Aan de hand van het Bouwbesluit vaststellen voor welke deuren een 20-mm eis geldt.
Om dit probleem op te lossen dienen in twee fasen in totaal vier stappen te worden gezet.
Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 3)
Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 4)
Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 3)
1. De relevante afdeling (van het Bouwbesluit) opzoeken
De voorschriften met betrekking tot de 20-mm-eis zijn opgenomen in afdeling 4.2: 'toegankelijkheidssector' en 4.4: 'bereikbaarheid' van het Bouwbesluit.
2. De relevante paragrafen (van de afdelingen) selecteren
Beantwoord de vraag of het gaat om nieuwbouw dan wel bestaande bouw. Afdeling 4.2 en 4.4 zijn niet ingedeeld in paragrafen, dit betekent dat er voor wat betreft ‘toegankelijkheidssector’ en ‘bereikbaarheid’ geen voorschriften voor bestaande bouw zijn gegeven.
3. Aan de hand van de teksten van de artikelleden in de paragrafen de relevante voorschriften selecteren Afdeling 4.2: ‘toegankelijkheidssector’ bevat de artikelen 4.3 t/m 4.9. De voorschriften met de 20-mm eisen zijn opgenomen in artikel 4.6: 'hoogteverschil’. Afdeling 4.4: ‘bereikbaarheid' bevat de artikelen 4.16 t/m 4.19. De voorschriften met de 20-mm eisen zijn opgenomen in artikel 4.17: ‘algemeen’ en artikel 4.18: ‘toegankelijkheidssector’.
Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 4)
Nu de voorschriften in drie stappen zijn gevonden, moeten zij worden toegepast. Als volgt:
4. Aan de hand van de geselecteerde voorschriften (stap 3) vaststellen in welke situaties de 20-mm-eisen van toepassing zijn In artikel 4.6, 4.17 en 4.18 zijn verschillende situaties aangegeven waarin een hoogteverschil niet groter dan 20 mm mag zijn:
Artikel 4.6
Lid 1 (geldt voor woonfuncties en niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties):
- Een hoogteverschil van meer dan 0,02 m tussen vloeren die in een toegankelijkheidssector liggen is, onverminderd artikel 2.24, overbrugd door een lift of een hellingbaan. Als in een gebouw een toegankelijkheidssector is vereist (gedeelte van een gebouw dat mede bestemd is voor rolstoelgebruikers) mogen daar geen hoogteverschillen > 0,02 m voorkomen. Dit betekent dat drempels e.d. maximaal 20 mm hoog mogen zijn. Stel dat er op dezelfde bouwlaag tussen twee vloeren een hoogteverschil van 15 cm aanwezig is, dan betekent dit de toepassing van een hellingbaan. Indien dit niet mogelijk is, betekent dit dat het betreffende gedeelte niet in de toegankelijkheidssector mag zijn gelegen. Stel dat tussen twee in een toegankelijkheidssector gelegen verdiepingen een hoogteverschil van 3 m moet worden overbrugd, dan betekent dit automatisch toepassing van een lift (een hellingbaan is dan gezien de vereiste lengte niet praktisch meer). Is het niet mogelijk een lift toe te passen, dan betekent dit dat de verdieping niet als toegankelijkheidssector mag worden aangemerkt.
Lid 2 (geldt alleen voor woonfuncties):
- Indien het hoogteverschil tussen een vloer ter plaatse van de toegang van een woonfunctie gelegen in een woongebouw en de vloer ter plaatse van een toegang van een toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.18, eerste lid, groter is dan 0,02 m, is dat hoogteverschil, onverminderd artikel 2.24, overbrugd door een lift. Volgens artikel 4.18 lid 1 bevindt de toegang van een toegankelijkheidssector zich altijd ter plaatse van het aansluitende terrein. Een hoogteverschil > 0,02 m tussen de vloer ter plaatse van deze toegang en de vloer van een woonfunctie, gelegen in het woongebouw moet altijd worden overbrugd door een lift.
Lid 3 (geldt alleen voor niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties):
- Indien het hoogteverschil tussen de vloer ter plaatse van een toegang van een toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.18, tweede lid, en het aansluitende terrein groter is dan 0,02 m, is dat hoogteverschil overbrugd door een hellingbaan. Dit voorschrift leidt er voor een niet tot bewoning bestemde gebruiksfunctie, waarin een toegankelijkheidssector is vereist, toe dat ter plaatse van de toegang van de toegankelijkheidssector ten opzichte van het aansluitende terrein een ‘20-mm-detail’ moet worden toegepast. Als het hoogteverschil ten opzichte van het aansluitende terrein > 20 mm is, zal een hellingbaan moeten worden toegepast waarbij aan de bovenzijde van de hellingbaan, aansluitend aan de vereiste vloeroppervlakte van 1,4 x 1,4 m2 ter plaatse van de toegang, ook een 20-mm-detail moet worden toegepast.
Artikel 4.17
Lid 1 (geldt alleen voor woonfuncties):
- De vloer ter plaatse van ten minste één toegang van een woonfunctie heeft een hoogteverschil met de vloer van een gemeenschappelijke verkeersruimte of het aansluitende terrein, dat niet groter is dan 0,02 m. Dit voorschrift leidt ertoe dat elke woonfunctie minimaal 1 toegang moet hebben waar ter plaatse de '20-mm-eis' geldt. Een woonfunctie (niet gelegen in een woongebouw) mag dus niet worden ontsloten via een trap die is gelegen in de buitenlucht. Voor een woonfunctie, gelegen in een woongebouw geldt de eis ten opzichte van een gemeenschappelijke verkeersruimte.
Lid 2 (geldt alleen voor woonfuncties):
- De vloer ter plaatse van ten minste één toegang van een woongebouw heeft een hoogteverschil met het aansluitende terrein ter plaatse van die toegang, dat niet groter is dan 0,02 m. Dit voorschrift leidt ertoe dat elk woongebouw minimaal 1 toegang moet hebben waar ter plaatse de '20-mm-eis' geldt (die niet door een hellingbaan mag worden overbrugd).
Lid 3 (geldt alleen voor woonfuncties):
- Een drempel in een toegang als bedoeld in het eerste en tweede lid heeft ter plaatse van die toegang een hoogteverschil met een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of een aansluitende hellingbaan, dat niet groter is dan 0,02 m. Dit voorschrift leidt ertoe dat de '20-mm-eis' ook ten opzichte van een drempel geldt die is gelegen in een toegang als bedoeld in lid 1 en 2.
Artikel 4.18Lid 1 (geldt alleen voor woonfuncties):
De vloer ter plaatse van ten minste één toegang van een toegankelijkheidssector heeft een hoogteverschil met het aansluitende terrein ter plaatse van die toegang, dat niet groter is dan 0,02 m. Dit voorschrift leidt ertoe dat indien een woonfunctie of een woongebouw een toegankelijkheidssector heeft, ter plaatse van ten minste één toegang van die toegankelijkheidssector een ‘20-mm-detail’ wordt gerealiseerd. Veelal zal de toegang van de woonfunctie/woongebouw samenvallen met de toegang van de toegankelijkheidssector, waarvoor volgens artikel 4.17 lid 1 en 2 al een ‘20-mm-detail’ wordt vereist. Indien dit niet het geval is, zijn afwijkingen hiervan via dit artikel geregeld, hetgeen concreet betekent dat ter plaatse van nog een toegang van woonfunctie/woongebouw een ‘20-mm-detail’ moet worden gerealiseerd.
Lid 3 (geldt voor woonfuncties en niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties):
Een drempel in een vloer van een toegankelijkheidssector heeft een hoogteverschil met de aansluitende vloer, het aansluitende terrein of een aansluitende hellingbaan, dat niet groter is dan 0,02 m. Dit voorschrift leidt ertoe dat de ‘20-mm-eis’ ook geldt voor een drempel die gelegen is in de toegang van een toegankelijkheidssector.
Verschillen in hoogte tussen vloeren van ruimten onderling, en tussen een vloer en het aansluitende terrein, belemmeren voor veel personen de toegankelijkheid van de betrokken ruimten. De bedoeling van de ‘20-mm-eis’ is dat ter plaatse van de toegang van een toegankelijkheidssector, of in een toegankelijkheidssector en ter plaatse van de toegang van een woning of woongebouw, dergelijke hoogteverschillen niet aanwezig zijn, dan wel worden overbrugd door een lift of een hellingbaan. Een beperkt hoogteverschil van maximaal 20 mm is toegestaan, omdat ook rolstoelgebruikers dit nog zelfstandig kunnen overbruggen. Doorgaans gaat het hierbij om het hoogteverschil tussen een drempel en de daarop aansluitende (afgewerkte) vloeren (zie artikel 4.17:3 en artikel 4.18:3 van Bouwbesluit 2003). Dit voorschrift is in het Bouwbesluit niet gegeven voor bestaande bouw.
De detaillering van de onderdorpel in een situatie waarbij de ‘20-mm-eis’ van toepassing dient zorgvuldig te worden ontworpen en uitgevoerd. Hiervoor wordt verwezen naar de SBR-Referentiedetails. Zie als voorbeeld figuur 1.
Figuur 1.