Uitgangspunt voor de oplossingsrichtingen is de kwaliteit van de oplossing. In sommige situaties betekent dat een hogere kwaliteit dan het Bouwbesluit verlangt.
PrincipeOp verzoek van een gebouweigenaar legt de beheerder van een distributienet een aansluitleiding aan tot het aansluitpunt in de meterkast van de woning.

Figuur 1 aansluiting distributienet.
Daarvoor moet de eigenaar een bouwkundige voorziening treffen die het mogelijk maakt de buitenwand van het gebouw te passeren. Dit is het invoerpunt.
Vervolgens moet de leiding in de meterkast uitkomen, waarvoor er een mantelbuis moet zijn. De mantelbuis heeft een haakse bocht (direct naar de meterkast) of is recht en leidt dan naar de meterkast via een invoerput onder de meterkast. De gebouweigenaar moet voor de mantelbuis zorgen. De sterkte van de mantelbuis en de bevestiging aan vloer en wanden moeten net als andere bouwconstructies voldoen aan sterkte-eisen.
Wettelijke eisenHet gebouw moet voldoen aan het Bouwbesluit, dat eist dat in een woning de aansluitpunten voor elektriciteit, gas en drinkwater in de voorgeschreven meterruimte liggen. De meterruimte moet voldoen aan NEN 2768:1998 inclusief wijzigingsblad A1:2001. In de Regeling Bouwbesluit 2003 staan in artikelen 1.3 en 1.6 eisen voor de bouwkundige voorzieningen voor de invoering van aansluitleidingen.
De netbeheerder stelt eisen aan de sterkte van het invoerpunt om te voorkomen dat de aansluitleiding als gevolg van grondzakking kan worden losgetrokken of afscheurt. Op de leiding door de starre fundering en de zakkende omgeving ontstaan grote dwars- en trekkrachten. Er zijn situaties bekend dat als gevolg van deze trekkrachten de aansluitleidingen uit de meterkast zijn getrokken. Voor water en elektriciteit kan dat risico acceptabel zijn, maar voor gasleidingen leidt dit direct tot gevaarlijke situaties.

Figuur 2 Krachtenspel ter plaatse van het invoerpunt.
Bouwkundige oplossingenDe trekkracht kan worden opgenomen door de leidingen op het punt waarop ze de fundering in worden gevoerd te fixeren. Dat betekent dat de trekkrachten die het gevolg zijn van de zakkende grond op die plaats worden overgebracht op de fundering. Het risico van het lostrekken of kapot trekken van de leiding is daarmee tot nul gereduceerd.
Een flexibele lus in de aansluitleiding kan de krachten op het invoerpunt ingeval van zakking van de grond beperken. Om in geval van breuk van de aansluitleiding buiten het gebouw te voorkomen dat gas naar binnen kan stromen, moeten alle aansluitingen gasbelemmerend (nagenoeg gasdicht) worden uitgevoerd.
De mantelbuis wordt doorgaans niet zelf ingestort, maar wordt door een ingestorte doorvoerbuis geleid. De ruimte tussen de doorvoerbuis en de mantelbuis moet worden afgedicht met injectiemortel of met een passende, verlijmde vulbus.

Figuur 3 Mantelbuis met passende vulbus in ingestorte doorvoerbuis.
In bepaalde gevallen, zoals bij renovatie, moet een gat in de funderingsbalk worden geboord. Daarvoor is een speciale doorvoerbuis met gevelpassage in de handel. De ruimte tussen de doorvoerbuis en de funderingsbalk en tussen de doorvoerbuis en de mantelbuis moeten gasbelemmerend worden afgedicht. Eventueel kan de doorvoerbuis achterwege blijven als de ruimte tussen de mantelbuis en de funderingsbalk wordt afgedicht met mortel.

Figuur 4 Mantelbuis in geboord gat zonder doorvoerbuis.
Aansluitleiding
Het is de taak van de netbeheerders om te voorkomen dat de belasting vanuit de zakkende ondergrond te groot wordt. Daarvoor is door de nutsbedrijven in samenwerking met een fabrikant van leidingsystemen een invoerleidingsysteem ontwikkeld en getest dat een bodemdaling van bijna een meter kan overbruggen.

Figuur 5 Flexibele invoerleidingsysteem (HSF).