Het voorkomen dan wel beperken van koudebruggen in metselwerkondersteuningen. Het aspect 'koudebrug' moet in de ontwerpfase terdege worden meegewogen waar het gaat om de opbouw van de gevel, de keuze van het type gevelondersteuning, en de maatvoering van en bij de metselwerkondersteuning.
Wanneer het detail met een groter oppervlak aan koude buitenlucht grenst dan aan warme binnenlucht, zal door het grotere warmteverlies de binnenoppervlaktetemperatuur lager worden. De keuze voor toepassing van uitkragende vloeren betekent dus dat de koudebrugwerking de nodige aandacht opeist.
De ontwerper kan een keuze maken uit de volgende typen metselwerkondersteuningen:
a. Plaatselijk aangestorte betonbanden
Dit type gevelondersteuning draagt door middel van betonnen nokken de belasting over op de achterliggende constructie. Tussen de nokken wordt (harde) isolatie aangebracht. Het oppervlak waarmee de nok aansluit op de achterliggende constructie dient dan ook zoveel mogelijk te worden beperkt. Er zijn geen standaardregels te geven voor de grootte van dit oppervlak, aangezien de plaats van de ondersteuning en de opbouw van het binnenblad zwaar meewegen.
b. Prefab betonbanden met RVS-verankering
Een stalen verankering is een goed alternatief voor betonnen nokken. Omdat deze verankering in de spouw (buitenmilieu) is opgenomen, is het noodzakelijk het staal in RVS uit te voeren. Tussen de RVS-stekken is isolatie opgenomen. Met dit type ondersteuning is een goede koudebrugonderbreking te realiseren.
c. Metalen profielen (Figuur A)
Steeds vaker worden metalen profielen toegepast. De ankers worden volledig in het metselwerk opgenomen en zijn in een vlakke gevel niet zichtbaar. Er bestaan metalen profielen van verzinkt en gecoat staal en er zijn metalen profielen van RVS. Met metselwerkondersteuningen van RVS is een goede koudebrugonderbreking te realiseren. De warmtegeleidings-
coëfficënt van verzinkt staal is aanzienlijk hoger dan van roestvast staal. De verzinkte profielen zijn wat betreft koudebrugwerking kritisch. Bij deze profielen is het daarom noodzakelijk kunststofuitvulplaatjes te gebruiken in plaats van stalen uitvulplaatjes.
Figuur A Metalen metselwerkondersteuningen. Het is van belang de juiste hart-op-hartafstand tussen de brackets aan te houden. Een kleinere hart-op-hartafstand heeft een negatieve invloed op de f-factor.
De maatvoering heeft een grote invloed op de hygrische kwaliteit van het detail. Daarbij gaat om de maatvoering van de betonnen gevelband, de betonnokbreedte, de hart-op-hartafstand van de betonnokken of brackets, de spouwbreedte en de dikte van het isolatiemateriaal.
Gebruikelijk zijn nokken van 200 mm met een hart-op-hartafstand van 900 à 1000 mm. De eerste nok wordt een halve meter uit de hoek geplaatst. Slanke banden zijn gunstiger dan zware banden. Ook bij metalen metselwerkondersteuningen is de hart-op-hartafstand van belang. Let op de voorgeschreven hart-op-hartafstand tussen de brackets van metalen gevelondersteuningen.
Een kleinere hart-op-hartafstand tussen de brackets heeft een negatieve invloed op de f-factor. De hart-op-hartafstand van brackets van RVS mag kleiner zijn dan die van brackets van verzinkt staal, aangezien de warmtegeleidingscoëfficiënt van RVS aanzienlijk lager is dan die van verzinkt staal.
Het risico van een koudebrug is in hoge mate aanwezig bij metselwerkondersteuningen. De binnen-oppervlakte-temperatuurfactor (f-factor) van funderingen, die de thermische kwaliteit van een constructie aangeeft en daarmee ook de kans op de vorming van allergenen als gevolg van een koudebrug, moet volgens het Bouwbesluit minstens 0,65 zijn voor gebouwen met een woonfunctie, en minstens 0,50 voor andere in het Bouwbesluit genoemde functies. De variabelen, van invloed op de f-factor van betonnen of stalen metselwerk-ondersteuningen, zijn opbouw van de gevel, type gevelondersteuning en maatvoering.