Wat zijn in de wet- en regelgeving de algemene uitgangspunten voor het ontwerp van een in de praktijk goed bruikbaar vluchtplan?
Een grondige oriëntatie op het gebied van:
a) Relevante wet- en regelgeving
b) Concept voor ontruiming
c) Bouwbesluit
d) Gebruiksvergunning
e) Arbowet
a) Relevante wet- en regelgeving
Voor het ontwerpen en instandhouden van brandveilige gebouwen zijn van belang: het ‘Concept voor ontruiming’ (b) ontleend aan de ‘Brandbeveiligingsconcepten’ van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties BZK (directie Brandweer). Het zijn geen documenten waarin regelgeving is opgenomen, maar ze geven inzicht in een integrale benadering van de brandveiligheid. Voorts is een aantal wetten van belang zoals: Brandweerwet, Wet Milieubeheer, Arbowet en Woningwet. Met name de Woningwet en het daarmee samenhangende Bouwbesluit (c) en de Gebruiksvergunning (d) zijn van direct belang voor de minimum-eisen voor het veilig kunnen vluchten uit gebouwen. Maar ook de Arbowet (e) speelt bij dit onderwerp een belangrijke rol.
b) Concept voor ontruiming
Een gebouw is veilig te ontruimen, indien aan de volgende criteria is voldaan:
Om te bepalen of in een gebouw aan deze criteria is te voldoen, zijn van belang:
De benodigde tijd wordt bepaald door de volgende factoren:
Het voorgaande is ontleend aan de ‘Brandbeveiligingsconcepten’ van het ministerie van BZK (directie Brandweer). Wanneer specifieke regelgeving ontbreekt of niet toepasbaar is kunnen deze documenten een goed hulpmiddel zijn bij het beoordelen van gelijkwaardige oplossingen. De berekening van de opvang- en doorstroomcapaciteit van trappenhuizen is onderdeel van de wettelijke regelgeving.
c) Bouwbesluit
Vluchtverloop
Mensen in een gebouw moeten zo snel mogelijk buiten de rook van een brand kunnen komen. De aanname is dat niet langer dan 30 seconden door rook mag worden gevlucht. Om dit te bereiken moet er voldoende vluchtcapaciteit zijn en de vluchtafstanden niet te lang. De voorschriften van het Bouwbesluit 2003 zijn gebaseerd op een vluchttijd van maximaal 1 minuut. Dit is de tijd die nodig is als het vluchten direct op gang komt en de capaciteit volledig wordt benut. In werkelijkheid gaat daar nog een starttijd aan vooraf; de tijd die nodig is om het vluchten volledig op gang te laten komen. In Bouwbesluit 2003 zijn de maximale loopafstanden binnen een rookcompartiment zo gekozen dat bij een maximale bezetting minder tijd nodig is om een toegang van een rookcompartiment te kunnen bereiken, dan nodig is om de toegang van het rookcompartiment te passeren. Dit houdt in dat niet de loopafstanden, maar de totale breedte van de toegangen maatgevend zijn voor de vluchttijd.
Bereiken van een veilige plaats
De tijd die nodig is om via een vluchtroute een veilige plaats te bereiken, wordt bepaald door:
Veilige plaats
Voldoen aan Bouwbesluit 2003
Om te bepalen of de vluchtroutes van een bouwwerk voldoen aan Bouwbesluit 2003, moet worden nagegaan of:
Twee vluchtroutes
Als algemene regel geldt dat ten minste twee voldoende veilige rookvrije vluchtroutes aanwezig moeten zijn:
Afhankelijk van de veiligheid van de ruimte waardoor een dergelijke route voert, het aantal mensen dat daarop is aangewezen en de vluchttijd, is het acceptabel dat beide rookvrije vluchtroutes samen mogen vallen. Met samenvallen wordt in feite bedoeld dat met één vluchtroute mag worden volstaan. Een veiligheidstrappenhuis wordt dusdanig veilig geacht dat ervan wordt uitgegaan dat in zo'n trappenhuis beide vluchtroutes altijd samen mogen vallen.
Loopafstand
Bouwbesluit 2003 schrijft voor dat binnen een rookcompartiment geen grotere loopafstanden zijn toegestaan dan in voor nieuwbouw en bestaande bouw gehanteerde tabellen.
Breedte van toegangen
Een rookvrije vluchtroute moet ten minste een vrije doorgang hebben, bij:
Draairichting deuren
Een deur van een toegang van een rookcompartiment van een niet tot bewoning bestemde gebruiksfunctie en van een in dat rookcompartiment gelegen verblijfsgebied of verblijfsruimte mag niet tegen de vluchtrichting indraaien.
Nooddeur
Als gevolg van de afstemming van bouw- en arbo-regelgeving is in het Bouwbesluit een nieuwe definitie opgenomen: ‘nooddeur: een deur die uitsluitend is bestemd om het bouwwerk te ontvluchten’. Het gaat hierbij om een die deur alleen bedoeld is voor calamiteiten en niet voor regulier gebruik. De toepassing van een schuifdeur als nooddeur is niet toegestaan.
Onafhankelijke vluchtroutes
Tussen twee rookvrije vluchtroutes die niet mogen samenvallen (ook wel onafhankelijke rookvrije vluchtroutes genoemd) moet een wbdbo aanwezig zijn:
In een inwendige scheidingsconstructie tussen twee vluchtroutes mag wel een verbinding aanwezig zijn in de vorm van een zelfsluitende deur.
Alarmering
In het Bouwbesluit is de aanwezigheid en inrichting van één of meer rookmelders binnen een woning geregeld. De aanwezigheid en inrichting van een brandmeld- en een ontruimingsalarminstallatie in andere gebruiksfuncties, is in de gemeentelijke bouwverordening voorgeschreven.
d) Gebruiksvergunning
Het Bouwbesluit regelt de brandveiligheid van gebouwen voor nieuwbouw en bestaande bouw. De door de gemeente te verlenen vergunning voor brandveilig gebruik is complementair aan het Bouwbesluit en er komen derhalve geen bouwtechnische aspecten bij de gebruiksvergunning aan de orde. Onderwerpen die bij die vergunning wel geregeld kunnen worden, zijn:
e) Arbowet
Arbowet, Arbobesluit, Arboregeling en Arbobeleidsregels richten zich specifiek op de veiligheid, gezondheid en het welzijn van werknemers. Onder het te voeren veiligheidsbeleid valt ook de brandveiligheid. Het komt erop neer dat de werkgever hieraan expliciet gestalte moet geven. De Arbeidsinspectie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ziet toe op de naleving.
Bedrijfsnoodplan
De Arbowet brengt ook de verplichting van het maken van een ‘beveiligingsnoodplan’ met zich mee. Deze niet meer officiële term wordt nog vaak gehanteerd als verzamelterm voor de ‘map met noodmaatregelen’. Tot deze maatregelen behoort ook het ontruimingsplan en derhalve het veilig vluchten. Er is in dit verband sprake van bedrijfshulpverlening (BHV), BHV organisatie en het BHV plan waarin staat omschreven hoe de BHV geregeld is.
BHV en BNO
Op grond van het BRZO (Besluit Risico’s Zware Ongevallen) en de Wet Milieubeheer wordt bij de (zware) industrie niet van BHV maar van bedrijfsnoodorganisatie (BNO) gesproken en een (intern) bedrijfsnoodplan. Veelal zal dan ook een bedrijfsbrandweer verplicht zijn. BHV is gericht op het redden van mensen. BNO is dat ook, maar is tevens gericht op het bestrijden en inperken van de calamiteit. Bedrijfsnoodorganisatie en bedrijfsnoodplan zijn als het ware een grootschaliger uitwerking van de BHV.
Arbobesluit
Het Arbobesluit kent onder Inrichting Arbeidsplaatsen het Gebruiksvoorschrift: ‘Een arbeidsplaats in een gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet wordt slechts gebruikt indien het gebouw voldoet aan de bij of krachtens het Bouwbesluit 2003 gegeven voorschriften voor de van toepassing zijnde gebruiksfunctie in de zin van dat besluit’. Hierbij zijn de ‘gebouwgebonden Arbo-eisen’ van belang, waarin onder meer zijn opgenomen: Voorzieningen in noodsituaties, zoals:
Brandbeveiligingsconcepten, Arbowet, Bouwbesluit en Gebruiksvergunning raken ieder voor zich de problematiek op hun eigen wijze aan. De onderlinge samenhang is vaak niet duidelijk en lijkt soms zelfs haaks op andere wet- en regelgeving te staan. De juridische opzet en het daarmee samenhangende taalgebruik maken de regelgeving en richtlijnen voor praktijkmensen niet direct tot een gebruiksvriendelijke informatiebron. Daarnaast zijn er soms knelpunten tussen de landelijke en lokale bouwregelgeving.
Bij het toepassen van de wet- en regelgeving moet worden bedacht dat het Bouwbesluit: