Infoblad 240 - Wanneer is noodverlichting vereist?
- Vaststellen wanneer volgens de bouwregelgeving noodverlichting nodig is.
- Vaststellen welke eisen de bouwregelgeving stelt ten aanzien van verlichtingssterkte, aanspreektijd en duur van de noodverlichting.
- Vaststellen welke eisen de bouwregelgeving stelt met betrekking tot het gebruik van de voorgeschreven noodverlichting.
OPLOSSINGSRICHTINGEN
Van toepassing zijnde voorschriftenHet Bouwbesluit 2003 eist in artikel 2.59 (nieuwbouw) en artikel 2.66 (bestaande bouw) dat bepaalde verlichtingsinstallaties zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom.
De ‘Regeling Bouwbesluit 2003’ geeft hiervan een nadere invulling voor tunnels.
Het Bouwbesluit stelt in de artikelen 2.60 en 2.49 lid 3 (nieuwbouw) en 2.67 en 2.55 lid 3 (bestaande bouw) eisen aan de verlichtingsterkte, aanspreektijd en tijdsduur van de voorgeschreven noodverlichting.
Het Gebruiksbesluit stelt in artikel 2.3.8 eisen aan het gebruik, de controle en het onderhoud van een op grond van het Bouwbesluit voorgeschreven noodverlichtingsinstallatie.
Wanneer is noodverlichting voorgeschreven?
In geval van calamiteiten (zoals een brand), kan de normale stroomvoorziening uitvallen. Daarom wordt een aansluiting van onderdelen van de verlichtingsinstallatie op alleen de elektrische installatie niet voldoende geacht en is er een aansluiting op een voorziening van noodstroom voorgeschreven. Dit noemt men ook wel ‘noodverlichting’. Uit de voorschriften onder a. en b. blijkt dat noodverlichting bij nieuwbouw is voorgeschreven voor:
- verblijfsruimten met een hoge bezetting (bestemd voor gebruik door meer dan 112 personen) in utiliteitsgebouwen (uitgezonderd een lichte industriefunctie en een ‘overige gebruiksfunctie’);
- verblijfsruimten van een ondergrondse ‘overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer’ (bijvoorbeeld een metrostation), een ondergrondse ‘overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen’ met een gebruiksoppervlakte >500 m2 (bijvoorbeeld een ondergrondse parkeergarage) en een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 meter;
- besloten ruimten waardoor een rookvrije vluchtroute voert, van alle utiliteitsgebouwen (behalve een lichte industriefunctie en een ‘overige gebruiksfunctie’), van een ‘overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer’, tenzij deze boven het meetniveau ligt en de gebruiksoppervlakte ervan niet meer is dan 50 m2, en van een ‘overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen’, tenzij de gebruiksoppervlakte ervan niet meer is dan 500 m2, en van een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 meter;
- liftkooien in alle typen gebouwen.
N.B. Voor een nieuw woongebouw is dus alleen noodverlichting voorgeschreven in de liftkooi, en bijvoorbeeld niet in de vluchttrappenhuizen.
Bij bestaande bouw is noodverlichting voorgeschreven voor:
- een verblijfsruimte met vloeroppervlakte >200 m2 van een bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport;
- een verblijfsruimte met vloeroppervlakte >500 m2 van een andere bijeenkomstfunctie en een onderwijsfunctie;
- een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte >600 m2 van een celfunctie voor bezoekers;
- een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte >1200 m2 van een gezondheidszorgfunctie, een kantoorfunctie en een logiesfunctie;
- een verblijfsruimte van een ondergrondse ‘overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer’;
- besloten ruimten waardoor een rookvrije vluchtroute voert, van alle utiliteitsgebouwen (behalve een lichte industriefunctie en een ‘overige gebruiksfunctie’), van een bovengrondse ‘overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer’ met een gebruiksoppervlakte >100 m2, van een ondergrondse ‘overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer’ en van een ‘overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen’ met een gebruiksoppervlakte >1000 m2;
- liftkooien in een celfunctie die zijn bestemd voor gebruik door gedetineerden.
N.B. Voor een bestaand woongebouw is dus nergens noodverlichting voorgeschreven, ook niet in een liftkooi.
Verlichtingssterkte, aanspreektijd en tijdsduur van de noodverlichting
Uit de voorschriften genoemd onder d. blijkt het volgende:
Om te kunnen vluchten, en om paniek te voorkomen, moet de noodverlichting snel aanspringen; binnen 15 seconden na het uitvallen van de stroom. De bepaling van 15 seconden geldt niet voor noodverlichtingstoestellen met ingebouwde batterijen (NEN 1010, par.8.774.1) omdat bij dergelijke toestellen onmiddellijk op de batterijen (of accu) wordt overgeschakeld. De noodverlichting moet een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux opleveren op vloerniveau, gedurende ten minste 1 uur, zodat het bouwwerk veilig kan worden verlaten en de brandweer het bouwwerk kan binnentreden.
Gebruik, controle en onderhoud van de noodverlichtingEisen ten aanzien van het gebruik, de controle en het onderhoud van de noodverlichting zijn opgenomen in artikel 2.3.8 van het Gebruiksbesluit. Lid 1 van dit artikel schrijft voor dat een op grond van het Bouwbesluit voorgeschreven en geïnstalleerde noodverlichtingsinstallatie ook daadwerkelijk functioneert. Men mag de installatie niet weghalen en ook niet uitschakelen.
Lid 2 van het artikel regelt dat een noodverlichtingsinstallatie ten minste eenmaal per jaar op een adequate wijze wordt gecontroleerd en onderhouden. Dit betekent dat zo nodig ook reparaties moeten worden uitgevoerd, maar beter nog dat defecten worden voorkomen. Zo is het van belang dat lampjes tijdig worden vervangen. Doel van het voorschrift is dat de goede werking van de noodverlichtingsinstallatie te allen tijde gewaarborgd is. Er kan bijvoorbeeld aan deze eis worden voldaan door de controle en het onderhoud te verrichten volgens publicatie nr. 79 ‘Inspectie en onderhoud van noodverlichtingsinstallaties’ van ISSO/NFVN/Uneto-VNI (juni 2004).
Toepassing van de NEN-EN 1838 (‘Toegepaste verlichtingstechniek – Noodverlichting’) wordt in het Gebruiksbesluit alleen verplicht gesteld voor zover de noodverlichting gebruikt wordt om bij het uitvallen van de stroom te blijven voldoen aan de zichtbaarheiseisen voor een vluchtrouteaanduiding.
ACHTERGROND
Voor risicovolle situaties biedt de aansluiting van de verlichtingsinstallatie op de normale elektrische installatie onvoldoende zekerheid. In die gevallen eist het Bouwbesluit een aansluiting op een voorziening voor noodstroom (= noodverlichting). In het algemeen is noodverlichting vereist voor verblijfsruimten die zijn bestemd voor een groot aantal personen in utiliteitsgebouwen, voor liftkooien én, afhankelijk van de gebruiksfunctie, voor (brand- en) rookvrije vluchtroutes.
AANDACHTSPUNTEN
Onder noodverlichting wordt verstaan: een verlichtingsinstallatie die is aangesloten op een voorziening voor noodstroom.
Tabel 2.56 (nieuwbouw) vermeldt in de laatste vijf kolommen (bezettingsgraadklassen) een aantal keren n.t. (bijvoorbeeld bij bezettingsgraadklasse B5 bij een kantoorfunctie). Dit betekent dat bezettingsgraadklasse B5 bij een kantoorfunctie niet is toegestaan.
Het Bouwbesluit stelt naast de aanwezigheid van noodverlichting ook eisen aan de minimale verlichtingssterkte tijdens een bepaalde periode. Voor een verlichtingsinstallatie die is aangesloten op een voorziening voor noodstroom (nieuwbouw) geldt bijvoorbeeld dat de noodstroominstallatie binnen 15 seconden na het uitvallen van de elektriciteit voldoende stroom moet geven om de betrokken verlichtingsinstallatie gedurende ten minste 60 minuten te laten werken. De verlichtingssterkte gedurende die periode moet minimaal 1 lux zijn.
Behalve eisen omtrent noodverlichting geeft het Gebruiksbesluit in artikel 2.3.7 ook eisen omtrent vluchtrouteaanduidingen. Zie hiervoor
Infoblad 410.
Het Arbo-besluit (artikel 3.7, 3.9 en 8.4) geeft ook een eis voor noodverlichting. Elke werkgever moet deugdelijke noodverlichting en veiligheidssignalering aanbrengen op iedere plaats waar werknemers tewerkgesteld worden. Hierbij gaat het om de veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats, want de werkgever moet zorgdragen voor de aanwezigheid van nooduitgangen en vluchtwegen. Noodverlichting is daarbij één van de noodzakelijke voorzieningen. Indien noodverlichting niet mogelijk is, beschikken de werknemers over individuele verlichting. Dit betreft dus een (nader in te vullen) functionele eis.
OVERIGE INFORMATIE
SBR, prettig kennis te maken.