Aan de hand van het Bouwbesluit vaststellen of de afmetingen van iedere trap moet voldoen aan de eisen die Bouwbesluit 2003 stelt aan een trap.
Om het genoemde probleem op te lossen moeten vijf stappen worden gezet. Deze zijn onder te verdelen in twee fasen.
Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 3)
1. Relevante afdeling (van het Bouwbesluit) opzoeken.
2. Relevante paragrafen (van de afdelingen) selecteren.
3. Aan de hand van de tabellen in de paragrafen de relevante voorschriften selecteren.
Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 4 en 5)
4. Aan de hand van de geselecteerde voorschriften (stap 3) vaststellen wanneer de eisen voor een trap van toepassing zijn.
5. Toelichting van stap 5 door middel van drie voorbeelden.
Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 3)
1. Relevante afdeling (van het Bouwbesluit) opzoeken
De voorschriften voor de overbrugging van hoogteverschillen zijn in afdeling 2.4 van het Bouwbesluit opgenomen. De voorschriften voor een trap staan in afdeling 2.5 van het Bouwbesluit.
2.Relevante paragrafen (van de afdelingen) selecteren
Gaat het om nieuwbouw of bestaande bouw? In het vervolg wordt ingegaan op de voorschriften die gelden voor trappen in nieuw te bouwen bouwwerken. Een bouwwerk geen gebouw zijnde wordt verder buiten beschouwing gelaten.
Afdeling 2.4: ‘Overbrugging van hoogteverschillen’ is onderverdeeld in twee paragrafen: paragraaf 2.4.1 bevat de nieuwbouwvoorschriften; paragraaf 2.4.2 bevat de voorschriften voor bestaande bouw.
Afdeling 2.5 ‘Trap’ bevat eveneens twee paragrafen: paragraaf 2.5.1 bevat de nieuwbouwvoorschriften; paragraaf 2.5.2. bevat de voorschriften voor bestaande bouw. In het vervolg wordt uitgegaan van paragraaf 2.5.1.
3. Aan de hand van de tabellen in de paragrafen de relevante voorschriften selecteren
Paragraaf 2.4.1 (nieuwbouw) van afdeling 2.4: ‘Overbrugging van hoogteverschillen’ bevat de artikelen 2.23 en 2.24. Artikel 2.24 bevat de aanwezigheidseis voor een vaste trap voor het overbruggen van bepaalde hoogteverschillen. Paragraaf 2.5.1 (nieuwbouw) van afdeling 2.5 ‘Trap’ bevat de artikelen 2.27 t/m 2.32. Artikel 2.28 bevat de afmetingseisen voor een trap.
Twintrap van Trappenfabriek Hoograven BV en VIOS Houttechniek.
Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 4 en 5)
De voorschriften (artikel 2.24 en artikel 2.28) zijn nu in drie stappen gevonden. Vervolgens moeten deze voorschriften worden toegepast om te bepalen of elke trap moet voldoen aan kolom A of B van tabel 2.28a of 2.28b van Bouwbesluit 2003.
4. Aan de hand van de geselecteerde voorschriften (stap 3) vaststellen wanneer de eisen voor een trap van toepassing zijn
De eisen die gelden voor trappen zijn niet zonder meer voor elke trap van toepassing. In artikel 2.28 t/m 2.32 wordt telkens terugverwezen naar ‘een trap als bedoeld in artikel 2.24’. Dit betekent dat de eisen voor een trap in artikel 2.28 t/m 2.32 slechts van toepassing zijn indien de betreffende trap volgens artikel 2.24 is vereist.
Artikel 2.24, eerste lid luidt als volgt:
‘Een hoogteverschil tussen vloeren van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten en vloeren op een verkeersroute die deze ruimten verbindt of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein, dat groter is dan 0,21 m wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan.’
5. Toelichting van stap 4 door middel van drie voorbeelden
In de praktijk blijkt toch vaak onduidelijkheid te bestaan over de vraag in welke situaties een trap wel of niet moet voldoen aan kolom A of B van tabel 2.28a of tabel 2.28b. Ter toelichting een aantal uitgewerkte voorbeelden:
Trap naar een zolderverdieping in een woning
Als bij nieuwbouw een deel van de zolderverdieping wordt aangemerkt als verblijfsgebied van de woonfunctie, dan is er sprake van een hoogteverschil tussen een verblijfsgebied en de vloer op een verkeersroute (overloop) van de onderliggende bouwlaag. Volgens artikel 2.24 lid 1 moet dit hoogteverschil worden overbrugd door een vaste trap. Volgens artikel 2.28, eerste lid, moet deze trap afmetingen hebben die voldoen aan tabel 2.28a, kolom A.
In veel gevallen heeft de zolderverdieping echter beperkte afmetingen (bijvoorbeeld een beperkte hoogte), zodat er geen verblijfsgebied is te realiseren. De zolderverdieping kan dan worden aangemerkt als ‘onbenoemde ruimte’ van de woonfunctie. Er is dan sprake van een hoogteverschil tussen een onbenoemde ruimte en de vloer op een verkeersroute (overloop) van de onderliggende bouwlaag. Op deze ruimte is het bepaalde in artikel 2.24 niet van toepassing en behoeft dit hoogteverschil niet te worden overbrugd door een vaste trap. Daarom mag dit hoogteverschil ook worden overbrugd door bijvoorbeeld een vlizo-trap.
Extra trap in een split-levelwoning
De voorbeeldsituatie betreft een woning waarbij in de woonkamer (verblijfsgebied) een hoogteverschil aanwezig is van 1,2 meter. Dit hoogteverschil is aanwezig over een lengte van 5 meter en wordt aan weerszijden overbrugd door een trap met een breedte van 0,8 meter. De vraag is of beide trappen moeten voldoen aan kolom A of B van tabel 2.28a van Bouwbesluit 2003.
Beide trappen moeten in dat geval in beginsel voldoen aan kolom A van tabel 2.28a. Dit vloeit voort uit het feit dat alleen voor een noodtrap in artikel 2.28 elfde lid expliciet is aangegeven dat mag worden volstaan met een steilere trap. Zie ook het volgende voorbeeld.
De extra trap mag alleen als een trap worden uitgevoerd die voldoet aan kolom A van tabel 2.28a als 'gelijkwaardige oplossing' (zie ook casus 2.14 van de werkgroep geliojkwaardigheid).
Twee vluchttrappenhuizen aan weerszijden van een galerij van een woongebouw
Vaak blijkt onduidelijk of een extra vluchttrappenhuis moet voldoen aan kolom A of B van tabel 2.28a van Bouwbesluit 2003.
De ontsluiting van een woongebouw moet doorgaans plaatsvinden door een trap die voldoet aan kolom B van tabel 2.28a van Bouwbesluit 2003. Met de wijzigingen die op 1 september 2005 van kracht zijn geworden, is echter aan artikel 2.28 een nieuw lid toegevoegd dat van toepassing is voor alle gebruiksfuncties en dat als volgt luidt:
‘In afwijking van het eerste tot en met derde, zesde en negende lid, heeft een noodtrap afmetingen die voldoen aan tabel 2.28b, kolom A.’
Ook het begrip ‘noodtrap’ is een nieuw begrip. De definitie van dit begrip is toegevoegd in artikel 1.1 van Bouwbesluit 2003 en luidt als volgt:
‘Een trap die uitsluitend is bestemd om het bouwwerk te ontvluchten.’
Hieruit kan worden geconcludeerd dat een noodtrap voor zowel woonfuncties als niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties altijd moet voldoen aan kolom A van tabel 2.28b. Met deze aanvulling is ook duidelijk dat bij het overbruggen van een hoogteverschil waarvoor een trap (of hellingbaan) is vereist, elke vaste trap moet voldoen aan de voor die gebruiksfunctie geldende minimum eisen. Zie hiervoor ook het vorige voorbeeld.
Bij hoogteverschillen tussen vloeren of tussen een vloer en het aansluitende terrein, kunnen gebruikers van een bouwwerk letsel oplopen doordat zij zich stoten of vallen. Daarom wordt in het Bouwbesluit voorgeschreven dat, afhankelijk van de ruimten waartussen het hoogteverschil moet worden overbrugd en de grootte van het hoogteverschil, een trap aanwezig moet zijn.
Om te verzekeren dat gebruikers op veilige wijze van een trap gebruik kunnen maken, worden in het Bouwbesluit eisen gesteld aan afmetingen en onderdelen van de trap. De vraag is echter of alle trappen aan deze eisen moeten voldoen.