Bepalen wanneer er op eigen terrein opstelplaatsen moeten worden gemaakt voor brandweervoertuigen en bepalen aan welke eisen deze moeten voldoen.
1. Aantal en plaats opstelplaatsen op eigen terrein
Ligt de brandweertoegang van het gebouw verder dan 40 meter verwijderd van de openbare weg dan is zonder meer een opstelplaats op eigen terrein vereist. Een opstelplaats moet zodanig ten opzichte van het gebouw zijn gesitueerd dat vanaf deze plek bij brand zonder risico kan worden geopereerd. Het aantal en de plaats van opstelplaatsen is afhankelijk van de hoogte en de vorm van het gebouw. Bij kleine, lage gebouwen kan de afstand tussen de opstelplaats en het gebouw groter zijn dan bij grotere gebouwen. Als vuistregel geldt dat de penetratiediepte - de afstand tussen een punt in het gebouw via een toegang naar de opstelplaats voor een blusvoertuig - niet meer dan 60 meter mag bedragen.
Met een hogedrukslang van 60 meter lengte kan bij relatief kleine gebouwen (zoals eengezinswoningen) een binnenaanval worden ingezet. Als de toegang van het gebouw niet meer dan 40 meter vanaf de openbare weg ligt, blijft binnen het gebouw 20 meter slanglengte beschikbaar om de brand te bestrijden. Is er binnen het gebouw meer slanglengte nodig dan moet de opstelplaats dichter bij de toegang worden geplaatst. Blijft desondanks de penetratiediepte vanaf de opstelplaats naar de brandhaard te groot dan kan een droge blusleiding in het gebouw of zelfs op het terrein nodig zijn.
Naast de hoogte kan de vorm van een gebouw van invloed zijn op de situering van opstelplaatsen. Bij een gedeeltelijk of geheel gesloten bouwmassa is het bijvoorbeeld niet waarschijnlijk dat opstelplaatsen op het binnenterrein komen te liggen. Bij brand is het gevaar immers niet denkbeeldig dat de uitweg geblokkeerd raakt.
2. Bereikbaarheid
De bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer – met name ten behoeve brandbestrijding – is in de bouwverordening voorgeschreven. Een verharde verbindingsweg is in het algemeen vereist bij gebouwen waarvan de toegang meer dan 10 meter vanaf de openbare weg ligt (MBV art. 2.5.3 lid 1). De in de MBV aanbevolen maat van 10 meter kan per gemeente verschillen.
De vrije doorgangsbreedte van rijstroken op eigen terrein, die voeren naar een opstelplaats voor brandweervoertuigen, moet volgens de richtlijnen van de brandweer op alle plaatsen van de aanrijroute minimaal 3,5 meter bedragen. Als het een doodlopende route is zonder keerlus dan is een grotere vrije doorgangsbreedte (minimaal 4,0 meter) vereist. Dezelfde maat wordt aangehouden als de rijbaan direct grenst aan buitengevels (smalle straat, poort of onderdoorgang) of voert langs andere vaste obstakels, zoals palen of hekwerken. De minimaal vereiste doorgangshoogte is 4,20 meter. Dezelfde maat moet worden aangehouden voor beweegbare constructie-onderdelen boven een voor motorvoertuigen openstaande weg (Bouwbesluit art. 2.76 lid 1).
Vrije doorgangsmaten.
3. Uitvoering
De plaats die een blusvoertuig inneemt moet in het algemeen een lengte hebben van 10 meter. De breedte wordt meestal op 4 meter gesteld, maar is afhankelijk van het type voertuig. Aan weerszijden van een blusvoertuig moet over de gehele lengte een obstakelvrije strook van minimaal 1 meter aanwezig zijn.
Rijlopers en opstelplaatsen moeten minimaal geschikt zijn voor blusvoertuigen met een massa van 14.600 kg (MBV 1992: art. 2.5.3 lid 2b). De asbelasting waarmee rekening moet worden gehouden is 10.000 kg.
Opstelplaats blusvoertuigen.
4. Droge blusleidingen
Uitgaande van een penetratiediepte van maximaal 60 meter moet vanaf de opstelplaats voor een blusvoertuig een mogelijke brandhaard binnen het gebouw afdoende kunnen worden bestreden. Soms is dit niet mogelijk, bijvoorbeeld vanwege de vloeroppervlakte van het gebouw of de gebouwhoogte. In dat geval kan een droge blusleiding als verbindingselement in het gebouw een manier zijn om een doeltreffende bestrijding van de brand mogelijk te maken. Bij gebouwen waarin een verblijfsgebied ligt dat hoger is dan 20 meter boven het terrein, zijn in ieder geval droge blusleidingen vereist om het water naar hogere verdiepingen aan te voeren (Bouwbesluit art. 2.191 lid 1). De afstand die via trappenhuizen moet worden afgelegd om met blusmaterieel de brandhaard te bereiken is dan te groot, waardoor bovendien de inzettijd onacceptabel lang wordt.
Bij lage gebouwen waarbij afstanden binnen het gebouw groter zijn dan 20 meter, zijn droge blusleidingen niet direct verplicht. Maar het toepassen ervan kan tot een reductie van het aantal benodigde opstelplaatsen leiden. Immers via de droge blusleiding kan dan vanuit één opstelplaats een veel groter deel van het gebouw met één slanglengte worden bereikt. Ook in het geval waarbij een opstelplaats niet binnen 40 meter van de toegang van het gebouw is te realiseren is te overwegen om de afstand door middel van een droge blusleiding op het eigen terrein te overbruggen.
Gebouwen moeten voor de brandweer goed bereikbaar zijn, zodat deze bij calamiteiten snel en doelmatig kan optreden. Meestal wordt uitgegaan van een opkomsttijd van maximaal 8 minuten na melding. Om de gestelde bereikbaarheidstijden te kunnen halen, mogen brandweervoertuigen bij het aanrijden niet worden gehinderd door vaste (bouwkundige) obstakels of geparkeerde auto’s. Om de bereikbaarheid te verzekeren worden eisen gesteld aan het openbare wegennet. Daarnaast kunnen bereikbaarheidseisen gelden op het perceel zelf. Dit is aan de orde als het gebouw, en dan vooral de toegang van het gebouw die gebruikt wordt als aanvalsroute voor hulpverleners (brandweeringang), relatief ver van de openbare weg verwijderd is. Dergelijke eisen worden opgelegd op grond van de gemeentelijke bouwverordening (zie artikel 2.5.3. Model-bouwverordening).
Een langere afstand tussen de openbare weg en de toegang van het gebouw betekent dat de brandweer met een blusvoertuig het terrein op moet kunnen om het gebouw voldoende dicht (< 40 meter) te benaderen voor blusactiviteiten. In dat geval zullen op het eigen terrein één of meerdere opstelplaatsen moeten worden gerealiseerd. Vanaf de opstelplaats moet een koppeling zijn te maken naar een primaire bluswatervoorziening (bijvoorbeeld hydrant) en indien nodig een aansluitpunt naar een droge blusleiding in of buiten het gebouw.