Het bepalen of brandwerende voorzieningen nodig zijn bij het toepassen van dakopeningen in daken die aansluiten op een opgaande gevel. De voorzieningen kunnen bestaan uit het brandwerend uitvoeren van de dakopening zelf of van een (deel van) de opgaande gevel.
Stap 1: bepaal welke delen van het dakvlak als dakopening zijn aan te merken
Onder dakopening wordt in dit verband verstaan delen van de uitwendige scheidingsconstructie die minder dan 30 minuten brandwerend zijn met betrekking tot de (brand)scheidende functie. Het gaat dus niet alleen om incidentele doorbrekingen van het dakvlak, bijvoorbeeld ter plaatse van lichtkoepels, maar ook om het dakvlak en -constructie zelf als blijkt dat deze bij brand te snel doorbrandt. Houdt bij de beoordeling rekening met het eventueel bezwijken van de onderliggende draagconstructie van het dak. Bepaal daarna de afmetingen van de betreffende dakopening (of de delen van het dak die voortijdig in kunnen storten).
Stap 2: controleer of de dakopening op voldoende afstand van de opgaande gevel ligt
NEN 6068 ‘bepaling van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen ruimten’ geeft als vuistregel de volgende formules waarmee deze minimum afstand is te bepalen (NEN 6068 / 6.6.1):
x1 = 4 x (A/P) + 2) of x2 = 10
waarin:
x1 en x2 horizontale afstand tussen de dakopening en de opgaande gevel (meter)
A oppervlakte dakopening (m2)
P omtrek dakopening (meter)
De kleinste uitkomst die uit de twee formules volgt is daarbij bepalend voor de veilige afstand. De waarde kan variëren tussen 2 meter voor zeer kleine dakopeningen en 10 meter voor dakopeningen van onbeperkte omvang.
Stap 3: bepaal welk deel van de opgaande gevel brandwerend moet worden uitgevoerd
De delen van de opgaande gevel die dichter bij de dakopening liggen dan de berekende veilige afstand zullen brandwerend moeten worden uitgevoerd. Voor een rechthoekige dakopening zijn de twee hoekpunten die het dichtst bij de gevel liggen bepalend. Door vanuit deze hoekpunten een cirkelboog te tekenen kan bepaald worden waar de afstand tot de gevel groter wordt dan de berekende veilige afstand. De gevelvlakken die binnen deze grenzen vallen moeten minimaal 30 minuten brandwerend worden uitgevoerd tot een hoogte van 4 meter boven het aangrenzende dakvlak.
De breedte van de strook in de gevel aan weerskanten van de dakopening kan ook met de stelling van Pythagoras worden berekend: z = √(x2 - d2)
waarin:
z breedte van de strook in de gevel aan weerszijde van de dakopening (meter)
x veilige afstand berekend volgens stap 2 (meter)
d loodrechte afstand tussen de dakopening en de opgaande gevel (meter)
De breedte van het gevelvlak dat brandwerend moet worden uitgevoerd is dan de optelsom van de breedte van de dakopening (b), vermeerderd met twee maal de breedte van de strook (z). De hoogte is een vaste maat; namelijk 4 meter boven het aangrenzende dakvlak.
Uitwerkingsvoorbeeld
Als voorbeeld wordt een daklicht genomen met afmetingen 3 x 5 meter, dat geplaatst wordt op 3 meter afstand vanaf een opgaande gevel. De ruimten onder het daklicht en de ruimten achter de buitengevel zijn afzonderlijke brandcompartimenten waartussen een WBDBO-eis geldt van minimaal 60 minuten. Voor dit voorbeeld geldt:
oppervlakte: A = 3 x 5 = 15 m2
omtrek: P = 2 x 3 + 2 x 5 = 16 meter
zodat:
x1 = 4 x (15/16) + 2 = 5,75 m of x2 = 10 m
Omdat x1 de kleinst uitkomst genereert is deze bepalend. De werkelijke afstand tussen het daklicht en de opgaande gevel is 3 meter en is dus kleiner dan de berekende veilige afstand. Het daklicht mag dan niet zonder aanvullende voorzieningen geplaatst worden. Een mogelijke oplossing is het daklicht te voorzien van 30 minuten brandwerende beglazing. Een alternatief is de opgaande gevel over een bepaalde breedte tot een hoogte van 4 meter boven het dak brandwerend uit te voeren.
Gaan we uit van de laatste uitwerkingsrichting dan kan de breedte van de strook (z) ter weerszijde van het daklicht als volgt worden berekend:
z = √(5,752 - 3,02) = 4,91 m
De breedte van de gevel die in dat geval brandwerend moet worden uitgevoerd is dan:
3 + 2 x 4,91 = 12,82 meter.
Bij gebouwen met een inspringende gevellijn bestaat kans dat een brand vanuit een ruimte in het lager gedeelte via het dak overslaat naar ruimten achter de opgaande gevel. Brandoverslag kan plaatsvinden door uitslaande vlammen uit lichtkoepels of dakramen of doordat (een deel van) het dak voortijdig instort.
Gaat het om twee brandcompartimenten dan zal bij een dergelijke gebouwvorm gecontroleerd moeten worden of er aan de eisen met betrekking tot de WBDBO voldaan wordt. Vlammen die uit een dakopening of deel van een dak slaan, geven stralingswarmte af aan naastgelegen geveldelen. Als de stralingsintensiteit ter plaatse van gevelopeningen in opgaande gevels de grenswaarde van 15 kW/m2 overschrijdt, wordt aangenomen dat licht ontvlambare materialen spontaan vlam vatten, waardoor brand kan ontstaan in de achterliggende ruimten. Brandoverslag kan in deze situatie voorkomen worden door voldoende afstand aan te houden tussen de dakopening en de opgaande buitengevel of door de opgaande gevel (deels) brandwerend uit te voeren.