Infoblad 110 - Vaststellen aan welke eisen een toegankelijkheidssector moet voldoen

Aan de hand van het Bouwbesluit vaststellen hoe groot een toegankelijkheidssector in een niet tot bewoning bestemd gebouw moet zijn. Ter oplossing van dit probleem dienen zeven stappen te worden gezet, die kunnen worden onderverdeeld in twee fasen.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 4)

1. De relevante afdeling(en) (van het Bouwbesluit) opzoeken
De voorschriften inzake toegankelijkheidssectoren zijn gegeven in afdeling 4.2 van het Bouwbesluit. Verder zijn nog diverse voorschriften in andere afdelingen gegeven die ook relevant zijn bij het bepalen van de toegankelijkheidssector. Voor de omvang van een toegankelijkheidssector is ook afdeling 4.5 van het Bouwbesluit relevant. De overige voorschriften komen ter informatie in stap 7 aan de orde.

2. De relevante paragraaf (van de afdeling(en)) selecteren
Beantwoord de vraag of het gaat om nieuwbouw dan wel bestaande bouw. Aangezien in afdeling 4.2 (toegankelijkheidssector) en afdeling 4.5 (verblijfsgebieden) geen voorschriften voor bestaande bouw zijn gegeven, zijn deze afdelingen niet onderverdeeld in paragrafen. Van afdeling 4.2 zijn de artikelen 4.3 t/m 4.9 van toepassing. Van afdeling 4.5 is alleen artikel 4.23 van toepassing; hierin zijn de voorschriften met betrekking tot de integraal toegankelijke verblijfsgebieden opgenomen.
Verder kunnen van toepassing zijn: afdeling 4.3. artikel 4.12, afdeling 4.4 artikel 4.18 en afdeling 4.7 artikelen 4.36, 4.37 en 4.38

3. Vaststellen of er sprake is van tijdelijke bouw of verbouw
In de navolgende stappen is ervan uitgegaan dat er sprake is van nieuwbouw en niet van verbouw. Derhalve wordt artikel 4.9 van afdeling 4.2 verder niet behandeld.

4. Aan de hand van de tabel in de paragraaf de relevante (sub-) gebruiksfunctie(s) selecteren
Om te bepalen hoe groot een toegankelijkheidssector moet zijn, dient eerst te worden bepaald of er wel een toegankelijkheidssector is vereist. Voor de in tabel A genoemde niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties kunnen eisen inzake toegankelijkheidssectoren van toepassing zijn:

Tabel A: Gebruiksfuncties waarvoor eisen inzake toegankelijkheidssectoren kunnen gelden.
Gebruiksfunctie
2 a Bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik
b Andere bijeenkomstfunctie
3 b Celfunctie voor dag- en nachtverblijf
4 Gezondheidszorgfunctie
5 b Industriefunctie (niet zijnde een lichte industriefunctie)
6 Kantoorfunctie
7 Logiesfunctie
8 Onderwijsfunctie
9 Sportfunctie
10 Winkelfunctie

Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 5 t/m 8)

Nu de voorschriften (art. 4.4 t/m 4.8 en art. 4.23) in vier stappen zijn gevonden, moeten zij worden toegepast. Als volgt:

5. Voor de (sub-)gebruiksfunctie(s) vaststellen wanneer een toegankelijkheidssector verplicht is
In artikel 4.4 zijn de randvoorwaarden gegeven wanneer een gebouw een toegankelijkheidssector moet hebben. Dit artikel komt erop neer dat de in tabel A [pop-up link] genoemde gebruiksfuncties een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector moeten hebben. Dit geldt echter niet indien de gebruiksoppervlakte van zo'n gebruiksfunctie, vermeerderd met het totaal aan gebruiksoppervlakte van een of meer soortgelijke gebruiksfuncties gelegen op hetzelfde perceel, kleiner is dan de in tabel 4.3 van het Bouwbesluit aangegeven waarde.

Toelichting
Heeft een in tabel A (zie onder Fase A, punt 4) genoemde gebruiksfunctie een kleinere gebruiksoppervlakte dan 400 m2 (bij een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik < 150 m2) - cijfers ontleend aan Tabel 4.3 van het Bouwbesluit - dan hoeft die gebruiksfunctie geen toegankelijkheidssector te hebben. Dit hoeft ook niet als het gebouw waartoe die gebruiksfunctie behoort wel een toegankelijkheidssector moet hebben. De wetgever gaat ervan uit dat in zo'n situatie de burger zijn eigen verantwoordelijkheid neemt en een deel van het verblijfsgebied van een gebruiksfunctie die formeel niet in de toegankelijkheidssector hoeft te liggen, daarin wel zal situeren.
Gaat het twee of meer gebruiksfuncties van dezelfde soort binnen hetzelfde gebouw, dan is de verplichting tot het maken van een toegankelijkheidssector afhankelijk van de totale oppervlakte van deze gebruiksfuncties van dezelfde soort. Stel dat op een perceel (veelal: in hetzelfde gebouw) twee kantoorfuncties (= gebruiksfunctie van dezelfde soort) zijn gelegen met een oppervlakte per kantoorfunctie van 300 m2, dan dienen deze oppervlakten bij elkaar te worden opgeteld. Bij de beoordeling of de kantoorfunctie een toegankelijkheidssector moet hebben, moet dan worden uitgegaan van een gebruiksoppervlakte van 300 + 300 = 600 m2.

6. Voor de (sub-)gebruiksfunctie(s) vaststellen hoe groot de toegankelijkheidssector moet zijn, en welke ruimten zich daarin dienen te bevinden
De voorschriften m.b.t. de omvang van de toegankelijkheidssector en de ruimten die in een toegankelijkheidssector moeten zijn gelegen, zijn verspreid over een aantal artikelen. Het betreft de volgende voorschriften:

  • Voorschriften inzake aanwezigheid van een toegankelijkheidssector (zie stap 5 hierboven): artikel 4.4 lid 3;
  • Voorschriften inzake het percentage aan verblijfsgebied dat in een toegankelijkheidssector moet zijn gelegen: artikel 4.23 lid 2;
  • Voorschriften inzake integraal toegankelijke toiletruimten die in een toegankelijkheidssector moeten zijn gelegen: artikel 4.36 lid 3 t/m 5;
  • Voorschriften inzake integraal toegankelijke badruimten die in een toegankelijkheidssector moeten zijn gelegen: artikel 4.48 lid 6.

Voor elke gebruiksfunctie kunnen deze voorschriften anders uitpakken; tabel B geeft een paar voorbeelden.

Tabel B: Enkele eisen inzake de omvang van toegankelijkheidssectoren.
gebruiksfunctie 1) 2) 3) 4)
6 Kantoorfunctie GO > 400 m2 40 % VG 1:10 -
8 Onderwijsfunctie
- voor speciaal onderwijs
- andere onderwijsfunctie


GO > 400 m2
GO > 400 m2


100 % VG
100 % VG

1:35
1:35

1:20
10 Industriefunctie (geen lichte industriefunctie) GO > 400 m2 40 % VG 1:10 -
1) De aanwezigheid is verplicht bij een bepaalde gebruiksoppervlakte (GO), waarvan de minimumomvang wordt opgegeven in Tabel 4.3 van het Bouwbesluit (toelichting: zie stap 5).
2) Hier is het percentage aan verblijfsgebied (VG) per gebruiksfunctie aangegeven dat in de toegankelijkheidssector moet zijn gelegen.
3) Hier is het aantal toiletruimten aangegeven dat integraal toegankelijk moet zijn. Voor een kantoorfunctie geldt bijvoorbeeld dat 1 toiletruimte per vereiste 10 toiletruimten integraal toegankelijk moet zijn.
4) Hier is het aantal badruimten aangegeven dat integraal toegankelijk moet zijn. Voor een onderwijsfunctie voor speciaal onderwijs geldt bijvoorbeeld dat één badruimte per 20 aanwezige badruimten integraal toegankelijk moet zijn. De aanwezigheid van een badruimte is alleen verplicht als het gaat om een onderwijsfunctie van speciaal bouwkundig onderwijs.

7. Voor de (sub-)gebruiksfunctie(s) vaststellen aan welke overige eisen een toegankelijkheidssector moet voldoen
Indien in een gebouw een toegankelijkheidssector aanwezig moet zijn, gelden daarvoor diverse voorschriften. Voor de vereiste omvang van de toegankelijkheidssector wordt verwezen naar stap 6. Hieronder volgen de aanvullende voorschriften:

  • Voorschriften inzake de ontsluiting en bereikbaarheid van een toegankelijkheidssector en de ontsluiting van in de toegankelijkheidssector gelegen gebruiksfuncties (art. 4.5 lid 2);
  • Voorschriften inzake hoogteverschillen tussen vloeren in de toegankelijkheidssector en tussen vloeren van de toegankelijkheidssector en het aansluitende terrein. Hoogteverschillen > 0,02 m dienen te worden overbrugd door een lift of hellingbaan (art. 4.6 lid 1 en 3 en art. 4.18 lid 2 en 3).
  • Voorschriften inzake afmetingen van een liftkooi. Indien op grond van artikel 4.6 een lift wordt vereist, dient deze afhankelijk van de gebruiksfunctie aan bepaalde afmetingseisen te voldoen (art. 4.7 lid 1).
  • Voorschriften inzake de breedte van een gemeenschappelijke verkeersroute in een niet tot bewoning bestemde gebruiksfunctie (art. 4.12 lid 6).
  • Voorschriften inzake de aanwezigheid van 'draaicirkels' in een gemeenschappelijke verkeersroute van een woongebouw (art. 4.12 lid 3t/m 5).

ACHTERGROND

De in Bouwbesluit 1992 voorgeschreven toegankelijkheidssector (gedeelte van een gebouw dat is bestemd voor gebruik door bezoekers) is vervallen. De in Bouwbesluit 1992 voorgeschreven bijzondere toegankelijkheidssector (gedeelte van toegankelijkheidssector dat integraal toegankelijk is) is in Bouwbesluit 2003 opgenomen als zelfstandige sector, onder de naam 'toegankelijkheidssector'. Deze sector is in Bouwbesluit 2003 niet meer beperkt tot een gedeelte van een gebouw dat is bestemd voor bezoekers. Met deze wijziging is beoogd de mogelijkheid dat iedereen aan het arbeidsproces kan deelnemen niet te belemmeren door bouwkundige omstandigheden.

AANDACHTPUNTEN

Er zijn voor dit onderwerp geen aandachtspunten.

OVERIGE INFORMATIE

SBR, prettig kennis te maken.