Infoblad 249 - Welke eisen gelden voor een trap?

Aan de hand van het Bouwbesluit vaststellen welke eisen gelden voor een trap.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

7 stappen in twee fasen

Om dit probleem t.a.v. nieuwbouw op te lossen dienen de volgende 5 stappen in twee fasen te worden gezet:

Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 3)
1. De relevante afdeling (van het Bouwbesluit) opzoeken;
2. De relevante paragrafen (van de afdelingen) selecteren;
3. Aan de hand van de tabellen in de paragrafen de relevante voorschriften selecteren.

Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 4 en 5)
4. Aan de hand van de geselecteerde voorschriften (stap 3) vaststellen wanneer de eisen voor een trap van toepassing zijn;
5. Aan de hand van de geselecteerde voorschriften (stap 3) voor nieuwbouw vaststellen welke eisen gelden voor een trap; volledigheidshalve wordt ook ingegaan op de eisen voor bestaande bouw: Enkele kenmerkende verschillen met de eisen voor trappen voor bestaande bouw.

Fase A. Opzoeken van de toepasselijke voorschriften (stap 1 t/m 3)
1. De relevante afdeling (van het Bouwbesluit) opzoeken
De voorschriften voor een trap zijn opgenomen in afdeling 2.5 van het Bouwbesluit.

2. De relevante paragrafen (van de afdelingen) selecteren
Beantwoord de vraag of het gaat om nieuwbouw dan wel bestaande bouw. In het vervolg zal worden ingegaan op de voorschriften die gelden voor trappen in nieuw te bouwen bouwwerken. In stap 7 zullen enkele kenmerkende verschillen ten opzichte van trappen in een bestaand bouwwerk worden weergegeven. Een bouwwerk geen gebouw zijnde wordt verder buiten beschouwing gelaten. Afdeling 2.5 is onderverdeeld in 2 paragrafen: paragraaf 2.5.1 bevat de nieuwbouwvoorschriften; paragraaf 2.5.2. de voorschriften voor bestaande bouw. In het vervolg wordt uitgegaan van paragraaf 2.5.1.

3. Aan de hand van de tabellen in de paragrafen de relevante voorschriften selecteren
Paragraaf 2.5.1 (nieuwbouw) bevat de artikelen 2.27 t/m 2.32. In deze artikelen zijn de volgende aspecten geregeld:

  • artikel 2.27: functionele eis waarin de doelstelling van het voorschrift is weergegeven;
  • artikel 2.28: eisen m.b.t. de afmetingen van een trap;
  • artikel 2.29: eisen m.b.t. trapbordessen;
  • artikel 2.30: eisen m.b.t. trapafscheidingen;
  • artikel 2.31: eisen m.b.t. leuningen;
  • artikel 2.32: eisen m.b.t. de regenwerendheid.


Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 4 en 5)
Nu de voorschriften (artikel 2.27 t/m 2.32) in drie stappen zijn gevonden, moet dit voorschriften worden toegepast. Als volgt:
4. Aan de hand van de geselecteerde voorschriften (stap 3) vaststellen wanneer de eisen voor een trap van toepassing zijn
De eisen die gelden voor trappen zijn niet zonder meer voor elke trap van toepassing. In artikel 2.28 t/m 2.32 wordt telkens terugverwezen naar 'een trap als bedoeld in artikel 2.24'. Dit betekent dat de eisen voor een trap in artikel 2.28 t/m 2.32 slechts van toepassing zijn indien de betreffende trap volgens artikel 2.24 is vereist. Artikel 2.24, eerste lid luidt als volgt: Een hoogteverschil tussen vloeren van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten en vloeren op een verkeersroute die deze ruimten verbindt, of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein, dat groter is dan 0,21 m wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. Voor vloeren van de hierin niet-genoemde ruimten, zoals een bergruimte, geldt deze eis niet. Dit betekent dat er naar ruimten zoals een zolder of een vliering in het algemeen geen trap behoeft te worden gemaakt. Als in dergelijke gevallen toch een trap wordt gemaakt hoeft deze niet te voldoen aan de voorschriften voor trappen in het Bouwbesluit.

5. Aan de hand van de geselecteerde voorschriften (stap 3) voor nieuwbouw vaststellen welke eisen gelden voor een trapAlgemeen
Voor de eisen die gelden voor trappen kan onderscheid worden gemaakt in eisen voor woonfuncties en die voor andere gebruiksfuncties. Tevens kan onderscheid worden gemaakt in trappen die moeten voldoen aan kolom A en aan kolom B (in art. 2.28). Algemeen kan worden gesteld dat een trap die voldoet aan kolom B bestemd is voor meer personen dan een trap die mag voldoen aan kolom A. De eisen inzake trappen gelden niet voor:
- woonfunctie van een woonwagen;
- lichte industriefunctie.

Kolom A of kolom B (artikel 2.28)
Of een trap in een gebruiksfunctie moet voldoen aan kolom A dan wel kolom B is geregeld in artikel 2.28 van Bouwbesluit 2003. In het voorbeeld is een stroomschema opgenomen, door middel waarvan kan worden bepaald of een trap moet voldoen aan kolom A of kolom B. Daarbij moet worden opgemerkt dat kolom A of B voor woonfuncties andere afmetingen kent dan kolom A of B voor niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties. Zie ook hierna. In de volgende situaties moet een trap voldoen aan kolom B:
- Indien de trap bestemd is voor het ontsluiten van een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte > 500 m2 (artikel 2.28 lid 2);
- Indien op een trap van een woonfunctie in een woongebouw een verblijfsgebied > 600 m2 vloeroppervlakte is aangewezen (artikel 2.28 lid 3);
- Indien op een trap van een niet tot bewoning bestemde gebruiksfunctie een grotere (van de bezettingsgraadklasse afhankelijke) vloeroppervlakte aan verblijfsgebied is aangewezen dan volgens tabel 2.27 van het Bouwbesluit is toegestaan (artikel 2.28 lid 6); de hoogte-eisen gelden niet voor een industriefunctie (artikel 2.28 lid 8);
In de overige situaties mag worden volstaan met een trap die voldoet aan de afmetingen in kolom A.

Afmetingen bij kolom A of kolom B (artikel 2.28 en 2.29)

In Tabel 1 volgt een overzicht met daarin aangegeven de eisen die gelden voor woonfuncties en andere gebruiksfuncties waarbij onderscheid wordt gemaakt in kolom A en kolom B. In het voorbeeld is een aantal gebruikte begrippen nader toegelicht aan de hand van een tekening.

Afmetingen in m Woonfunctie Andere functie
Kolom A Kolom B Kolom A Kolom B
Minimum breedte van de trap 0,8 1,2 0,8 1,1
Minimum vrije hoogte boven de trap 2,3 2,3 2,1 2,1
Maximum hoogte van de trap 4 4 4 4
Minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede 0,22 0,24 0,185 0,21
Maximum hoogte van een optrede 0,185 0,185 0,21 0,21
Minimum breedte van het tredevlak, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak 0,05 0,17 0,05 0,17
Minimum breedte van het tredevlak ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak 0,23 0,24 0,23 0,23
Minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap 0,3 0,3 0,3 0,3
Minimum vrije vloeroppervlakte trapbordes (artikel 2.29) 0,8 x 0,8 1,2 x 1,2 0,8 x 0,8 1,1 x 1,1

Aanwezigheid van een trapafscheiding (artikel 2.30)
Om te voorkomen dat mensen van de zijkant van een trap vallen worden voorschriften gegeven voor de aanwezigheid en uitvoering van een trapafscheiding:

  • Indien de zijkant van een tredevlak > 1 m boven een direct naast de trap gelegen vloer ligt, moet die zijde worden voorzien van een niet beweegbare afscheiding (artikel 2.30 lid 1); een trap waarmede een beperkt hoogteverschil (< 1m) wordt overbrugd en zal bestaan uit 4 à 5 treden, behoeft doorgaans dus niet te worden voorzien van een trapafscheiding;
  • De hoogte van de trapafscheiding moet minimaal 0,8 m ten opzichte van de voorkant van een tredevlak zijn gelegen. De horizontale afstand tussen de vloerafscheiding en de trap mag maximaal 0,05 m zijn (artikel 2.30 lid 1); - Een afscheiding heeft geen openingen met een breedte > 0,5 m (art. 2.30 lid 2);
  • Een afscheiding in een woonfunctie. In een gedeelte dat mede voor bezoekers is bestemd van een andere gebruiksfunctie en in een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang van kinderen onder de 4 jaarheeft tot een hoogte van 0,7 m boven een tredevlak geen openingen met een breedte > 0,1 m (art. 2.30 lid 3 en 5); voor onderwijsfuncties en voor bijeenkomstfuncties voor kinderopvang van kinderen onder de vier jaar mag een breedte van 0,2 m worden aangehouden
  • Een afscheiding in een woonfunctie en in een gedeelte dat mede voor bezoekers is bestemd van een andere gebruiksfunctie heeft tussen 0,2 m en 0,7 m boven het tredevlak geen opstapmogelijkheden (art. 2.30 lid 4 en 6).


Aanwezigheid van een leuning (artikel 2.31)
Voor woonfuncties en andere overige gebruiksfuncties (zoals bergruimten) geldt dat indien een trap een hoogteverschil > 1 m overbrugt, deze trap aan ten minste één zijkant een leuning heeft. Dit geldt alleen voor trappen waarvan de helling ter plaatse van de klimlijn > 2:3 is. Dergelijke trappen moeten in alle andere gebruiksfuncties, ongeacht het hoogteverschil, altijd worden voorzien van een leuning. De bovenkant van de leuning ligt op een hoogte > 0,8 m en < 1 m boven de voorkant van een tredevlak.

Regenwerendheid
Een trap die bestemd is voor het ontsluiten van een woonfunctie, die een hoogteverschil > 1,5 m overbrugt ten opzichte van een aangrenzende vloer (dus ook een bordesvloer), moet in een besloten ruimte zijn gelegen, waarvan de uitwendige scheidingsconstructie regenwerend is. Dit betekent concreet dat in een dergelijke situatie geen buitentrap mag worden toegepast.

Voorbeeld
In een gebouw waarin zich een aantal niet tot bewoning bestemde gebruiksfuncties bevindt wordt een trap voorzien. Aan welke afmetingen moet deze trap voldoen? Kan, uitgaande van de volgende gegevens, worden volstaan met een trap die voldoet aan kolom A, of moet de trap voldoen aan kolom B? (Raadpleeg zo nodig ook het Infoblad 100 over bezettingsgraadklasse.)
Op de trap zijn de volgende gebruiksfuncties en oppervlakten aan verblijfsgebied aangewezen:
- Kantoorfunctie: bezettingsgraadklasse B4, oppervlakte verblijfsgebied = 250 m2;
- Bijeenkomstfunctie: bezettingsgraadklasse B2, oppervlakte verblijfsgebied = 40 m2;
- Gezondheidszorgfunctie: bezettingsgraadklasse B3, oppervlakte verblijfsgebied = 100 m2.

Antwoord
De gegeven gebruiksfuncties zijn allemaal "niet tot bewoning bestemd". Daarom is volgens tabel 2.27 artikel 2.28 lid 5 en 6 van toepassing. In lid 6 is aangegeven hoeveel vloeroppervlakte aan verblijfsgebied (afhankelijk van de bezettingsgraadklasse) op een trap mag zijn aangewezen als die trap nog mag voldoen aan kolom A. In het stroomschema is lid 6 vertaald in een formule, door middel waarvan in een situatie met verschillende bezettingsgraadklassen kan worden bepaald of een trap moet voldoen aan kolom B (gelijkwaardige oplossing). De formule luidt als volgt: 6,25 x VGB1 + 2,5 x VGB2 + VGB3 + VGB4/4 < 250 als mag worden volstaan met kolom A. Hierin staat VGB1 voor verblijfsgebied met bezettingsgraadklasse B1, evenzo B2, B3, B4. De formule wordt als volgt ingevuld: 6,25 x 0 + 2,5 x 40 + 100 + 250/4 = 262,5. De uitkomst is > 250; dit betekent dat de trap moet voldoen aan afmetingen volgens kolom B van tabel 2.28b.

Enkele kenmerkende verschillen met de eisen voor trappen voor bestaande bouw
De voorschriften die gelden voor een trap in bestaande bouwwerken wijken op diverse aspecten af van de voorschriften voor nieuw te bouwen bouwwerken. Zo wordt er geen onderscheid gemaakt in kolom A en B; tevens zijn de voorschriften voor woonfuncties en andere gebruiksfuncties nagenoeg gelijk. Evenals voor nieuw te bouwen bouwwerken geeft het Bouwbesluit voorschriften t.a.v. de volgende aspecten:

  • artikel 2.33: functionele eis waarin de doelstelling van het voorschrift is weergegeven;
  • artikel 2.34: eisen m.b.t. de afmetingen van een trap;
  • artikel 2.35: eisen m.b.t. trapbordessen;
  • artikel 2.36: eisen m.b.t. trapafscheidingen;
  • artikel 2.37: eisen m.b.t. leuningen.

Er worden, in afwijking van de nieuwbouwvoorschriften, geen voorschriften gegeven voor de regenwerendheid.

Afmetingen van de trap (artikel 2.34)

Figuur 1. Optrede, aantrede, breedte tredevlak, klimlijn.


Figuur 2. Aantrede, breedte tredevlak, klimlijn.


Figuur 3. Aantrede, breedte tredevlak ter plaatse van klimlijn, breedte trap, klimlijn.

Voor trappen in bestaande bouwwerken gelden de volgende afmetingseisen (Tabel 2), waarbij ten opzichte van de voorschriften voor nieuw te bouwen bouwwerken aanzienlijke verschillen kunnen worden geconstateerd:

Tabel 2. De maten zijn opgegeven in meters.
Afmetingen van een trap
Minimum breedte van de trap 0,7
Minimum vrije hoogte boven de trap 1,9
Minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede 0,13
Maximum hoogte van een optrede 0,22
Minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap 0,2
Minimum vrije vloeroppervlakte trapbordes (artikel 2.35) 0,7 x 0,7

Aanwezigheid van een trapafscheiding (artikel 2.36)
Om te voorkomen dat mensen van de zijkant van een trap vallen worden voorschriften gegeven voor de aanwezigheid en uitvoering van een trapafscheiding:
- Indien de zijkant van een tredevlak > 1,5 m boven een direct naast de trap gelegen vloer ligt, moet die zijde worden voorzien van een afscheiding (artikel 2.36 lid 1); een trap waarmede een beperkt hoogteverschil (< 1,5 m) wordt overbrugd, behoeft doorgaans dus niet te worden voorzien van een trapafscheiding;
- De hoogte van de trapafscheiding moet minimaal 0,6 m ten opzichte van de voorkant van een tredevlak zijn gelegen. De horizontale afstand tussen de vloerafscheiding en de trap mag maximaal 0,05 m zijn (artikel 2.36 lid 1);
- Een afscheiding heeft in een woonfunctie tot een hoogte van 0,6 m boven een tredevlak geen openingen met een breedte > 0,2 m (art. 2.36 lid 2). In een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen onder de 4 jaar moet een breedtemaat worden aangehouden van maximaal 0,1 m.
Aanwezigheid van een leuning (artikel 2.37)

Een trap waarvan ter plaatse van de klimlijn de helling > 2:3 is en waarmede een hoogteverschil > 1,5 m wordt overbrugd, heeft aan ten minste één zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt op een hoogte > 0,6 m en < 1 m boven de voorkant van een tredevlak (art. 2.37).

ACHTERGROND

In geval van hoogteverschillen tussen vloeren of tussen een vloer en het aansluitende terrein kunnen gebruikers van een bouwwerk letsel oplopen doordat zij vallen of zich stoten. Daarom wordt in het Bouwbesluit voorgeschreven dat, afhankelijk van de ruimten waartussen het hoogteverschil moet worden overbrugd en de grootte van het hoogteverschil, een trap moet worden voorzien. Om te verzekeren dat gebruikers op veilige wijze van een voorgeschreven trap gebruik kunnen maken, worden in het Bouwbesluit eisen gesteld aan afmetingen en onderdelen van de trap.

AANDACHTSPUNTEN

  • In tabel 2.28 (nieuwbouw) is in de laatste 5 kolommen (bezettingsgraadklassen) een aantal keren 'n.t.' aangegeven (bijvoorbeeld bij bezettingsgraadklasse B5 bij een kantoorfunctie). Dit betekent dat bezettingsgraadklasse B5 bij een kantoorfunctie niet is toegestaan.
  • Bij het bepalen van de trapafmetingen moet ook rekening worden gehouden met artikel 2.173 van Bouwbesluit 2003 waarin wordt aangegeven dat een ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, een opvangcapaciteit en doorstroomcapaciteit heeft, die voldoet aan de bij ministeriële regeling gegeven voorschriften. Een trap maakt vaak deel uit van een rookvrije vluchtroute. Het is mogelijk dat uit een berekening van de opvang- en doorstroomcapaciteit blijkt dat een trap een grotere breedte moet hebben dan op grond van kolom B van tabel 2.28b is vereist.
  • Een op grond van artikel 2.24 vereiste trap moet een vaste trap zijn. Dit betekent dat in een situatie waarin een trap is vereist dit geen roltrap mag zijn en dat de roltrap niet hoeft te voldoen aan de voorschriften van een trap.
  • Voor het bepalen van de breedte van de trap mogen de leuning en de trapboom buiten beschouwing blijven. Een spil (waarin bijvoorbeeld de traptreden zijn opgelegd) of een trappaal mag echter niet buiten beschouwing blijven.

OVERIGE INFORMATIE

  • Nota van toelichting bij Bouwbesluit 2003
  • Praktijkboek Bouwbesluit 2003
SBR, prettig kennis te maken.