Infoblad 237 - Vaststelling van de breedte van een gemeenschappelijke verkeersruimte in een woongebouw

Het bepalen van de minimale breedte van een gemeenschappelijke verkeersruimte in een woongebouw.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Vijf stappen

Ter bepaling van de minimale breedte van een gemeenschappelijke verkeersruimte, moeten de volgende vijf stappen worden gezet.

  • Stap 1: Vind de relevante afdeling(en) van het Bouwbesluit.
  • Stap 2: Vind de relevante paragraaf van de afdeling(en).
  • Stap 3: Vind met de tabel in die paragraaf de relevante (sub)gebruiksfunctie(s).
  • Stap 4: Vind met de tabel in die paragraaf het relevante voorschrift.
  • Stap 5: Bepaal de minimale breedte van de gemeenschappelijke verkeersruimte.

Stap 1
Vind de relevante afdeling(en) van het Bouwbesluit.
De voorschriften voor de afmetingen van verkeersruimten staan in het Bouwbesluit in afdeling 4.3 (vrije doorgang).

Stap 2
Vind de relevante paragraaf van de afdeling(en).
Afdeling 4.3 maakt een onderscheid tussen nieuwbouw (par. 4.3.1) en bestaande bouw (par. 4.3.2). De voorschriften voor bestaande bouw gelden niet voor woongebouwen, maar uitsluitend voor celfuncties in een cellengebouw. In het volgende worden uitsluitend de voorschriften voor nieuwbouw behandeld, waarvoor de artikelen 4.10 t/m 4.13 van belang zijn.

Stap 3
Vind met de tabel in die paragraaf de relevante (sub)gebruiksfunctie(s).
Tabel 4.10 bij artikel 4.10 geeft voor een woonfunctie drie sub-gebruiksfuncties aan. Voor een woongebouw geldt sub-gebruiksfunctie 1a (woonfunctie gelegen in een woongebouw).

Stap 4
Vind met de tabel in die paragraaf het relevante voorschrift.
Uit tabel 4.10 volgt dat voor de vereiste breedte van een verkeersroute (vrije-doorgangsroute) artikel 4.12 van toepassing is en voor sub-gebruiksfunctie 1a in het bijzonder lid 1 t/m 5. De leden 2 t/m 5 gaan over een gemeenschappelijke verkeersruimte.

Stap 5
Bepaal de minimale breedte van de gemeenschappelijke verkeersruimte.
Uit artikel 4.12, lid 2 t/m 5, blijkt dat voor een gemeenschappelijke verkeersruimte verschillende breedte-eisen kunnen gelden. Ter toelichting is de tekst van de eerste vijf leden van dit artikel in een kader weergegeven.

De betreffende artikelen verwijzen alle naar lid 1, omdat dit eerste lid de hoogte bepaalt die een gemeenschappelijke verkeersruimte over de vereiste breedte ten minste moet hebben. Van belang is ook de definitie van het begrip verkeersroute volgens artikel 1, lid 1: route die begint bij een toegang van een ruimte, uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt bij de toegang van een andere ruimte. Uit artikel 4.12 volgt dat een gemeenschappelijke verkeersruimte in een woongebouw, met uitzondering van de toegangen, een breedte van minimaal 1,2 m moet hebben en op een aantal plaatsen een breedte van minimaal 1,5 m.

Artikel 4.12, lid 1
Een verkeersroute die begint bij een toegang als bedoeld in artikel 4.11, heeft over de volle lengte een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,85 m en een hoogte van ten minste de grenswaarde als aangegeven in tabel 4.10 (voor sub-gebruiksfunctie 1a: 2,3 m). De breedte geldt niet voor een verkeersroute voor zover deze over een trap voert.

Artikel 4.12, lid 2
Onverminderd het eerste lid, heeft een gemeenschappelijke verkeersroute over de volle lengte een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,2 m. De breedte geldt niet voor een toegang als bedoeld in artikel 4.11.

Artikel 4.12, lid 3
Onverminderd het tweede lid, ontsluit ten minste een toegang van een woongebouw een gemeenschappelijke verkeersruimte die nabij die toegang, over een lengte van 1,5 m een vrije doorgang heeft met een breedte van ten minste 1,5 m.

Artikel 4.12, lid 4
Onverminderd het tweede lid, sluit een toegang van een lift aan op een gemeenschappelijke verkeersruimte die nabij die toegang, over een lengte van 1,5 m een vrije doorgang heeft met een breedte van ten minste 1,5 m.

Artikel 4.12, lid 5
Onverminderd het tweede lid, heeft een gemeenschappelijke verkeersruimte, over een lengte van 1,5 m een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,5 m. Deze eis geldt niet indien een rolstoelgebruiker vanuit die verkeersruimte zonder te keren het aansluitende terrein kan bereiken.

Toelichting bij artikel 4.12
Lid 1 (breedte van een gemeenschappelijke verkeersroute over een trap)
Lid 1 geeft expliciet aan dat de vereiste breedte van een verkeersroute niet voor een trap geldt. Dit is ook het geval voor de vereiste breedte in lid 2. De eisen voor de breedte van een trap staan in afdeling 2.5.

Lid 2 (uitgangspunt)
Een breedte van 1,2 m vormt het uitgangspunt voor het ontwerpen van een gemeenschappelijke verkeersruimte. Deze breedte is zó groot dat personen elkaar kunnen passeren en dat de verkeersruimte ook voor een rolstoelgebruiker bruikbaar is. Ook biedt deze breedte voldoende mogelijkheid om bijvoorbeeld grote meubelstukken te verplaatsen. Ter plaatse van een toegang mag worden volstaan met een breedte van 0,85 m (art. 4.11, lid 1) en plaatselijk moet een breedte van 1,5 m aanwezig zijn (art. 4.12, lid 3 t/m 5).

Lid 3 (uitzondering voor de toegang van een woongebouw)
Een gemeenschappelijke verkeersroute ter plaatse van de toegang van een woongebouw moet over een lengte van ten minste 1,5 m een breedte hebben van ten minste 1,5 m. Deze eis is bedoeld om rolstoelgebruikers voldoende manoeuvreerruimte te geven om de deur van binnenuit te kunnen openen.

Lid 4 (uitzondering voor de toegang van een lift)
Een lift is specifiek bedoeld voor rolstoelgebruikers. Daarom gelden ter plaatse van de toegang van een lift dezelfde eisen als ter plaatse van de toegang van een woongebouw, zoals aangegeven in lid 3.

Lid 5 (uitzondering aan het einde van een gemeenschappelijke verkeersruimte)
Soms ligt de toegang van een woning aan een gemeenschappelijke verkeersruimte waar zich op een einde wel een trap bevindt, maar geen lift. In dat geval moet een rolstoelgebruiker de gelegenheid hebben om te keren ter plaatse van een toegangsdeur van een woning die aan die verkeersruimte ligt. Om die reden wordt een aanvullende eis gesteld aan de breedte van de gemeenschappelijke verkeersroute. Het is immers denkbaar dat een rolstoelbezoeker alleen aan de deur komt, maar (bijvoorbeeld als collectant) de woning niet ingaat.

Het voorschrift in lid 5 zorgt er voor dat in dat geval een rolstoelgebruiker in voorwaartse richting, via een lift, weer de toegang van het woongebouw kan bereiken. Dit voorschrift geldt ook wanneer een woongebouw nog geen lift heeft! Indien achteraf alsnog een lift wordt aangebracht, dan is er toch voldoende ruimte om te keren.

ACHTERGROND

Toegangen en verkeersroutes in een gebouw moeten een bepaalde minimale vrije doorgang hebben. Denk bijvoorbeeld aan de breedte van een gemeenschappelijke verkeersruimte in een woongebouw. De reden is dat ruimten waardoor verkeersroutes voeren zodanige afmetingen moeten hebben dat de toegankelijkheid (ook voor rolstoelgebruikers) van de daarop aangewezen ruimten wordt gewaarborgd.

Ten opzichte van het Bouwbesluit 1992 is in Bouwbesluit 2003 de minimale breedte van de gemeenschappelijke verkeersruimten van woongebouwen aangescherpt van 1,1 m naar 1,2 m. Dat is gedaan, omdat steeds meer ouderen langer thuis blijven wonen. Ook wordt zo voorkomen dat de gebruiksfunctie voortijdig moet worden aangepast.

AANDACHTSPUNTEN

  • Het komt in de praktijk regelmatig voor dat de toegang van een gemeenschappelijke verkeersruimte plaatselijk niet de vereiste breedte heeft. Denk bijvoorbeeld aan plaatselijke vernauwingen door kolommen. In dat geval wordt niet voldaan aan de prestatie-eis, namelijk de minimaal vereiste breedte van 1,2 m. Praktisch gezien kan een plaatselijke vernauwing worden beschouwd als een toegang, waarvoor een minimale breedte van 0,85 m geldt. Het Bouwbesluit schrijft niet voor dat in een toegang een deur moet zitten.
  • Artikel 4.12 hanteert in lid 1 t/m 5 het begrip vrije doorgang. NEN 2580 definieert dit begrip als: de afstand in horizontale richting tussen de tegenover elkaar gelegen bouwdelen van een opening of doorgang. Bij een deuropening is de kleinste aanwezige opening bij een geopende stand van de deur maatgevend; hierbij moet bijvoorbeeld ook de deurklink worden meegenomen. Hieruit blijkt dat de vrije doorgang niet per definitie de dagmaat tussen de kozijnen is.
  • Een trap die een hoogteverschil tussen twee verdiepingen van een woongebouw overbrugt heeft vaak een tussenbordes. Wanneer het hoogteverschil tussen de verdiepingen minder dan 4 m bedraagt (een trap mag volgens tabel 2.28a een hoogteverschil van maximaal 4 m overbruggen), dan mag een dergelijk tussenbordes worden gezien als een trede van de trap. Het tussenbordes hoeft dan niet te voldoen aan de vereiste breedte van 1,2 m. Bij een hoogteverschil tussen de verdiepingen van 4 m of meer moet een eventueel tussenbordes worden beschouwd als een aansluitende vloer (gemeenschappelijke verkeersruimte), waarvan de breedte wel minimaal 1,2 m moet zijn.

OVERIGE INFORMATIE

Meer informatie
SBR, prettig kennis te maken.