Het treffen van maatregelen in planning, materiaalkeuze, vloeropbouw en uitvoeringsmethodiek die de kans op verkleuringen (inclusief uitbloeiingen, schilferingen en vlekken) sterk verminderen.
Gebruik bij lichtgekleurde natuursteen bij voorkeur een witgekleurde lijm. Dit voorkomt het eventueel doorschijnen van de lijm.
Juiste cementkeuze voor speciebed en voegmateriaal
Voor lichtgekleurde natuursteen: Volgens onderzoek door het (Belgische) WTCB geeft wit cement (CEM I LA) het minste risico. In Duitse onderzoeken komt veelal trascement (CEM IV) als beste uit de bus. In Nederland wordt veel gewerkt met trascement, waarmee langdurig goede ervaringen zijn opgedaan. Voordeel van dit cementtype is dat het in verhouding meer vrije kalk bindt en de alkaliteit vermindert.
Voor niet-lichtgekleurde en niet-verkleuringsgevoelige steensoorten: ook Portlandcement (CEM II) kan worden gebruikt.
Gebruik geen hoogovencementen (CEM III) of composietcementen (CEM V).
Juiste zandkeuze voor speciebed en voegmateriaal
Zand moet zo min mogelijk stoffen bevatten die verkleuringen kunnen veroorzaken, zoals organische bestanddelen en (ijzer)zouten. NEN 5905 noemt grenswaarden. Met een proef (NEN 5919) is eenvoudig en snel een indruk te krijgen van de hoeveelheid organische bestanddelen.
Volgens onderzoek door het (Belgische) WTCB beperkt wit gewassen zand de kans op verkleuringen. Voor zover bekend is dat vooral in België; verkrijgbaar. In Nederland wordt normaliter gewassen rivierzand of zilverzand gebruikt.
Gebruik verpakt zand. Los gestort zand kan gemakkelijk verontreinigd raken.
Juiste toeslagstoffenkeuze voor speciebed en voegmateriaal. Toeslagstoffen voor specie (waterretentiemiddel, kunststofdispersie, acrylharsen, plastificeerders, luchtbelvormers, versnellers, vertragers en luchtbindmiddelen zoals kalk) mogen geen vlekken of verkleuringen van de natuursteen veroorzaken. Gebruik bij voorkeur geen kalk; dit vergroot de kans op uitbloeiingen. Vraag de geschiktheid van toeslagstoffen bij voorkeur na bij de fabrikant. Maak bij twijfel een proefstuk.
Gebruik voor wapeningsnetten in dekvloeren, of als bevestigingspunt voor vloerverwarmingsleidingen, vooral bij lichtgekleurde steensoorten een gegalvaniseerd net. Bij vezelwapening zijn alleen kunstofvezels toegestaan. Metalen vezels kunnen namelijk corroderen, wat verkleuringen veroorzaakt.
Zuren en oliën uit kit kunnen tegelranden doen verkleuren. Vraag garanties aan de leverancier en maak bij twijfel een proefstuk.
Het leggen van de steen met een geschikte lijm is minder riskant dan het leggen in een speciebed. Beperk het vochttransport door de natuursteen zo veel mogelijk.
Maatregelen bij het plaatsen van de steen
Bij direct afvoegen: bevochtig voor aanvang de voegen niet, behalve bij sterk poreuze steensoorten. In het laatste geval zorgt de verzadiging van de tegelrand ervoor dat er geen voegspecie in de steen kan trekken, die daarbij randverkleuringen zou veroorzaken. Hoewel dit advies haaks staat op het algemene advies om spaarzaam met water om te gaan, maar deze werkwijze heeft zich in de praktijk bewezen. Veeg de vloer na het voegen schoon met droge voegspecie van een gelijke samenstelling als gebruikt voor het voegen. Eventueel kunnen ook zaagsel of houtsnippers worden gebruikt van lichtgekleurde houtsoorten die geen vlekken veroorzaken, zoals vurenhout, zilverspar of populier. Harshoudende soorten of hardhout kunnen verkleuringen veroorzaken. Nasponzen met schoon water. Drogen met een schone, niet-pluizende doek.
Uitbloeiingen, schilferingen, verkleuringen en vlekken ontstaan meestal onder invloed van vocht. Bij nieuwbouw zit veel overtollig vocht in de constructie. Een deel daarvan verdampt via het vloeroppervlak. Het vochttransport komt nooit helemaal tot stilstand - door wisselingen in de relatieve vochtigheid van de lucht en de toevoer van nieuw vocht. Waterbelaste vloeren kunnen in aanraking komen met schoon leidingwater, eventueel met (opgeloste) stoffen, zoals zeep en reinigingsmiddelen, (vervuild) hemelwater, (vervuild) grondwater, (vervuild) oppervlaktewater. Een buitenvloer wordt blootgesteld aan vorst en krijgt meestal meer vervuild water te verwerken dan een waterbelaste vloer binnen.
Uitbloeiingen ontstaan doordat het vocht in water oplosbare stoffen meevoert, zoals (ijzer)zouten en kalk. Deze zetten zich af op het vloeroppervlak. De vloer ziet er dof en soms stoffig uit. Iets dergelijks kan gebeuren met dooizouten.
Afschilferingen (of blazen) ontstaan wanneer zouten vlak onder het oppervlak uitkristalliseren waardoor hun volume toeneemt. Vorst kan eenzelfde effect opleveren, wanneer water onder het oppervlak bevriest en een groter volume krijgt.
Vlekken door vochtopname. Door vocht kan de vloer er donkerder uitzien. Dat kan ook plaatselijk, waar de porositeit van de steen groter is, of langs vochtige voegen. Met de afname van de hoeveelheid vocht neemt deze verkleuring vanzelf af.
Geel- tot bruinachtige sluier-verkleuringen, na ongeveer 8 tot 12 maanden kunnen ontstaan door oxidatie (roesten) van voornamelijk metaalverbindingen, die van nature in gesteenten voorkomen. Alkalische stoffen uit het cement bevorderen dit. Deze verkleuring komt het meest voor in kalkstenen en marmers, maar ook wel in andere steensoorten.
Bruinige vlekken, na enkele dagen tot enkele weken kunnen ontstaan door een reactie tussen de alkalische stoffen uit het cement met organische stoffen die van nature in de steen voorkomen. Deze vlekken komen alleen voor in kalkstenen en marmers, met een hoog gehalte (0,1% van de massa) aan organische stoffen.
Vlekken door contact met stoffen van buitenaf kunnen van boven komen (kit, wijn, olie, koffie, vet e.d.) of van onderaf (vervuild zand, onjuiste lijm, geoxideerd metaal van de wapening e.d.). Deze vlekken zijn het best zichtbaar op poreuze, lichtgekleurde natuurstenen met een gelijkmatig uiterlijk. Een ruwe oppervlaktebewerking heeft meestal een ongunstige invloed.
Verkleuring door atmosferische invloeden. Meestal wordt de kleur door atmosferische invloeden iets fletser (bij kalkhoudende steensoorten patina genoemd). Groenige natuursteen kan 'vergrijzen'. Sommige steensoorten bevatten ijzerdeeltjes die door oxidatie bruine verkleuringen kunnen veroorzaken.