Van toepassing zijnde voorschriften
Voorschriften betreffende rookmelders in woningen staan in het Bouwbesluit 2003 en het Gebruiksbesluit.
Bouwbesluit 2003, artikel 2.146 lid 7 (nieuwbouw)
Gebruiksbesluit, artikel 2.2.2 (rookmelders woonfunctie)
In welke ruimten moeten rookmelders worden aangebracht?Rookmelders waarschuwen bij de eerste ontwikkeling van rook door middel van een indringend signaal. Daardoor worden bijvoorbeeld slapende bewoners bij de eerste rookverschijnselen gewekt. In dat stadium van de brand is de vluchtroute nog bruikbaar en kan de woning nog veilig worden verlaten.
Rookmelders worden in het algemeen vereist in situaties waarbij er vanuit een verblijfsruimte slechts één vluchtroute is, en men vanuit de verblijfsruimte eerst één of meerdere besloten ruimten moet passeren om een rookvrije vluchtroute of het aansluitende terrein te bereiken.
Voor woningen zijn niet-ioniserende rookmelders voorgeschreven in Bouwbesluit 2003, artikel 2.146, lid 7:
‘Een toegang als bedoeld in het zesde lid, van een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte, is een toegang van een brandcompartiment of een subbrandcompartiment, of ter plaatse van die toegang begint een route naar de toegang van een brandcompartiment of een subbrandcompartiment. Een besloten ruimte op die route heeft een niet-ioniserende rookmelder die is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit en die voldoet aan de primaire inrichtingseisen en de primaire producteisen volgens NEN 2555.’Dit voorschrift houdt in dat alle ruimten die worden gepasseerd na het verlaten van een verblijfsruimte van een woning, moeten zijn voorzien van een rookmelder. Zo'n rookmelder moet dus in het algemeen geplaatst worden op de overloop en/of in de gang. Maar als de vluchtroute bijvoorbeeld ook via de woonkamer loopt, moet ook in de woonkamer een rookmelder aangebracht worden. Deze eis geldt alleen bij nieuwbouw en niet voor bestaande bouw.
Bovendien zijn voor ‘woningen voor kamergewijze verhuur’ rookmelders voorgeschreven in Gebruiksbesluit, artikel 2.2.2, lid 1:
‘Indien in een woonfunctie voor kamergewijze verhuur de vloer van een verblijfsruimte hoger ligt dan 2,1 m boven het meetniveau en er vanaf de toegang van de wooneenheid waar die verblijfsruimte toe behoort geen tweede vluchtroute is en het aansluitende terrein niet op een andere adequate wijze kan worden bereikt zonder gebruik te maken van een sleutel, hebben alle verblijfsruimten in de woonfunctie doorgekoppelde rookmelders als bedoeld in NEN 2555:2006.’Deze eis geldt voor nieuwbouw en bestaande bouw. Het begrip andere adequate wijze betekent dat het afhankelijk van het soort kamergewijze verhuur om een acceptabele oplossing moet gaan. Voor ouderen is een brandweerpaal bijvoorbeeld geen acceptabele oplossing. De gemeente zal van geval tot geval beoordelen of er een acceptabele tweede vluchtmogelijkheid als bedoeld in dit voorschrift is en of er dus geen doorgekoppelde rookmelders aanwezig behoeven te zijn.
N.B.Voor ‘woonfuncties voor zorg’ en ‘woonfuncties voor kamergewijze verhuur’ schrijft het Gebruiksbesluit, artikel 2.2.1, bovendien een brandmeldinstallatie voor. Zie Infoblad 232 ‘Brandmeld- en ontruimingsalarminstallaties’.
Hoe en waar moeten de rookmelders in de ruimte worden geplaatst? De niet-ioniserende rookmelders die volgens het Bouwbesluit (artikel 2.146, lid 7) zijn voorgeschreven, moeten voldoen aan de primaire inrichtingseisen en de primaire producteisen volgens NEN 2555 ‘Brandveiligheid van gebouwen - Rookmelders voor woonfuncties’. Ze moeten aangesloten zijn op de elektrische installatie. Ze werken dus niet op batterijen. Daarmee wordt voorkomen dat ze niet zouden functioneren als de batterijen op zijn. Ze hoeven niet gekoppeld te zijn.
In deze eisen is niet aangegeven op welke plaats een rookmelder moet worden aangebracht. Het Bouwbesluit schrijft dus niet voor waar de rookmelders in een ruimte moeten worden geplaatst en ook niet dat in een hoge, grote of lange ruimte meer dan één rookmelder moet worden geplaatst.
NEN 2555 geeft in onderdeel 7.2 richtlijnen voor de plaats van rookmelders. Dit deel van de norm is niet aangewezen vanuit het Bouwbesluit. Uiteraard mag men deze richtlijnen wel toepassen. Hier volgen enkele richtlijnen uit deze norm:
- Op elke verdieping of bouwlaag moet in de ruimten waardoor een verkeersroute voert een rookmelder worden aangebracht (zie Figuur 1).
- Rookmelder bij voorkeur aan het plafond situeren (en dus niet aan de wand).
- Indien toch gekozen wordt voor situering aan de wand, de rookmelder tussen 0,1 en 0,3 meter onder het plafond situeren.
- Bij voorkeur in het midden van de ruimte situeren.
- Maximale bewakingsoppervlakte per rookmelder: 80 m2 (zie Figuur 2).
- Grootste afstand tussen rookmelder en een willekeurig punt van het plafond niet groter dan 6,7 meter (of 7,5 meter wanneer de ruimte smaller is dan 3 meter) (zie Figuur 2).
- Niet plaatsen op minder dan 50 cm van de zijmuur en hoeken van een vertrek (tenzij de ruimte smaller is dan 1,0 meter); en niet direct onder de nok. Daar is nauwelijks luchtcirculatie waardoor eventuele rook pas heel laat doordringt (zie ook Figuur 1 en Figuur 3).
- Niet plaatsen boven verwarmingstoestellen en radiatoren of in de nabijheid van openingen van luchtverversingskanalen. Door de luchtstromingen kunnen de rookdeeltjes de rookmelder niet bereiken.
- Niet plaatsen in of vlakbij de toegangsdeur van de badkamer of de keuken. De gewone rookmelder kan stoom, vocht en dampen van bakken en braden niet onderscheiden van rookdeeltjes. Dit kan vals alarm tot gevolg hebben.
- Niet plaatsen in stookplaatsen en koelruimten; de melder werkt niet correct bij temperaturen beneden 5°C en boven 40°C (dus niet plaatsen in ruimten buiten de thermische schil).

Figuur 1: voorbeeld positionering van rookmelders in grondgebonden woning, VG = verblijfsgebied; VR = verblijfsruimte.

Figuur 2 Per rookmelder een ruimte van max. 80 m2 (bewakings-oppervlakte) en een afstand tot max. 6,7 m (bij ruimte smaller dan 3 m: max. 7,5 m).

Figuur 3 Bij een obstakel (bijv. balken) van meer dan 0,15 m, rookmelder ten minste 0,5 m hier vanaf plaatsen.)
Ook de rookmelders die volgens het Gebruiksbesluit (artikel 2.2.2, lid 1) zijn voorgeschreven, dat zijn dus rookmelders bij kamergewijze verhuur, moeten voldoen aan NEN 2555. Deze rookmelders moeten doorgekoppeld zijn.
Welke eisen gelden er voor gebruik van rookmelders?Artikel 2.2.2, lid 2, van het Gebruiksbesluit zegt dat een volgens het Bouwbesluit of Gebruiksbesluit voorgeschreven en aangebrachte rookmelder moet blijven functioneren zoals voorgeschreven in het betreffende voorschrift. De rookmelder mag dus niet worden uitgeschakeld en moet bij een defect worden gerepareerd of vervangen.
Wanneer kunnen rookmelders rol spelen bij bedenken van ‘gelijkwaardige’ oplossing?Volgens het Bouwbesluit artikel 2.146, lid 6, mag de loopafstand tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de toegang van de woning niet langer zijn dan 15 meter. Als de afstand groter is dan 15 meter en er geen andere vluchtroute kan worden gerealiseerd, kan de aanvrager van de bouwvergunning een gelijkwaardige oplossing voorstellen. Bijvoorbeeld zoals aangegeven in het
rapport van de Werkgroep Gelijkwaardige Oplossingen (pdf), door middel van extra aangebrachte en doorgekoppelde rookmelders.