Infoblad 409 - Rookbeheersinginstallaties

Aan welke eisen moeten rookbeheersinginstallaties in een gebouw voldoen?

Automatische rookluiken. Foto: Bovema glas bv.

OPLOSSINGRICHTINGEN

Algemeen
Van toepassing zijnde voorschriften
Het kan nodig zijn om in het kader van de bouwvoorschriften (Bouwbesluit 2003) rookbeheersingsinstallaties toe te passen. De gebruikstechnische eisen voor rookbeheersingsinstallaties staan in artikel 2.3.9. van het Gebruiksbesluit.

Wanneer kan rookbeheer nuttig zijn?
Bij brand in een gebouw zorgt een rookbeheersinginstallatie ervoor dat warme lucht en rook zo snel mogelijk naar buiten worden afgevoerd, of worden geweerd uit bepaalde ruimten, zoals vluchttrappenhuizen. Hierdoor ontstaat meer tijd voor veilig vluchten en heeft de brandweer betere omstandigheden voor het redden van personen en het bestrijden van de brand. In het algemeen onderscheidt men drie soorten rookbeheersinginstallaties:
  • rook- en warmte afvoerinstallaties (RWA-installaties);
  • stuwkrachtventilatie-installaties, en;
  • overdrukinstallaties.
RWA-installatie
Een RWA-installatie bestaat uit een natuurlijk of mechanisch luchtafvoercomponent en luchttoevoercomponent. Deze worden geactiveerd door een brandmeldinstallatie. Afhankelijk van de situatie kunnen één of meer, al dan niet bedienbare, rookschermen worden toegepast.

Stuwkrachtventilatie-installatie
Een stuwkrachtventilatie-installatie wordt vooral toegepast in (ondergrondse) parkeergarages. De sterke stuwkrachtventilatoren zorgen ervoor dat concentraties CO, LPG en NOx (verzamelnaam voor verschillende stikstofoxiden) op een adequate manier worden afgevlakt en dat bij brand rook wordt afgevoerd. Voordeel van stuwkrachtventilatie is dat er geen fysieke brandcompartimentering noodzakelijk is en dat luchtkanalen overbodig zijn.

Overdrukinstallatie
Een overdrukinstallatie is een mechanisch rookbeheersingsysteem, dat door middel van de toevoer van lucht een bepaalde ruimte van een gebouw op een hogere druk brengt dan de rest van het gebouw. Het doel is om te voorkomen dat rook doordringt in die ruimte. Voorbeelden van te beschermen ruimten zijn: trappenhuizen, portalen en liftschachten. Deze oplossing wordt veelvuldig toegepast bij hoogbouw.

Bouwbesluit
In de prestatie-eisen van het Bouwbesluit 2003 wordt de toepassing van rookbeheersing slechts op twee plaatsen voorgeschreven. Artikel 2.169 en artikel 2.186 bepalen dat een niet-besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, een voorziening moet hebben voor afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook. De capaciteit moet zodanig zijn dat die ruimte tijdens brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt voor vluchten en voor het uitvoeren van reddingswerkzaamheden en bluswerkzaamheden. Uit het feit dat deze bepaling van een niet-besloten ruimte spreekt, kan men afleiden dat vaak met alleen natuurlijke ventilatie al aan de eis kan worden voldaan en een rookbeheersinginstallatie niet nodig is.
Binnentuinen, atria en dergelijke, vormen een speciaal geval. Het liefst maakt men deze ruimten, uit oogpunt van comfort, nagenoeg besloten. Als men een atrium echter aanmerkt als besloten ruimte, dan zijn er eisen van het Bouwbesluit van toepassing, die niet van toepassing zijn wanneer de ruimte wordt aangemerkt als niet-besloten ruimte. Denk bijvoorbeeld aan:
  • Artikel 2.104 lid 1: een niet-besloten ruimte hoeft niet in een brandcompartiment te liggen, een besloten ruimte wel.
  • Artikel 2.93 lid 1: aan de beperking van de bijdrage tot brandvoortplanting van deuren, ramen, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructie-onderdelen, worden soms hogere eisen gesteld als ze aan de binnenlucht grenzen, dat wil zeggen in een besloten ruimte liggen.
  • Artikel 1.1 lid 1: een trappenhuis waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert is een veiligheidstrappenhuis als het in de vluchtrichting uitsluitend kan worden bereikt vanuit een niet-besloten ruimte. Dit in combinatie met artikel 2.156 lid 3: rookvrije vluchtroutes mogen in een veiligheidstrappenhuis samenvallen, zodat vanuit de uitgang van bijvoorbeeld een appartement slechts met één rookvrije vluchtroute kan worden volstaan.
De toepassing van rookbeheersinginstallaties is ook bij ‘grote brandcompartimenten’ niet voorgeschreven, maar kan wel nodig zijn om te voldoen aan de functionele eisen van het Bouwbesluit voor grote brandcompartimenten (afdeling 2.22).
Verder kunnen RWA-installaties een rol spelen in ‘gelijkwaardige oplossingen’ zoals bedoeld in artikel 1.5 van het Bouwbesluit of artikel 1.4 van het Gebruiksbesluit. Een RWA-installatie kan bijvoorbeeld langere loopafstanden op vluchtroutes in gebouwen mogelijk maken. Een stuwkrachtventilatie-installatie kan dienen als gelijkwaardige oplossing voor brandcompartimentering van een parkeergarage.

Een overdrukinstallatie kan dienen:
  • als alternatief voor een in artikel 2.135, lid 2, van het Bouwbesluit geëiste rooksluis of voorportaal bij trappenhuizen die hoger dan 50 meter zijn;
  • om te kunnen voldoen aan de brandveiligheidseisen van afdeling 2.23 van het Bouwbesluit;
  • als gelijkwaardige oplossing van een veiligheidstrappenhuis;
  • om een langere verblijfstijd in een trappenhuis te realiseren, zodat voldaan kan worden aan de in artikel 2.173 van het Bouwbesluit geëiste doorstroom- en opvangcapaciteit.
Aan welke eisen moeten rookbeheersinginstallaties voldoen?
Het Bouwbesluit geeft geen prestatie-eisen voor de in artikel 2.169 en artikel 2.186 voorgeschreven voorziening voor rook en warmteafvoer. In de toelichting van het Bouwbesluit 2003 staat overigens het volgende:

Uitgangspunt voor de bepaling van het al dan niet besloten zijn van een ruimte, zijn de condities in die ruimte tijdens een brand. Omdat niet-besloten ruimten waardoor een rookvrije vluchtroute loopt zoals een galerij of een atrium op talloze manieren kunnen worden ontworpen, kan de capaciteit van de benodigde rookafvoer uit deze ruimten niet met een eenduidige prestatie-eis worden bepaald. Een (plaatselijke) ophoping van rook en warmte kan zowel afkomstig zijn van een brand in de beschouwde ruimte zelf als van een brand elders.
Voor de grenscondities waarbij het verblijven in die ruimte nog juist mogelijk is, kunnen op grond van het TNO Bouw rapport 1997-CVB-R0883 als veilige waarden worden aangehouden:
  • de stralingsflux niet groter dan 1 kW/m3;
  • de temperatuur niet hoger dan 45 °C, en;
  • de zichtlengte niet kleiner dan 100 meter.
  • NEN 6093 ‘Brandveiligheid van gebouwen – Beoordelingsmethode voor rook- en warmteafvoerinstallaties’ brengt voor een aantal typen niet-besloten ruimten de condities voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van rook in beeld, waarmee een veilige situatie bij brand kan worden gecreëerd.
    Voor de (traditionele) galerijen met een vlak plafond, niet-afsluitbare openingen in de langsgevel en een galerijdiepte van ten hoogste 1,8 meter, kan met behulp van onderdeel 5.3 van NEN 1087 de capaciteit van de toevoer van verse lucht en de afvoer van rook worden bepaald. Deze capaciteit moet ten minste 100 dm3/s per m3 netto inhoud van die ruimte zijn. Toepassing van deze norm is alleen mogelijk als er langs het plafond van de galerij geen uitstekende rand of andere belemmering aanwezig is, waardoor de rookafvoer stagneert en de hete rook zich aan het plafond van de galerij ophoopt.
    Onder ‘diepte’ wordt hier verstaan de grootste afstand tussen de opening(en) in de langsgevel en de achterliggende scheidingswand, gemeten loodrecht langs de langsgevel.

    Omdat het Bouwbesluit geen eisen geeft voor rookbeheersinginstallaties anders dan hierboven beschreven, bepaalt de gemeente daarvoor welke eisen van toepassing zijn. Daarbij gelden de functionele eisen van het Bouwbesluit met de daaraan gekoppelde prestatie-eisen als referentie voor het beoogde veiligheidsniveau.
    Door het Nederlands Normalisatie-instituut zijn verschillende normbladen gepubliceerd over rookbeheersinginstallaties. Deze zijn niet aangewezen vanuit de bouwregelgeving, maar een gemeente zou ze kunnen gebruiken als uitgangspunt bij het bepalen van de eisen.

    Normbladen:
    • NEN 6092, Eisen en bepalingsmethode voor overdrukinstallaties in trappenhuizen;
    • NEN 6093, Beoordelingsmethode van RWA-installatie;
    • NEN 6098, Rookbeheersing voor mechanisch geventileerde parkeergarages;
    • NPR 6095-1, Richtlijn voor het ontwerpen en installeren van RWA-installaties;
    • NPR 6095-2, Richtlijn voor het ontwerpen en installeren van overdrukinstallaties;
    • NEN-EN 12101, Installaties voor rook- en warmtebeheersing (serie).
    Verder bestaan de volgende publicaties:
    • Brandbeveiligingsinstallaties, NVBR, 2003;
    • SBR-rapport Parkeergarages brandveiligheid en ventilatie;
    • Praktijkrichtlijn (aanvullende) Brandveiligheidseisen op het Bouwbesluit voor mechanisch geventileerde parkeergarages met een gebruiksoppervlakte groter dan 1000 m² (LNB, 2002);
    • NEN 2654-3, Beheer, controle en onderhoud van brandbeveiligingsinstallaties – Deel 3: Rookbeheersing-systemen.
    De publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de NVBR beveelt aan om, voorafgaande aan het ontwerpen van de installatie, de gemeentelijke eisen en uitgangspunten voor de installatie vast te leggen in een Programma van Eisen. Hierbij moet aan de volgende onderwerpen worden gedacht: situering van de installatie, vereiste rookvrije hoogte, positionering van de luchtaanzuiging, sturing, inspectiefrequentie.

    Onderhoud van rookbeheersinginstallaties
    Artikel 2.3.9 van het Gebruiksbesluit eist dat een bij of krachtens de wet voorgeschreven rook- en warmteafvoerinstallatie of ander rookbeheersingssysteem voorzien is van een geldig door burgemeester en wethouders aanvaard document waaruit blijkt dat deze voorziening adequaat functioneert, wordt onderhouden en gecontroleerd.

    ACHTERGROND INFORMATIE

    Een rook- en warmteafvoerinstallatie heeft tot doel om rook en warmte bij een brand uit het bouwwerk af te voeren. Een stuwkrachtventilatie-installatie wordt vooral toegepast in ondergrondse parkeergarages om rook bij brand, maar ook om uitlaatgassen van auto’s op een adequate manier af te voeren. Een overdrukinstallatie voorkomt dat rook doordringt in bijvoorbeeld trappenhuizen.

    AANDACHTSPUNTEN

    Rookbeheersinginstallaties worden regelmatig toegepast in het kader van gelijkwaardige oplossingen en om grote brandcompartimenten mogelijk te maken.

    OVERIGE INFORMATIE

    • Bouwbesluit 2003
    • Gebruiksbesluit (Besluit brandveilig gebruik bouwwerken)
    • Brandbeveiligingsinstallaties, NVBR, 2003
    • Zie de eerder genoemde NEN normen en publicaties uit dit infoblad.
    SBR, prettig kennis te maken.