Infoblad 343 - Samenvallende rookvrije vluchtroutes in een woongebouw

Aan de hand van het Bouwbesluit vaststellen welke eisen gelden voor samenvallende rookvrije vluchtroutes in een woongebouw.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Stappenplan

Stappenplan
Om dit probleem op te lossen moeten vijf stappen worden gezet, die weer zijn onder te verdelen in twee fasen.

Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 4)

  • Bepaal de relevante afdeling van het Bouwbesluit
  • Bepaal de relevante paragrafen
  • Bepaal de relevante gebruiksfunctie
  • Bepaal met de tabel in de afdelingen de relevante voorschriften

  • Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 5)

  • Aan de hand van diverse voorbeeldsituaties uitleggen van de voorschriften
  • Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 4)

  • Bepaal de relevante afdeling van het Bouwbesluit
    De eisen voor rookvrije vluchtroutes in een woongebouw zijn gegeven in afdeling 2.18 ‘Vluchtroutes’ van Bouwbesluit 2003.
  • Bepaal de relevante paragrafen
    Afdeling 2.18 bevat zowel eisen voor nieuwbouw (paragraaf 2.18.1) als voorschriften voor bestaande bouw (paragraaf 2.18.2). In het vervolg wordt alleen ingegaan op de nieuwbouwvoorschriften in paragraaf 2.18.1.
  • Bepaal de relevante gebruiksfunctie
    Een woning in een woongebouw is in tabel 2.153 van paragraaf 2.19.1 aangeduid als ‘andere woonfunctie’.
  • Bepaal met de tabel in de afdelingen de relevante voorschriften
    Tabel 2.153 van paragraaf 2.18.1 ‘Nieuwbouw’ bevat de artikelen 2.154 t/m 2.159. De eisen voor het vluchten vanuit een woning in een woongebouw zijn gegeven in artikel 2.157 leden 1 t/m 6. Voor dit informatieblad zijn leden 1 t/m 5 relevant.
  • Artikel 2.157, eerste lid:
    Ter plaatse van een toegang van een subbrandcompartiment beginnen ten minste twee rookvrije vluchtroutes die behalve bij de toegang nergens samenvallen.

    Artikel 2.157, tweede lid:
    In afwijking van het eerste lid, kan worden volstaan met één rookvrije vluchtroute, indien het subbrandcompartiment meer dan één toegang heeft en ten minste twee van de ter plaatse van die toegangen beginnende rookvrije vluchtroutes nergens samenvallen.

    Artikel 2.157, derde lid:
    In afwijking van het eerste lid, kunnen de twee rookvrije vluchtroutes geheel of gedeeltelijk samenvallen, als het samenvallende gedeelte niet in een trappenhuis ligt en niet aan een ander subbrandcompartiment grenst.

    Artikel 2.157, vierde lid:
    In afwijking van het derde lid, kan het samenvallende gedeelte aan een ander subbrandcompartiment grenzen, indien:
    a) het samenvallende gedeelte aan niet meer dan één ander subbrandcompartiment grenst,
    b) de toegang van het subbrandcompartiment en de toegang van het andere subbrandcopmartiment recht tegenover elkaar liggen en
    c) het samenvallende gedeelte niet langs een beweegbaar constructie-onderdeel voert, tenzij dit deel uitmaakt van de toegang van het andere subbrandcompartiment.

    Artikel 2.157, vijfde lid:
    In afwijking van het derde lid, kan het samenvallende gedeelte in een trappenhuis liggen en aan een ander subbrandcompartiment grenzen, indien:
    a) de totale gebruiksoppervlakte van de woonfuncties die zijn aangewezen op dat trappenhuis niet groter is dan 800 m2, geen vloer van een verblijfsgebied van die woonfuncties hoger ligt dan 12,5 meter boven het meetniveau en geen van de woonfuncties een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 150 m2.
    b) op dat trappenhuis niet meer dan zes woonfuncties zijn aangewezen, waarvan geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 6 meter boven het meetniveau, of
    c) dat trappenhuis een veiligheidstrappenhuis is.

    Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 5)

    5. Aan de hand van een aantal voorbeeldsituaties uitleggen van de voorschriften

    Voorbeeldsituaties

    Situaties die voldoen aan de prestatie-eisen van Bouwbesluit 2003

    Artikel 2.157 lid 1
    Figuur 1 betreft een situatie die rechtstreeks voldoet aan artikel 2.157, eerste lid. Ter plaatse van de toegang van elke woning (=subbrandcompartiment) beginnen twee rookvrije vluchtroutes (links en rechts op de galerij) die nergens samenvallen. De trappenhuizen op de begane grond hebben ieder een eigen uitgang.

    Figuur 1.

    Artikel 2.157 lid 2
    Figuur 2 betreft een situatie die voldoet aan artikel 2.157, tweede lid. De woningen (subbrandcompartimenten) hebben twee uitgangen (aan de voor- en achterzijde) en ter plaatse van elke uitgang begint een rookvrije vluchtroute.

    Figuur 2.

    Artikel 2.157 lid 3
    Figuur 3 betreft een situatie die voldoet aan artikel 2.157, derde lid. Vanaf de toegang van de kopwoning (subbrandcompartiment) tot aan de toegang van het trappenhuis is sprake van samenvallende rookvrije vluchtroutes. Dit is toegestaan aangezien:

    • het samenvallende deel niet aan een ander subbrandcompartiment grenst;
    • het samenvallende deel niet in een trappenhuis ligt.

    Figuur 3.

    Artikel 2.157 lid 4 – voorbeeld a
    Figuur 4a betreft een situatie die voldoet aan artikel 2.157, vierde lid. Ter plaatse van de middelste twee woningen is sprake van samenvallende rookvrije vluchtroutes. Dit is toegestaan aangezien:

    • het samenvallende gedeelte aan niet meer dan één ander subbrandcompartiment grenst (namelijk de woning aan de andere zijde van het ‘doodlopende eind’);
    • de toegang van het subbrandcompartiment en de toegang van het andere subbrandcompartiment recht tegenover elkaar liggen (zie figuur 4a);
    • het samenvallende gedeelte niet langs een beweegbaar constructieonderdeel voert, tenzij dit deel uitmaakt van de toegang van het andere subbrandcompartiment. Het samenvallende deel voert alleen langs de toegang van het subbrandcompartiment aan de andere zijde van het ‘doodlopende eind’ en dat is toegestaan.

    Figuur 4a.

    Artikel 2.157 lid 4 – voorbeeld b
    Figuur 4b betreft een situatie die voldoet aan artikel 2.157, vierde lid. Ter plaatse van woning a en b is sprake van samenvallende rookvrije vluchtroutes. Dit is toegestaan aangezien:

    • het samenvallende gedeelte aan niet meer dan één ander subbrandcompartiment grenst (namelijk de woning aan de andere zijde van het ‘doodlopende eind’);
    • de toegang van woning A en de toegang van woning B recht tegenover elkaar liggen (zie figuur 4B).
    • het samenvallende gedeelte niet langs een beweegbaar constructie-onderdeel voert, tenzij dit deel uitmaakt van de toegang van het andere subbrandcompartiment. Het samenvallende deel voert alleen langs de toegang van het subbrandcompartiment aan de andere zijde van het ‘doodlopende eind’ en dat is toegestaan.

    Figuur 4b.

    Artikel 2.157 lid 5a
    Figuur 5a betreft een situatie die voldoet aan artikel 2.157, vijfde lid, onderdeel a:

    • totale gebruiksoppervlakte van de woonfuncties is < 800 m2;
    • gebruiksoppervlakte per woonfunctie is < 150 m2;
    • hoogste vloer van een verblijfsgebied ligt < 12,5 meter boven het meetniveau.

    Figuur 5a.

    Artikel 2.157 lid 5b
    Figuur 5b betreft een situatie die voldoet aan artikel 2.157, vijfde lid, onderdeel b:

    • er zijn maximaal zes woonfuncties op het trappenhuis aangewezen;
    • de hoogste vloer van een verblijfsgebied ligt op 6 meter boven het meetniveau.

    Figuur 5b.

    Artikel 2.157 lid 5c
    Figuur 5c betreft een situatie die voldoet aan artikel 2.157, vijfde lid, onderdeel c:

    • de samenvallende rookvrije vluchtroutes vallen samen in een veiligheidstrappenhuis.

    Figuur 5c.


    Situaties die niet voldoen aan de prestatie-eisen van Bouwbesluit 2003

    Beoordeling figuur 6
    Figuur 6 betreft een vergelijkbare ontvluchtingsituatie als gegeven in figuur 4. Aan artikel 2.157, vierde lid, onderdeel b, wordt echter niet voldaan aangezien de toegangen van beide subbrandcompartimenten niet recht tegenover elkaar liggen. In deze situatie kan worden overwogen om bij de gemeente een verzoek om beoordeling op basis van gelijkwaardigheid in te dienen. De volgende argumenten zouden ter onderbouwing van dat verzoek kunnen worden aangedragen:

    • Bij een situatie waarbij de woningtoegangsdeuren recht tegenover elkaar liggen (zoals bijvoorbeeld in figuur 4a en 4b) ‘kijkt’ de vluchtende persoon recht in de vlammen van de tegenoverliggende woning en staat de vluchtende persoon midden in de stralingsflux van de tegenoverliggende woning. Het bewustzijn hiervan zou zelfs kunnen leiden tot het niet durven vluchten van de betreffende persoon.
    • In de onderhavige situatie kan de vluchtende persoon uit woning A/B direct ‘rechtdoor’ vluchten. Bij een situatie zoals in figuur 4a en 4b moet een vluchtende persoon vanuit de verkeersruimte in de woning eerst ‘de bocht om’.
    • De deur van woning A zal door de straling uit woning B wel iets anders belast worden dan een situatie zoals in figuur 4a en 4b. In beide gevallen zal de stralingsflux echter dermate hoog zijn dat een persoon hier niet langer dan enkele seconden aan bloot kan worden gesteld. Stel dat de stralingsflux in figuur 4a en 4b op de tegenoverliggende deur 10 kW/m2 is en in figuur 6 15 kW/m2, dan heeft dit voor de ontvluchtingtijd een verwaarloosbaar effect en is dit derhalve geen reden om mee te nemen in de beoordeling van de gelijkwaardige oplossing.
    • Wordt de ontvluchtingsituatie vergeleken met figuur 4b, dan kan worden gesteld dat vluchtveiligheid figuur 6 de voorkeur heeft, ondanks dat figuur 4b rechtstreeks aan de prestatie-eisen voldoet en figuur 6 niet. In figuur 4b moet vanuit woning B zelfs naar woning A worden gevlucht (in de richting van de brand), hetgeen psychologisch zeer ongunstig is.

    Figuur 6.

    Beoordeling figuur 7
    Figuur 7 betreft een vergelijkbare ontvluchtingsituatie als gegeven in figuur 6. Er moet echter over een korte afstand ook langs woning C worden gevlucht. In afwijking van figuur 6 wordt in figuur 7 dan ook niet voldaan aan artikel 2.157, vierde lid, onderdeel a. Het samenvallende gedeelte van woning A grenst immers aan meer dan één subbrandcompartiment, te weten aan subbrandcompartiment B en C. Subbrandcompartiment C heeft in deze situatie totaal geen invloed op de ontvluchting van woning. Er bevinden zich in het gedeelte waar de rookvrije vluchtroutes van de woningen A en B samenvallen geen beweegbare constructieonderdelen in de scheidingsconstructie van woning C. De woningtoegangsdeur van woning C bevindt zich immers voorbij het trappenhuis. Hoewel deze situatie niet rechtstreeks aan de prestatie-eisen voldoet, is figuur 7 niet onveiliger dan figuur 6. In deze situatie kan worden overwogen om bij de gemeente een verzoek om beoordeling op basis van gelijkwaardigheid in te dienen.

    Figuur 7.

    Beoordeling figuur 8
    Figuur 8 betreft portiek-etage-ontsluiting met vier bouwlagen, waar in het verlengde van het trappenhuis twee woningen zijn gesitueerd (woning A en woning B). De totale gebruiksoppervlakte aan woonfuncties is < 800 m2, de gebruiksoppervlakte per woning is < 150 m2 en de hoogste vloer van een verblijfsgebied ligt < 12,5 meter boven het meetniveau. De trap staat in open verbinding met het horizontale gedeelte waaraan woning A en B grenzen.

    In de praktijk kan discussie ontstaan over het begrip ‘trappenhuis’ zoals dat staat in artikel 2.157, vijfde lid, onderdeel a. De definitie van trappenhuis is een ‘verkeersruimte waarin een trap ligt’. Bij een ‘ruime’ interpretatie van het begrip trappenhuis kan worden gesteld dat zowel het horizontale gedeelte (gang ter plaatse van woning A en B) als het verticale gedeelte als onderdeel van het trappenhuis kan worden beschouwd. In dat geval wordt rechtstreeks voldaan aan de prestatie-eis van artikel 2.157, vijfde lid, onderdeel a. Wel kan de vraag worden gesteld welke lengte het horizontale gedeelte nog mag hebben om als ‘trappenhuis’ te kunnen worden beschouwd. Het ligt immers niet binnen een redelijke uitleg om een gang van 10 meter lang waarbij de toegangsdeuren van vier woningen moeten worden gepasseerd, nog als ‘trappenhuis’ aan te merken.

    Bij een ‘enge’ interpretatie van het begrip ‘trappenhuis’ kan onderscheid worden gemaakt in de horizontale en verticale gedeelten van de verkeersruimte. Alleen de trap inclusief de bordessen zijn dan onderdeel van het trappenhuis. De aansluitende verkeersruimten maken bij de enge interpretatie geen onderdeel uit van het trappenhuis. In deze situatie kan worden overwogen om bij de gemeente een verzoek om beoordeling op basis van gelijkwaardigheid in te dienen. De volgende argumenten kunnen daarvoor worden aangedragen:

    • De oplossing betreft een combinatie van twee artikelen. Samenvallende vluchtroutes in een horizontaal gedeelte (artikel 2.157, vierde lid) en samenvallende vluchtroutes in een trappenhuis (artikel 2.157, vijfde lid). De ontsluiting van woning A, B en C voldoet voor wat betreft het horizontale gedeelte aan artikel 2.157, vierde lid (deuren liggen recht tegen over elkaar en woning A en B behoeven in het horizontale gedeelte niet langs de toegang woning C te vluchten; voor het vluchten van woning A en B langs de dichte delen van woning C, zie de uitleg bij figuur 7). Voor de beoordeling van het ‘verticale gedeelte’ wordt voldaan aan artikel 2.157, vijfde lid, onderdeel a.
    • Er hoeft slechts te worden gevlucht langs een beperkt aantal woningtoegangsdeuren. Vanuit woning A op de derde bouwlaag hoeven slechts vijf woningtoegangsdeuren te worden gepasseerd: op bouwlaag 4 langs woning B en C en op bouwlaag 1, 2 en 3 alleen langs woning C. Ter vergelijking: In figuur 5a met een portiekflat die evenveel woningen bevat, moet vanaf de bovenste woning langs negen woningen worden gevlucht .

    Figuur 8.

    ACHTERGRONDINFORMATIE

    Vanaf de toegang van een woning in een woongebouw moet in beginsel in twee richtingen kunnen worden gevlucht. Bouwbesluit 2003 geeft echter een aantal uitzonderingen waarbij slechts in één richting mag worden gevlucht. Er wordt dan gesproken over ‘samenvallende rookvrije vluchtroutes’. Toepassing van de voorschriften over samenvallende rookvrije vluchtroutes van Bouwbesluit 2003 geeft in de praktijk veel aanleiding tot discussies. Met name als het gaat om situaties die net niet binnen de prestatie-eisen van Bouwbesluit 2003 vallen en er moet worden gezocht naar een gelijkwaardige oplossing.

    Een situatie waarbij sprake is van samenvallende rookvrije vluchtroutes die niet geheel voldoet aan de prestatie-eisen van Bouwbesluit 2003 behoeft qua brandveiligheid niet per definitie onveiliger te zijn dan een situatie waarbij wel exact aan de prestatie-eisen wordt voldaan. Sterker nog: er zijn situaties denkbaar waarbij weliswaar niet aan de prestatie-eisen van Bouwbesluit 2003 wordt voldaan, maar waarbij wel sprake is van een brandveiliger situatie in vergelijking met een situatie die wel rechtstreeks aan de prestatie-eis voldoet.

    AANDACHTSPUNTEN

    Er zijn geen bijzondere aandachtspunten.

    OVERIGE INFORMATIE

    SBR, prettig kennis te maken.