Infoblad 238 - Ontheffing krijgen van een bouwvoorschrift

Het vaststellen van de mogelijkheden om ontheffing te krijgen van een voorschrift van het Bouwbesluit.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Algemeen

Een ontheffing van een voorschrift van het Bouwbesluit kan worden verleend door:

  • de minister van VROM (Woningwet, art. 7);
  • burgemeester en wethouders (Woningwet, art. 6).
  • Verder geeft het Bouwbesluit aan hoe bij monumenten met de voorschriften in het Bouwbesluit moet worden omgegaan (art. 1.12). Ook deze voorschriften kunnen als een vorm van ontheffing worden gezien.
  • 1. Ontheffing door de minister van VROM
    Artikel 7 van de Woningwet geeft aan dat de minister van VROM op verzoek van de aanvrager van een bouwvergunning in bijzondere gevallen ontheffing kan verlenen van de voorschriften van het Bouwbesluit. Dit betreft ook de nieuwbouwvoorschriften. Bijzondere gevallen zijn bijvoorbeeld het toepassen van experimentele bouwmaterialen of bouwdelen, al of niet in het kader van een innovatieproject. Het doel van de ontheffing is dat met die materialen of bouwdelen in de praktijk kan worden geexperimenteerd. Bij een verzoek tot ontheffing moet een verklaring van burgemeester en wethouders aanwezig zijn waarin staat dat zij de bouwvergunning zullen verlenen indien de gevraagde ontheffing is verleend.

    2. Ontheffing door burgemeester en wethouders
    Het Bouwbesluit geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing van de nieuwbouwvoorschriften bij het verbouwen van een bouwwerk. Deze bevoegdheid ligt verankerd in artikel 6 van de Woningwet. Artikel 1.11 van het Bouwbesluit (zie kader) regelt binnen welke grenzen burgemeester en wethouders ontheffing van een voorschrift kunnen verlenen. Bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of vergroten van een bouwwerk kan ontheffing worden verleend tot het niveau van de voorschriften voor een bestaand bouwwerk. In bepaalde gevallen hebben burgemeester en wethouders die vrijheid niet. Er kan dan sprake zijn van een voorschrift dat het verlenen van ontheffing verbiedt, of van een voorschrift dat aan de ontheffingsmogelijkheid nadere grenzen stelt. Uit artikel 1.11, lid 1 en 2 valt op te maken dat ontheffing kan worden verleend indien:

    • Burgemeester en wethouders van mening zijn dat in redelijkheid niet aan de nieuwbouwvoorschriften kan worden voldaan.
      De beoordeling of bij het verbouwen van een bouwwerk in redelijkheid niet aan de nieuwbouwvoorschriften kan worden voldaan ligt bij burgemeester en wethouders. Afhankelijk van de situatie zal hierover een uitspraak moeten worden gedaan. De reikwijdte van deze bevoegdheid ligt vast in artikel 1.11.
    • Het nieuwbouwniveau zoveel mogelijk is benaderd.
      Voor het verbouwen van een bouwwerk gelden in beginsel de nieuwbouwvoorschriften. De bevoegdheid die burgemeester en wethouders hebben tot het verlenen van ontheffing betekent dat zij, afhankelijk van de situatie, het niveau kunnen bepalen waaraan het verbouwde moet voldoen. Dat niveau moet liggen tussen het niveau dat voor de nieuwbouw geldt en het niveau dat als ondergrens geldt.
    Artikel 1.11, lid 1 Burgemeester en wethouders kunnen bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk ontheffing verlenen van een bij of krachtens dit besluit vastgesteld voorschrift omtrent het bouwen van een bouwwerk tot het niveau van de desbetreffende voorschriften voor een bestaand bouwwerk, tenzij bij het betreffende voorschrift anders is aangegeven.

    Artikel 1.11, lid 2 Burgemeester en wethouders kunnen, voorzover bij of krachtens dit besluit geen voorschrift is vastgesteld omtrent de staat van een bestaand bouwwerk, bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk ontheffing verlenen van een voorschrift omtrent het bouwen van een bouwwerk tot het rechtens verkregen niveau.

    Uitleg ontheffing door burgemeester en wethouders
    Uit artikel 1.11, lid 1 en 2, van het Bouwbesluit volgt een stappenplan om te bepalen of ontheffing kan worden verleend: Stap 1: Ga na of er voldaan wordt aan het niveau voor bestaande bouw, voorzover er in het voorschrift geen specifiek niveau is aangegeven. Stap 2: Ga na of een voor het desbetreffende beoordelingsaspect specifiek aangegeven niveau wordt gehaald; Stap 3: Ga na of het vroeger rechtens verkregen niveau wordt gehaald, indien in de voorschriften voor bestaande bouw geen eis is opgenomen en er geen specifiek niveau is aangegeven. Raadpleeg verder de voorbeelden van ontheffing.

    Stap 1
    Wordt er voldaan aan het niveau voor bestaande bouw?
    De meeste beoordelingsaspecten (afdelingen, zoals 'trap', 'vloerafscheiding' en 'verblijfsruimte') zijn onderverdeeld in voorschriften voor nieuwbouw en bestaande bouw. Voor deze beoordelingsaspecten kan bij een verbouwing in beginsel ontheffing worden verleend met als ondergrens het niveau van de voorschriften voor bestaande bouw. Hierop zijn twee uitzonderingen mogelijk:

    • de nieuwbouwvoorschriften van een beoordelingsaspect geven een andere eis aan (zie stap 2);
    • er zijn geen voorschriften gegeven voor bestaande bouw (zie stap 3).

    Stap 2
    Wordt een specifiek aangegeven niveau wel gehaald?
    Bij een aantal beoordelingsaspecten bevat de bijbehorende aansturingstabel voor de nieuwbouwvoorschriften een kolom 'verbouw' met daarin specifieke voorschriften. Deze voorschriften geven aan tot welke grenswaarde bij een verbouwing ontheffing kan worden verleend. Wanneer de aansturingstabel voor de nieuwbouwvoorschriften geen kolom 'verbouw' heeft - en er dus geen specifieke voorschriften voor verbouwing zijn gegeven - —f wanneer het artikellid in de kolom 'verbouw' niet is aangestuurd, dan gelden de voorschriften voor bestaande bouw (zie stap 1). Wanneer er in het geheel geen voorschriften voor bestaande bouw zijn gegeven, dan geldt het vroeger rechtens verkregen niveau (zie stap 3). Bij een aantal voorschriften (bijvoorbeeld omtrent de energieprestatie) is aangegeven dat geen ontheffing mag worden verleend bij het geheel vernieuwen van een bouwwerk. Het gaat dan onder meer om vervangende nieuwbouw. Denk hierbij aan volledige afbraak, gevolgd door nieuwbouw, waarbij de funderingen blijven liggen. In dergelijke gevallen is het niet nodig om anders te handelen dan bij gehele nieuwbouw.

    Stap 3
    Wordt het vroeger rechtens verkregen niveau wel gehaald?
    Bij een aantal beoordelingsaspecten zijn geen voorschriften voor bestaande bouw gegeven en is tevens in de aansturingstabel van de nieuwbouwvoorschriften geen kolom 'verbouw' opgenomen, zodat voor een verbouwing geen specifieke eisen zijn aangegeven. In dat geval hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid ontheffing te verlenen tot het rechtens verkregen niveau. Dat is in principe het niveau dat gold op het moment van de bouwaanvraag van het betreffende bouwwerk. Om dat oude niveau exact te bepalen zijn de geldende voorschriften nodig die toen van kracht waren (meestal zijn die niet te achterhalen). De praktijk is dan vaak dat wordt aangenomen dat aan de oude voorschriften is voldaan wanneer de verbouwing de prestaties van het moment van vóór de verbouw niet verslechteren.

    Voorbeelden van ontheffing
    De volgende drie voorbeelden geven aan wanneer en op welke gronden burgemeester en wethouders een ontheffing kunnen verlenen.

    Voorbeeld 1
    Situatie
    Bij een renovatie van een woningcomplex worden de bestaande houten toegangsdeuren en kozijnen vervangen door kunststof. De oorspronkelijke breedte van de vrije doorgang is 0,7 m. Bij het vervangen is sprake van het gedeeltelijk vernieuwen van een bouwwerk, waarvoor in beginsel de nieuwbouwvoorschriften gelden. Afdeling 4.3 van het Bouwbesluit bevat de eisen voor de vrije doorgang. Hieruit blijkt dat de breedte van de vrije doorgang minimaal 0,85 m moet zijn. De opening van de oorspronkelijke toegangsdeur is echter dermate klein dat ook met de nieuwe deur niet aan deze eis kan worden voldaan. Om wel een vrije doorgang met een breedte van 0,85 m te krijgen, moet de bestaande opening worden vergroot door het bestaande metselwerk aan te passen. Ontheffing mogelijk? Ja. Om te voldoen aan de nieuwbouweisen moet het bestaande metselwerk vergaand worden aangepast. Daarom kunnen burgemeester en wethouders oordelen dat in redelijkheid niet aan de nieuwbouwvoorschriften kan worden voldaan. Om vast te stellen of en tot welk niveau ontheffing kan worden verleend, wordt het beschreven 'stappenplan' doorlopen.

    • Zie Stap 1. In afdeling 4.3 (vrije doorgang) geeft paragraaf 4.3.1 de voorschriften voor nieuwbouw en paragraaf 4.3.2 die voor bestaande bouw. De voorschriften voor bestaande bouw bevatten echter voor een woonfunctie geen voorschriften voor de vrije doorgang. De voorschriften voor bestaande bouw vormen derhalve geen ondergrens;
    • Zie Stap 2. De aansturingstabel voor de nieuwbouwvoorschriften in afdeling 4.3 geeft geen specifieke voorschriften voor een verbouwing;
    • Zie Stap 3. Omdat er geen voorschriften voor bestaande bouw zijn gegeven en er geen specifieke eisen gelden voor verbouw, hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid ontheffing te verlenen tot het vroeger rechtens verkregen niveau. Dit betekent dat moet worden nagegaan welke eisen er golden tijdens de bouwaanvraag van het bestaande bouwwerk. Naar aanleiding hiervan kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen tot dit niveau. Aannemelijk is dat de bestaande breedte van 0,7 m voldoet aan het rechtens verkregen niveau. Burgemeester en wethouders kunnen dus ontheffing verlenen tot een breedte van een vrije doorgang van 0,7 m. Is een vrije doorgang van 0,75 m wel mogelijk zonder aanpassing van het bestaande metselwerk, dan zullen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen tot 0.75 m.

    Voorbeeld 2
    Situatie
    In een bestaande portiekflat worden de trappen vervangen die de woningen ontsluiten. De oorspronkelijke breedte van de trap is 0,7 m en de op- en aantrede zijn 0,2 m. Bij het vervangen van de trap is sprake van het gedeeltelijk vernieuwen van een bouwwerk, waarvoor in beginsel de nieuwbouwvoorschriften gelden. Afdeling 2.5 van het Bouwbesluit bevat de eisen voor een trap. Hieruit blijkt dat de breedte van een trap minimaal 0,8 m moet zijn, de optrede niet groter mag zijn dan 0,185 m en de aantrede ten minste 0,22 mm moet zijn (mits de totale oppervlakte aan verblijfsgebied die op de trap is aangewezen minder is dan 600 m2). Gelet op de bestaande afmetingen van de trap kan niet aan de nieuwbouweisen worden voldaan: er is onvoldoende ruimte aanwezig. Ontheffing mogelijk? Ja. In de gegeven situatie is er onvoldoende ruimte om de te vervangen trap te laten voldoen aan de nieuwbouwvoorschriften. Daarom kunnen burgemeester en wethouders oordelen dat in redelijkheid niet aan de nieuwbouwvoorschriften valt te voldoen. Om vast te stellen of en tot welk niveau ontheffing kan worden verleend, wordt het 'stappenplan' doorlopen.

    • Zie Stap 1. In afdeling 2.5 (trap) geeft paragraaf 2.3.1 de voorschriften voor nieuwbouw en paragraaf 2.3.2 die voor bestaande bouw. In de voorschriften voor bestaande bouw geeft artikel 2.34 en tabel 2.34 aan dat de breedte van de trap minimaal 0,7 m moet zijn, de optrede maximaal 0,22 m en de aantrede minimaal 0,13 m.
    • Zie Stap 2 en stap 3; deze zijn hier niet van toepassing want de aansturingstabel voor nieuwbouw geeft geen eisen voor 'verbouw', zodat er geen sprake is van een specifiek niveau waaraan moet worden voldaan. Derhalve hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid ontheffing te verlenen tot het niveau van bestaande bouw, waardoor de breedte van de nieuwe trap 0,7 m mag zijn en de op- en aantrede 0,2 m.

    Voorbeeld 3
    Situatie
    In een bestaand kantoorgebouw wordt in een wand een deur geplaatst die in geopende toestand over een rookvrije vluchtroute draait. De vrije doorgang van de rookvrije vluchtroute bij een geopende stand van de deur is 0,4 m. Bij het plaatsen van een deur is sprake van het veranderen van een bouwwerk, waarvoor in beginsel de nieuwbouwvoorschriften gelden. Afdeling 2.10 van Bouwbesluit bevat de eisen voor beweegbare constructie-onderdelen. Volgens artikel 2.76, lid 3 moet de vrije doorgang ter plaatse van een constructie-onderdeel dat over een rookvrije vluchtroute draait minimaal 0,6 m zijn bij geopende stand van de deur. Om in geheel geopende stand van de deur toch een vrije doorgang van 0,6 m te krijgen, moet de tegenoverliggende wand 0,2 m worden verplaatst. Dat betekent een vergaande aanpassing van het bestaande gedeelte. Ontheffing mogelijk? Nee. Burgemeester en wethouders mogen geen ontheffing verlenen van de nieuwbouwvoorschriften, zelfs in het geval dat zij van oordeel zijn dat in redelijkheid niet aan de nieuwbouwvoorschriften valt te voldoen. Om vast te stellen of en tot welk niveau ontheffing kan worden verleend, wordt het 'stappenplan' doorlopen.

    • Stap 1. In afdeling 2.10 (beweegbare constructie-onderdelen) geeft paragraaf 2.10.1 de voorschriften voor nieuwbouw en paragraaf 2.10.2 die voor bestaande bouw. De voorschriften voor bestaande bouw geven echter geen voorschriften omtrent de minimale vrije doorgang bij het draaien van een deur over een rookvrije vluchtroute. De voorschriften voor bestaande bouw vormen geen ondergrens.
    • Stap 2. De aansturingstabel voor de nieuwbouwvoorschriften in afdeling 2.10 heeft een kolom 'verbouw', waarmee voor verbouw artikel 2.77 wordt aangestuurd. De inhoud van dit artikel luidt: 'Burgemeester en wethouders verlenen bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk geen ontheffing van artikel 2.76, tweede, derde en vijfde lid.' Bij een geopende stand van de aan te brengen deur is een vrije doorgang van slechts 0,4 m aanwezig. Vereist is een breedte van 0,6 m. Er mag dus geen ontheffing worden verleend. Dit betekent dat de aanvrager de deur niet zo mag uitvoeren, en deze bijvoorbeeld naar binnen draaiend moet uitvoeren of minimaal 0,2 m moet laten terugspringen.
    • Stap 3; deze is hier niet van toepassing.

    3. Ontheffing voor een monument
    Artikel 1.12 van het Bouwbesluit (zie kader) gaat over het verbouwen van een monument. Met dit artikel wordt voorkomen dat bij bouwwerkzaamheden aan een monument de voorschriften van het Bouwbesluit ongewenste effecten hebben op het karakter van het monument. Wanneer de voorschriften in een monumentenvergunning afwijken van de voorschriften van het Bouwbesluit, dan zijn de voorschriften van de monumentenvergunning op dat onderdeel van toepassing en niet die van het Bouwbesluit.

    Artikel 1.12 Indien voor het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een monument als bedoeld in de Monumentenwet 1988 of in een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening, een vergunning ingevolge die wet of verordening is verleend, is, voorzover een aan die vergunning verbonden voorschrift afwijkt van een voorschrift van dit besluit, uitsluitend het aan die vergunning verbonden voorschrift van toepassing.

    ACHTERGROND

    Volgens artikel 4 van de Woningwet zijn de nieuwbouwvoorschriften van het Bouwbesluit van toepassing op alles wat wordt gebouwd en verbouwd. Wanneer een bouwwerk geheel of gedeeltelijk wordt vernieuwd, veranderd of vergroot (hierna aangeduid als 'verbouwing'), zijn de nieuwbouwvoorschriften slechts van toepassing op de verbouwing. Het bestaande gedeelte van het bouwwerk - dat niet wordt verbouwd - moet voldoen aan de voorschriften die het Bouwbesluit geeft voor bestaande bouwwerken.

    Het is mogelijk dat het te verbouwen gedeelte in redelijkheid niet aan de nieuwbouwvoorschriften kan voldoen. In dergelijke gevallen kan ontheffing worden verleend van de nieuwbouwvoorschriften van het Bouwbesluit, mits het nieuwbouwniveau zoveel mogelijk wordt benaderd. In de meeste gevallen verlenen burgemeester en wethouders de ontheffing.

    OVERIGE INFORMATIE

    SBR, prettig kennis te maken.