Het zodanig ontwerpen van vluchtroutes dat niet alleen wordt voldaan aan de minimumeisen in wet- en regelgeving, maar dat ook rekening wordt gehouden met menselijk gedrag.
Het denken en handelen van mensen in feitelijke of veronderstelde gevaarlijke situaties is van zeer grote invloed op het veilig vluchten uit gebouwen. Schematisch wordt in onderstaand voorbeeld een indruk gegeven van belangrijke factoren die het menselijk gedrag in zo'n situatie beïnvloeden.
Het denken en handelen van de mens in gevaarlijke situaties is van grote invloed op het veilig vluchten uit gebouwen.
Gezien het grote aantal variabele factoren in dit schema mag het duidelijk zijn hoe moeilijk het is om te bepalen hoe snel mensen kunnen vluchten. Die snelheid is een zeer belangrijk gegeven voor het treffen van maatregelen.
De acute stress bij een plotseling gevaar leidt tot snel beslissen, waarbij 'de bekende weg' vaak voorrang krijgt. Hiermee wordt tevens de waarde van (ontruimings)oefeningen duidelijk. Ook wordt duidelijk dat de vluchtwegen meteen als zodanig herkenbaar moeten zijn. Het gedrag van anderen wordt eveneens meegenomen in de beslissing. Als iedereen rechtsaf gaat, dan is het logisch om te volgen. Als niemand een bepaalde deur neemt, dan zit die deur waarschijnlijk op slot of hij komt uit in de meterkast.
Paniekgedrag
Hoewel het 'beheerst vluchten' het uitgangspunt van een vluchtplan is, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat het beheerste gedrag in paniekgedrag kan overgaan. Paniek kan in dit verband gedefinieerd worden als een acute angstreactie, gekenmerkt door het verlies aan zelfbeheersing. Dit wordt gevolgd door niet-sociaal en niet-rationeel vluchtgedrag. Mensen in paniek neigen ertoe om blind te doen wat anderen doen. Zo zullen mensen in paniek zich snel uit de voeten willen maken.
Ze gaan duwen en trekken in een poging vooraan te komen. Rond nooduitgangen ontstaan kluwens mensen die door de achteropkomende meute soms letterlijk worden platgedrukt. Alternatieve vluchtwegen worden daardoor over het hoofd gezien en/of iedereen rent de verkeerde kant op.
Het individu of de gehele meute beweegt zich versnellend met een bepaalde massa. Alleen al op grond van de hogere snelheden waarmee men zich voortbeweegt worden opstoppingen veroorzaakt bij trappen en nooduitgangen. Door de opdringende mensenmassa neemt de druk zo sterk toe dat er nog maar druppelsgewijs mensen wegkomen. Zou iedereen kalm blijven, dan zou de snelheid van de groep als geheel veel lager liggen, maar zou de massa gemakkelijker en in veel kortere tijd naar buiten kunnen komen.
Vluchtweg moet opvallen
In noodsituaties kan dat mensenlevens redden. Daarbij is het belangrijk te weten hoe mensen kijken en zich gedragen. Bij het kijken gaat informatie verloren. Bijvoorbeeld omdat onze ogen niet 100% zijn, de afstand te groot is, het licht slecht is of door rook. De verplichte aanduidingen rond vluchtdeuren worden niet beperkt door een verbod op andere aanduidingen. Van opvallende posters vlak naast de verplichte aanduiding wordt niets gezegd. Toch wordt het met zo'n poster een soort zoekplaatje en kan het lang duren eer je de vluchtrouteaanduiding ziet. Te lang voor noodsituaties.
De belangrijkste prestatie-eis in de bouwregelgeving zou - voor wat betreft het veilig kunnen vluchten - moeten zijn dat de vluchtweg direct opvalt. Opvallendheid is toetsbaar, en een basis voor inrichtingsadviezen.
Menselijk gedrag niet in wet- en regelgeving
Het ontbreekt in de wet- en regelgeving nog aan duidelijke documenten waarin het menselijk gedrag bij het vluchten uit gebouwen een belangrijke rol speelt. Ontwerpers, gebouweigenaren en -gebruikers moeten zich in afwachting daarvan niet passief opstellen. Ze moeten zelf aan de slag. Dat wordt zelfs wettelijk aangescherpt. De eigen verantwoordelijkheid van burgers en ondernemers voor gebruik en staat van onderhoud van het gebouw, maar ook voor veiligheid en gezondheid, is de hoeksteen van de aangepaste Woningwet 2005. De Arbowet ging daarin al voor.
Dat betekent het maken en onderhouden van een vluchtplan waarin:
Geen licht, donker, rook: op de tast op zoek naar naar de nooduitgang (IR-opname TNO-TM).
Bij de brand in Volendam hebben van de 300 vluchtenden er slechts tien de twee nooduitgangen gebruikt, terwijl het gedrang bij de gewone uitgang drie doden en vele gewonden kostte. In de wet en regelgeving en aanverwante documenten hanteert men voor veilig vluchten bij brand een ‘vluchtmodel’ en een ‘brandmodel’. Het zijn handmatig of per computer uit te voeren rekenmodellen (instroom-, doorstroom-, uitstroom-, opvangcapaciteit, achterwaartse opstuwing, etc.) met aannames voor loopsnelheden op vloe-ren en trappen. Voortreffelijke rekenkundige modellen, maar voor wat betreft het menselijk gedrag gaat men niet verder dan de opmerking dat ‘wanneer een toenemend aantal mensen gebruik maakt van een vluchtweg, deze elkaar kunnen gaan hinderen’.
Ook moet kritisch worden gekeken naar aannames zoals ‘De start van het vluchten is 2 minuten na het ontdekken van de brand’ en ‘Binnen enige minuten na het ontdekken van de brand is de bedrijfshulpver-leningsorganisatie effectief en wordt het vluchten begeleid. Hierdoor wordt het ontvluchten 100% effectief, inclusief het gebruik van alle nooduitgangen’. Onderzoek geeft aan dat genoemde reactietijd en het effect van de hulpverlening nogal eens anders uitpakken. Vluchtende mensen blijken vaak heel wat lang-zamer op gang te komen dan wordt verondersteld en lopen soms een heel andere kant uit dan wordt aan-genomen. Het lijkt dus bij het veilig vluchten uit gebouwen vooral om menselijk gedrag te gaan. Dat laat zich niet direct gemakkelijk bijsturen door wet- en regelgeving.
Veiligheidsbewustzijn
Menselijk gedrag
Toetsbare opvallendheid vluchtroutes
Beperking letselrisico in vluchtroutes
Nieuwe ontwikkelingen, inzichten en nieuwe vragen