september 2005 op basis van de definitie van bijeenkomstfunctie ook al gold, bestond hierover in de markt toch grote onduidelijkheid.
In de praktijk werden er door de brandweer soms allerlei aanvullende eisen gesteld aan de brandcompartimentering en ontvluchtingsmogelijkheden van een kinderopvanggebouw. De branche-organisaties vroegen daarom aandacht voor het probleem van de naar hun oordeel sterk uiteenlopende voorwaarden voor het verlenen van een bouwvergunning voor kinderopvang. Gevolg hiervan was dat de exploitanten regelmatig tot kostbare en naar hun oordeel onnodige bouwkundige aanpassingen werden gedwongen. Voorts bleek dat voor de bedrijfsmatige kinderopvang de bouwtechnische voorschriften voor de bijeenkomstfunctie op een aantal punten te kort schoten (bijvoorbeeld voor ventilatie en daglichttoetreding). De wens om te komen tot adequate landelijk uniforme bouwtechnische voorschriften was daarom groot. Een en ander heeft vervolgens geleid tot het opnemen van specifieke bouwkundige voorschriften voor bedrijfsmatige kinderopvang in Bouwbesluit 2003.
Nu er sinds 1 september 2005 concrete prestatie-eisen, afgestemd op de kinderopvang, in het Bouwbesluit 2003 zijn opgenomen, is duidelijkheid ontstaan. In SBR Infoblad 333 ‘Specifieke eisen voor bijeenkomstfunctie kinderopvang (nieuwbouw)’ is aangegeven welke specifieke eisen gelden voor een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang. In dit informatieblad is een uitgewerkt voorbeeld opgenomen van de beoordeling inzake brandveiligheid van een kinderopvanggebouw.

AANDACHTSPUNTEN

Minimaal één toiletruimte en de meterruimte (C.V.) moet in de tabel met indeling in gebruiksfuncties formeel als ‘gemeenschappelijke ruimte’ worden aangemerkt. Deze gemeenschappelijke ruimten maken onderdeel uit van zowel de kantoorfunctie als de bijeenkomstfunctie. Daarbij moet de gebruiksoppervlakte van deze gemeenschappelijke ruimten naar rato (rechtevenredig) worden verdeeld over beide gebruiksfuncties. Voor dit voorbeeld heeft dit echter geen praktische consequenties en zijn ter vereenvoudiging de gemeenschappelijke ruimten niet specifiek behandeld, en meegenomen in de gebruiksoppervlakte van de bijeenkomstfunctie.

OVERIGE INFORMATIE

  • Toelichting bij Bouwbesluit 2003
  • Praktijkboek Bouwbesluit 2003
SBR, prettig kennis te maken.