Van toepassing zijnde voorschriftenDe voorschriften voor de vluchtrouteaanduidingen in gebouwen staan in artikel 2.3.7 van het Gebruiksbesluit (‘Besluit brandveilig gebruik bouwwerken’). Voor wegtunnels staan bovendien aanvullende voorschriften in artikel 6 van het ‘Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels’.
Waar is vluchtrouteaanduiding verplicht?In artikel 2.3.7 lid 1 van het Gebruiksbesluit wordt vluchtrouteaanduiding geëist:
in iedere ruimte waardoor een verkeersroute voert;
in iedere ruimte voor meer dan 50 personen.
Voor wat betreft de situatie genoemd onder A. is een vluchtrouteaanduiding dus bijvoorbeeld niet noodzakelijk in een (afgesloten) kantoortje. Maar de aanduiding is wel vereist in de gang of kantoortuin (ruimte waardoor een verkeersroute voert), waardoor vanuit dat kantoortje naar een veilige plek wordt gevlucht. De term verkeersroute is afkomstig uit en heeft dezelfde betekenis als in het Bouwbesluit 2003, namelijk:
‘route die begint bij een toegang van een ruimte, uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt bij de toegang van een andere ruimte’. Voor wat betreft de situatie genoemd onder B. moet in een ruimte voor meer dan 50 personen altijd een vluchtrouteaanduiding aanwezig zijn, dus ook als door deze ruimte geen verkeersroute loopt.
De aanwezigheidseis voor de vluchtrouteaanduiding geldt in beginsel voor alle bouwwerken en gebruiksfuncties. Artikel 1.3 van het Gebruiksbesluit, de reikwijdtebepaling, geeft de uitzonderingen:
- woonfuncties en woongebouwen;
- niet in een logiesgebouw gelegen logiesfuncties (bijvoorbeeld recreatiewoningen);
- lichte industriefuncties, zoals een stal en een tuinbouwkas, aangezien in die gebruiksfunctie normaliter weinig personen aanwezig zijn;
- overige gebruiksfuncties met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m2 die niet voor het publiek toegankelijk zijn, bijvoorbeeld een kleine fietsenstalling;
- bouwwerken geen gebouw zijnde, niet zijnde een tunnel met een tunnellengte van meer dan 250 meter.

Figuur 2.
Waar moet de vluchtrouteaanduiding aan voldoen?
- In artikel 2.3.7 lid 1 van het Gebruiksbesluit is aangegeven dat de voorgeschreven vluchtrouteaanduiding moet voldoen aan NEN 6088:2002 en aan de zichtbaarheidseisen als bedoeld in de artikelen 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838:1999. De NEN 6088 stelt eisen aan de gebruikte kleuren en symbolen (pictogrammen) van vluchtrouteaanduidingen. In NEN-EN 1838 worden met name eisen gesteld aan luminantie en luminantieverhoudingen. De luminantie van elk deel van de veiligheidskleur van de vluchtrouteaanduiding moet minimaal 2 cd/m2 bedragen in alle relevante kijkrichtingen. Hoewel de vluchtrouteaanduiding in de praktijk vaak een interne lichtbron heeft, is het ook toegestaan om bijvoorbeeld pictogramstickers aan te brengen die zo nodig met een externe lichtbron worden aangelicht om aan de luminantie-eis te kunnen voldoen. Deze genoemde normen bevatten geen eisen over de verlichtingssterkte van de vluchtrouteaanduiding zelf.
- In artikel 2.3.7 lid 2 is bepaald dat de voorgeschreven vluchtrouteaanduiding moet zijn aangebracht op een duidelijk waarneembare plaats, dus niet achter een deur, gordijn of in een hoge ruimte direct onder het plafond.
- In artikel 2.3.7 lid 3 is geregeld dat een voorgeschreven vluchtrouteaanduiding binnen 15 seconden na stroomuitval, gedurende ten minste 60 minuten aan de zichtbaarheidseisen van NEN-EN 1838 moet voldoen.
- In artikel 2.3.7 lid 4 is aangegeven dat de vluchtrouteaanduiding bij stroomuitval niet hoeft te voldoen aan de zichtbaarheidseisen van NEN-EN 1838, indien de vluchtroute voert vanuit een ruimte met een verlichtingsinstallatie die niet is aangesloten op noodstroom als bedoeld in de artikelen 2.59 en 2.66 van het Bouwbesluit 2003 (zie Infoblad 240, Noodverlichting).
- Aanvullend op bovenstaande eisen van het Gebruiksbesluit, is in artikel 6 van het ‘Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels’ bepaald dat de vluchtrouteaanduiding in een wegtunnel niet hoger dan 1,5 meter boven de vloer is aangebracht, dat de afstand tussen twee vluchtrouteaanduidingen in een tunnel ten hoogste 25 meter is (gemeten langs de tunnelwand), en dat op een vluchtrouteaanduiding in een tunnel voor de tunnelgebruikers goed zichtbaar is aangegeven op welke afstanden in beide richtingen de dichtstbijzijnde uitgangen zich bevinden.
Welke eisen gelden er ten aanzien van controle en onderhoud?Op grond van artikel 2.3.7 lid 5 moet een vluchtrouteaanduiding ten minste eenmaal per jaar op een adequate wijze worden gecontroleerd en onderhouden. Dit betekent dat zo nodig ook reparaties moeten worden uitgevoerd, maar beter nog dat defecten worden voorkomen. Zo is het van belang dat aanwezige lampjes tijdig worden vervangen. Doel van het voorschrift is dat de goede werking van de vluchtrouteaanduidingen te allen tijde gewaarborgd is.