Infoblad 241 - Welke geveldelen moeten inbraakwerend zijn?

Aan de hand van het Bouwbesluit bepalen welke geveldelen inbraakwerend moeten zijn. Ter oplossing van dit probleem dienen vier stappen te worden gezet, die kunnen worden onderverdeeld in twee fasen.

FASE A. OPZOEKEN VAN DE TOEPASSELIJKE VOORSCHRIFTEN (STAP 1 T/M 3)

1. De relevante afdeling (van het Bouwbesluit) opzoeken
De voorschriften voor inbraakwerendheid zijn gegeven in afdeling 2.25 van het Bouwbesluit: 'inbraakwerendheid'. Aangezien afdeling 2.25 niet is onderverdeeld in paragrafen zijn alleen voorschriften voor nieuwbouw gegeven: in de artikelen 2.214 en 2.215.

2. Aan de hand van de tabel in de paragraaf de relevante (sub-)gebruiksfunctie(s) selecteren
In tabel 2.214 zijn voor een woonfunctie twee sub-gebruiksfuncties aangegeven:

  • 1a: woonfunctie van een woonwagen;
  • 1b: andere woonfunctie.

Alleen voor de 'andere woonfunctie' (alle soorten woonfuncties, behalve de woonfunctie van een woonwagen) zijn voorschriften aangewezen. In algemene termen betekent dit dat de voorschriften zowel van toepassing zijn op een eengezinswoning als op appartementen (woonfunctie gelegen in een woongebouw) en op het woongedeelte van een bejaardenhuis (woning met een gebruiksoppervlakte groter dan 500 m2).

3. Aan de hand van de tabel in de paragraaf het relevante voorschrift selecteren
Uit tabel 2.214 (bij artikel 2.214) kan worden afgelezen dat voor wat betreft de voorschriften inzake de inbraakwerendheid artikel 2.215 van toepassing is.

Fase B. Toepassing van de voorschriften (stap 4)

Nu het voorschrift (art. 2.215) in drie stappen is gevonden, moet dit voorschrift worden toegepast. Als volgt:
4. Aan de hand van het geselecteerde voorschrift (stap 3) vaststellen welke geveldelen inbraakwerend moeten zijn

Hieronder volgt eerst de tekst van artikel 2.215. Vervolgens wordt het voorschrift stapsgewijs uitgelegd.

Artikel 2.215 "Deuren, ramen, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructie-onderdelen in een uitwendige scheidingsconstructie van een niet-gemeenschappelijke ruimte, die volgens NEN 5087 bereikbaar zijn voor inbraak, hebben een volgens NEN 5096 bepaalde inbraakwerendheid die voldoet aan de in die norm aangegeven weerstandsklasse 2. Dit geldt ook voor een inwendige scheidingsconstructie tussen een niet-gemeenschappelijke ruimte en een aangrenzende gebruiksfunctie of een aangrenzende gemeenschappelijke ruimte".


Uit artikel 2.215 kan het volgende worden geconcludeerd:
a. Voorschriften gelden voor deuren, ramen, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructie-onderdelen in een uitwendige scheidingsconstructie (bijvoorbeeld borstweringspanelen) van een niet-gemeenschappelijke ruimte;
b. Voorschriften gelden eveneens voor een inwendige scheidingsconstructie tussen een niet-gemeenschappelijke ruimte en een aangrenzende gebruiksfunctie of een gemeenschappelijke ruimte;
c. Voorschriften gelden alleen voor die constructie-onderdelen die volgens NEN 5087 bereikbaar zijn voor inbraak;
d. Alleen die constructie-onderdelen waarvoor de voornoemde voorschriften gelden, moeten voldoen aan inbraakwerendheidsklasse 2 volgens NEN 5096.

a. Voorschriften gelden voor deuren, ramen, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructie-onderdelen in een uitwendige scheidingsconstructie van een niet-gemeenschappelijke ruimte

De voorschriften voor inbraakwerendheid gelden voor constructie-onderdelen in de uitwendige scheidingsconstructie (bijvoorbeeld een gevel) van niet-gemeenschappelijke ruimten van een woonfunctie. Dat wil zeggen: de ruimten die door gebruikers van slechts één woonfunctie worden gebruikt. Voor een grondgebonden eengezinswoning betekent dit dat de voorschriften voor alle constructie-onderdelen in de gevel kunnen gelden (zie verder onderdeel 'c'). Voor een woongebouw betreft dit alleen de constructie-onderdelen van de afzonderlijke appartementen. Voor constructie-onderdelen in een uitwendige scheidingsconstructie van een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woongebouw (bijvoorbeeld een trappenhuis) gelden de voorschriften niet.

b.Voorschriften gelden eveneens voor een inwendige scheidingsconstructie tussen een niet-gemeenschappelijke ruimte en een aangrenzende gebruiksfunctie of een gemeenschappelijke ruimte

Naast de onder 'a' genoemde constructie-onderdelen in een uitwendige scheidingsconstructie gelden ook eisen voor de inbraakwerendheid tussen een niet-gemeenschappelijke ruimte van een woonfunctie en een aangrenzende gebruiksfunctie (bijvoorbeeld een garage of een kantoor aan huis) of een aangrenzende gemeenschappelijke verkeersruimte (bijvoorbeeld een trappenhuis of gemeenschappelijke zitgelegenheid).

c. Voorschriften gelden alleen voor die constructie-onderdelen die volgens NEN 5087 bereikbaar zijn voor inbraak

In onderdeel 'a' en 'b' is aangegeven voor welke constructie-onderdelen de voorschriften voor inbraakwerendheid van toepassing kunnen zijn. Of voor deze constructie-onderdelen werkelijk eisen gelden, is afhankelijk van hun bereikbaarheid volgens NEN 5087. In de toelichting wordt hierop verder ingegaan.

d. Alleen die constructie-onderdelen waarvoor de voornoemde voorschriften gelden moeten voldoen aan inbraakwerendheidsklasse 2 volgens NEN 5096.

In NEN 5096 is een bepalingsmethode opgenomen waarmee de inbraakwerendheidsklasse kan worden vastgesteld., zie de toelichting.

Toelichting
Bereikbaarheid volgens NEN 5087
Deuren, ramen, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructie-onderdelen moeten inbraakwerend zijn indien deze:
a. zich geheel of gedeeltelijk bevinden in een aan een 'horizontaal vlak voor bereikbaarheid' grenzende scheidingsconstructie van een woning, en
b. bereikbaar zijn, zoals schematisch staat in figuur 1. In deze figuur zijn de randvoorwaarden voor bereikbaarheid volgens NEN 5087 samengevat.
Ad. a: Volgens NEN 5087 is een 'horizontaal vlak voor bereikbaarheid': - Het aan een woning (ook een in een woongebouw gelegen woning) aansluitende terrein; - Een aan een scheidingsconstructie van een woning aansluitend vlak dat kan worden bereikt via een vaste trap, en - Een aan een woning grenzende ruimte die toegankelijk is vanaf het aansluitende terrein of vanuit een gemeenschappelijke verkeersruimte.
Ad. b: Bereikbaarheid

Figuur 1: bereikbaarheid Het aangegeven werkvlak van 0,6 m x 0,6 m is minimaal noodzakelijk om in praktische zin een inbraak te kunnen plegen. De aangegeven hoogtemaat van 3,5 m heeft ook betrekking op bijvoorbeeld luifels, afdakjes, balkons, aanbouwen, serredaken enz.Inbraakwerendheidsklasse volgens NEN 5096.

Indien een deur, raam, kozijn of daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel volgens het Bouwbesluit moet voldoen aan inbraakwerendheidsklasse 2, moet deze klasse worden bepaald volgens NEN 5096. In NEN 5096 zijn eisen opgenomen met betrekking tot:
- Beglazing en andere vakvulling; deze worden getest volgens de statische, dynamische en manuele beproeving;
- Hang- en sluitwerk; deze worden beproefd op afsluitbaarheid, corrosiebestendigheid en inbraakvertragende eigenschappen van cilinders;
- Mechanische sterkte van het constructie-onderdeel; deze wordt getest volgens de statische, dynamische en manuele beproeving.
De statische beproeving vindt plaats door middel van een kracht van 20 kN loodrecht op het te beproeven constructieonderdeel. Na deze beproeving moeten beweegbare constructieonderdelen nog goed functioneren. De dynamische beproeving vindt plaats met een zandzakslingerproef. Deze beproeving is niet nodig voor de vakvullingen met isolerend dubbel glas (wel voor de bevestiging van dit glas). De manuele beproeving wordt uitgevoerd met behulp van een genormeerde gereedschapset. Hiermee mag binnen een bepaalde tijd geen bepaalde doorgangsopening kunnen worden verkregen. Deze manuele beproeving is eveneens niet nodig voor een vakvulling met isolerend dubbel glas.

ACHTERGROND

Het doel van de voorschriften met betrekking tot de inbraakwerendheid is het inbreken in een woning te bemoeilijken. De eisen richten zich op deuren, ramen, kozijnen en vergelijkbare gevelelementen, die bereikbaar zijn voor inbrekers.

AANDACHTSPUNTEN

  • Indien een aan een woning grenzende ruimte alleen tot die woning behoort (zoals een garage) kan er ook voor worden gekozen de constructie-onderdelen in de uitwendige scheidingsconstructie van deze aangrenzende ruimte (bijvoorbeeld de garagedeur) inbraakwerend uit te voeren. In dat geval is sprake van een gelijkwaardige oplossing en behoeft de inwendige scheidingsconstructie tussen woning en aangrenzende ruimte niet inbraakwerend te zijn.
  • Met het oog op het verder verminderen van risico en met het oog op de inboedelverzekering kan het verstandig zijn om ook in bijvoorbeeld bergruimten en garages inbraakwerende ramen en deuren te plaatsen.
  • Als het gewenst is om aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen te voldoen, kunnen - naast de eisen in het Bouwbesluit met betrekking tot inbraakwerendheid - nog aanvullende maatregelen nodig zijn.

OVERIGE INFORMATIE

  • Nota van toelichting bij Bouwbesluit 2003
  • Praktijkboek Bouwbesluit 2003
SBR, prettig kennis te maken.