Infoblad 231 - Status van een vluchtroute

Het vaststellen van de status van een vluchtroute in een gebouw en de eisen die aan de vluchtroute worden gesteld.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Drie aspecten

Het traject vanaf een willekeurige plaats in een gebouw - via gangen en trappenhuizen of noodtrappen - naar het terrein wordt in zijn geheel aangeduid als vluchtroute. In de tekening is dat het traject tussen de punten A en D. Uitzonderingen zijn gevangenissen en gebouwen voor de gezondheidszorg. Voor deze gebouwen is het eindpunt van de vluchtroute namelijk een veilige plaats binnen het gebouw. Die veilige plaats is dan een ander brandcompartiment.



a) Elke vluchtroute begint in een rookcompartiment en leidt naar één van de toegangen van dat rookcompartiment. Bij woongebouwen leidt elke vluchtroute naar de toegang van de woning.
b) Vervolgens begint een rookvrije vluchtroute naar de toegang van het terrein.
c) Een gedeelte van een rookvrije vluchtroute moet (soms) tevens brandvrij zijn.

a) Vluchtroute binnen een rookcompartiment of woning
Het deel van de vluchtroute in een door brand bedreigd gedeelte van een gebouw (rookcompartiment) naar de dichtstbijzijnde rookwerende scheidingsconstructie heeft geen bijzondere status. Deze vluchtroute leidt meestal naar een deur (tevens toegang) van het rookcompartiment van waaruit wordt gevlucht (utiliteitsgebouwen) óf naar de woningtoegang (woongebouwen). In de tekening is dat het traject A-B. Voor dit gedeelte van de vluchtroute zijn de eisen aan de maximale loopafstand belangrijk. Wanneer er rookontwikkeling optreedt, moet elke gebruiker binnen 30 seconden een uitgang kunnen bereiken. Die uitgang moet in de eerste plaats voldoende rookwerend zijn en in de tweede plaats verder vluchten mogelijk maken. Zo'n uitgang mag dus niet leiden naar bijvoorbeeld een doodlopende gang.

De maximale loopafstand binnen een rookcompartiment (of woning) hangt af van de bezettingsgraadklasse. Voor utiliteitsgebouwen wordt voor de loopafstand maximaal 30 m aangehouden binnen een ingedeelde plattegrond bij een normale bezetting. Daarbij mag een hoogteverschil van maximaal 4 m worden overbrugd (Bouwbesluit, art. 2.136). Wanneer er maar één uitgang aanwezig is, geldt een kortere maximale loopafstand. Binnen een woning bedraagt de loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte (bijvoorbeeld een slaapkamer of een werkkamer) en de toegang van de woning maximaal 15 m.

b) Rookvrije vluchtroute
Wanneer de vluchtroute de eerste (rookwerende) scheidingsconstructie is gepasseerd, begint vanaf dat punt een rookvrije vluchtroute in de richting van het terrein. In principe moeten er vanaf dat punt twee onafhankelijke rookvrije vluchtroutes beschikbaar zijn, maar er zijn uitzonderingen.
Een rookvrije vluchtroute loopt over vloeren en vaste trappen (of hellingbanen) en mag niet zijn geblokkeerd (bijvoorbeeld door een afgesloten deur). In de afbeelding is dat het traject B-D. Het traject van de vluchtroute mag door andere brandcompartimenten en/of rookcompartimenten voeren. De definitie in het Bouwbesluit van een rookvrije vluchtroute (art. 1.1, lid 1) somt de voorwaarden nog eens op: een "van rook gevrijwaarde route die begint bij een toegang van een rookcompartiment of een subbrandcompartiment, uitsluitend voert over vloeren, trappen en hellingbanen en eindigt op een veilige plaats, zonder dat gebruik hoeft te worden gemaakt van een lift."
Om te voorkomen dat er rook ontstaat in een rookvrije vluchtroute moet de afbouw (inrichting) aan bepaalde eisen voldoen met betrekking tot de rookontwikkeling van de toegepaste materialen (Bouwbesluit, art. 2.126, lid 1, 2 en 3).
Een rookvrije vluchtroute moet in principe op elk punt een vrije doorgang verschaffen van minimaal 0,85 m breed en 2,3 m hoog. De breedte-eis geldt niet voor dat deel van een rookvrije vluchtroute dat over een trap voert. (Bouwbesluit, art. 2.167 lid 1). Als deuren de vluchtroute indraaien moet er een breedte van 0,6 m beschikbaar blijven, gemeten naast de deur in geopende stand. (Bouwbesluit art. 2.76 lid 3)

c) Brand- en rookvrije vluchtroute
Een brand- en rookvrije vluchtroute is volgens de definitie in het Bouwbesluit (art. 1.1, lid 1) een "van brand gevrijwaarde rookvrije vluchtroute die uitsluitend door verkeersruimten voert." In de afbeelding is dat het traject C-D. Er zijn in het algemeen twee gevallen waarin een rookvrije vluchtroute de zwaardere status van een brand- en rookvrije vluchtroute moet hebben:

  • binnen een vluchttrappenhuis dat meer dan 8 m hoogteverschil overbrugt;
  • indien er vanuit een (omvangrijk) rookcompartiment slechts in één richting kan worden gevlucht.

Het kenmerk van een brand- en rookvrije vluchtroute is dat deze uitsluitend door verkeersruimten voert, zoals gangen en vluchttrappenhuizen. Bovendien is vereist dat een brand- en rookvrije vluchtroute altijd buiten een brandcompartiment ligt, en dus ook buiten een rookcompartiment. Dit deel van de vluchtroute is daarmee voor een bepaalde tijd gevrijwaard van zowel vuur als rook. Om te voorkomen dat er in een brand- en rookvrije vluchtroute brand uitbreekt, moet de afbouw (inrichting) van de verkeersruimte zelf aan strenge eisen voldoen met betrekking tot de mate van brandvoortplanting (klasse 1 of 2 voor wanden en plafonds en klasse T1 voor vloeren en trappen) en de rookontwikkeling van de toegepaste materialen. De eisen aan de rookontwikkeling zijn hier strenger dan voor een rookvrije vluchtroute.

ACHTERGROND

De bouwvoorschriften zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat gebruikers van een gebouw bij brand - of bij een ander gevaar - naar een veilige plaats in of buiten het gebouw kunnen vluchten. Met het oog op veilig en snel vluchten stelt het Bouwbesluit eisen aan onder meer de maximale loopafstand, de (constructieve) bruikbaarheid van de vluchtroute en aan de rook- en brandwerendheid van de toegepaste materialen. Deze eisen hangen af van de status van de vluchtroute.

Het Bouwbesluit onderscheidt drie typen vluchtroutes met een oplopend niveau van eisen:

  • vluchtroute (binnen een rookcompartiment of een woning; lichtste eis);
  • rookvrije vluchtroute;
  • brand- en rookvrije vluchtroute (zwaarste eis).

De indiener van een bouwplan moet vooraf de status (type) vaststellen van de vluchtroutes in zijn gebouw. Dat is nodig om te weten aan welke eisen elke vluchtroute moet voldoen.

AANDACHTSPUNTEN

  • Herkenbare, snelle en directe vluchtroutes zijn in panieksituaties erg belangrijk. Voorkom dat gebruikers van een gebouw naar een vluchtroute moeten zoeken.
  • Voorkom dat vluchters op hun route worden gedwongen het gebouw weer in te vluchten of dat de vluchtroute direct doorloopt tot in de kelder of de parkeergarage.
  • Een rookvrije vluchtroute moet overal tenminste een vrij profiel hebben van 600 mm 0,85 m breed en 1900 mm 2,3 m hoog, behalve in dat deel dat over een trap voert. Let er bijvoorbeeld op dat er situaties kunnen zijn waarbij deuren van aangrenzende ruimten over de vluchtroute opendraaien. In dat geval moet de vluchtroute minimaal 600 mm breed zijn buiten het draaivlak van deze opendraaiende deuren. Als deuren de vluchtroute indraaien moet er een breedte van 0,6 m beschikbaar blijven, gemeten naast de deur in geopende stand. (Bouwbesluit art. 2.76 lid 3)

OVERIGE INFORMATIE

  • Brandveiligheid: ontwerpen en toetsen; SBR-publicatie 443, 2005.
  • Bouwbesluit 2003, inclusief toelichting.
  • NEN 6065 (Bepaling van de bijdrage tot brandvoortplanting van bouwmateriaal (combinaties)), 1991 + wijzigingsblad A1, 1997.
  • NEN 1775 (Bepaling van de bijdrage tot brandvoortplanting van vloeren), 1991 + wijzigingsblad A1, 1997.
SBR, prettig kennis te maken.