Infoblad 244 - Welke voorschriften gelden voor tijdelijke bouwwerken?

Aan de hand van het Bouwbesluit vaststellen aan welke voorschriften een tijdelijk bouwwerk moet voldoen.

OPLOSSINGSRICHTINGEN

Oriëntatie op de voorschriften omtrent een tijdelijk bouwwerk

In § 1.6, artikel 1.13 van het Bouwbesluit is aangegeven aan welke voorschriften van het Bouwbesluit een niet-permanent bouwwerk moet voldoen. Artikel 1.13 luidt als volgt:
Lid 1 Een te bouwen niet-permanent bouwwerk voldoet ten minste aan de voorschriften met betrekking tot de staat van een bestaand bouwwerk. Het voldoet bovendien aan de voorschriften met betrekking tot een te bouwen bouwwerk, voor zover dat met betrekking tot die voorschriften is aangegeven.
Lid 2 Een bestaand niet-permanent bouwwerk voldoet ten minste aan de voorschriften met betrekking tot de staat van een bestaand bouwwerk.
Lid 3 Een niet-permanent bouwwerk voldoet bij verplaatsing ten minste aan de voorschriften met betrekking tot een bestaand bouwwerk.
Lid 4 Een woonwagen voldoet bij herplaatsing ten minste aan de voorschriften met betrekking tot een bestaande woonwagen. Uit het bovenstaande blijkt dat er onderscheid wordt gemaakt tussen:

  • Een nieuw te bouwen tijdelijk bouwwerk: dit bouwwerk moet tenminste voldoen aan de voorschriften met betrekking tot de staat van een bestaand bouwwerk. het kan echter voorkomen dat er in het Bouwbesluit nadrukkelijk is aangegeven dat deze bouwwerken voor bepaalde onderdelen moeten voldoen aan de voorschriften met betrekking tot een te bouwen bouwwerk (nieuwbouwvoorschriften) of aan een niveau dat lager is dan voor nieuwbouw geldt, doch hoger dan voor bestaande bouw.
  • Een al dan niet te verplaatsen bestaand tijdelijk bouwwerk: dit bouwwerk moet ten minste voldoen aan de voorschriften met betrekking tot de staat van een bestaand bouwwerk.
  • Hoe moet het Bouwbesluit gelezen worden

    Voor een te bouwen tijdelijk bouwwerk moeten zowel de nieuwbouwvoorschriften als de voorschriften met betrekking tot de staat van een bestaand gebouw geraadpleegd worden. Allereerst moet er worden nagegaan of er voor een onderdeel bij de nieuwbouwvoorschriften iets is bepaald met betrekking tot een niet-permanent bouwwerk. Deze bepalingen zijn te vinden in het laatste artikel van de nieuwbouwvoorschriften onder het kopje 'tijdelijke bouw'. In de aansturingstabel is te lezen welk gedeelte van dit artikel van toepassing is voor een bepaalde gebruiksfunctie. In dit artikel is veelal geregeld dat bepaalde onderdelen van de nieuwbouwvoorschriften overeenkomstig van toepassing zijn op een niet-permanent bouwwerk. Soms is hierbij aangegeven dat de in de nieuwbouwvoorschriften aangegeven waarde verlaagd mag worden tot de in het betreffende artikel aangegeven niveau. Nadat het bouwplan is getoetst aan de nieuwbouwvoorschriften moet worden nagegaan of er nog onderdelen van de voorschriften met betrekking tot de staat van een bestaand bouwwerk van toepassing zijn. Een al dan niet te verplaatsen bestaand tijdelijk bouwwerk behoeft alleen te worden getoetst aan de voorschriften met betrekking tot de staat van een bestaand bouwwerk.

    Voorbeelden

    Hieronder is een aantal situaties beschreven, waarin niet-permanente bouwwerken een centrale rol spelen. Hierbij is voor een aantal onderdelen aangegeven op welke wijze de voorschriften van het Bouwbesluit gehanteerd moeten worden.

    Voorbeeld 1
    Situatieomschrijving
    In een gemeente wordt een groot aantal woningen volledig gerenoveerd. Het renovatieproject zal circa twee jaar in beslag nemen. Om te voorzien in de tijdelijke huisvesting van de huidige bewoners worden er op een andere locatie in de gemeente noodwoningen gebouwd. De noodwoningen bestaan uit twee woonlagen. Op beide woonlagen zijn verblijfsruimten aanwezig. Nadat het renovatieproject is afgerond zullen de noodwoningen worden gesloopt. Voorschriften Bouwbesluit Hieronder is voor een aantal onderdelen aangegeven aan welke voorschriften van het Bouwbesluit de hierboven beschreven noodwoningen moeten voldoen. De volgende onderdelen zijn nader uitgewerkt:
    a) Vloerafscheiding;
    b) Karakteristieke geluidwering ten gevolge van industrie-, weg- of verkeerslawaai;
    c) Thermische isolatie van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied en de warmtedoorgangscoëfficiënt van de ramen, deuren en kozijnen;
    d) Energieprestatiecoëfficiënt.

    Uitwerking

    ad a) Vloerafscheiding Bij de nieuwbouwvoorschriften van het onderdeel 'vloerafscheiding' (zie afdeling 2.3., § 2.3.1.) is niets bepaald omtrent tijdelijke bouw. Dit betekent dat voor dit onderdeel de voorschriften met betrekking tot de staat van een bestaand bouwwerk van toepassing zijn (zie § 2.3.2., artikel 2.19 t/m 2.22).

    ad b) Karakteristieke geluidwering ten gevolge van industrie-, weg of verkeerslawaai Bij de nieuwbouwvoorschriften van het onderdeel 'bescherming tegen geluid van buiten, nieuwbouw' (zie afdeling 3.1) is in artikel 3.5 lid 1, onder het kopje 'tijdelijke bouw' bepaald dat voor het bouwen van een niet-permanent bouwwerk het bepaalde in artikel 3.2 overeenkomstig van toepassing is. Hierbij is tevens bepaald dat het in artikel 3.2 aangegeven geluidsniveau 10 dB(A) hoger mag liggen. Wat betreft dit onderdeel zijn er geen afzonderlijke voorschriften voor bestaande bouwwerken in het Bouwbesluit opgenomen. Dit betekent dat voor dit onderdeel uitsluitend het bepaalde in de artikelen 3.2 en 3.5 lid 1 van toepassing is op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk. Verder blijkt uit de bij deze artikelen behorende aansturingtabel dat voor de sub-gebruiksfunctie 'andere woonfunctie' alleen de leden 1, 4, 5 en 6 van artikel 3.2 van toepassing zijn. Hieronder zal uitsluitend worden ingegaan op de wijze waarop het bepaalde in artikel 3.2, lid 1 gelezen moet worden. De wijze waarop de overige leden van dit artikel gelezen moet worden spreekt dan voor zich. In artikel 3.2, lid 1 is het volgende bepaald: "Een uitwendige scheidingsconstructie van een gebruiksfunctie die gevoelig is voor industrie-, weg- of railverkeerslawaai, die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied en de buitenlucht, heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering, die niet kleiner is dan het verschil tussen de volgens de Wet geluidhinder bepaalde geluidsbelasting van die scheidingsconstructie en de grenswaarde voor het geluidsniveau in het verblijfsgebied als aangegeven in tabel 3.1, met een minimum van 20 dB(A)." Uit deze bepaling blijkt dat de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie niet kleiner mag zijn dan het verschil tussen de maximaal toelaatbare geluidbelasting van de scheidingsconstructie en de grenswaarde voor het geluidsniveau in het verblijfsgebied, te weten 35 dB(A), zoals aangegeven in de aansturingtabel 3.1. De karakteristieke geluidwering mag niet minder dan 20 dB(A) bedragen. In artikel 3.5 lid 1 van het Bouwbesluit is bepaald dat er bij de beoordeling van een tijdelijk bouwwerk vanuit gegaan mag worden dat het in artikel 3.2 aangegeven geluidsniveau 10 dB(A) hoger mag liggen. In artikel 3.2 lid 1 is uitsluitend iets bepaald omtrent de grenswaarde van het geluidsniveau in het verblijfsgebied. In plaats van 35 dB(A) mag hiervoor 45 dB(A) gelezen worden. Na toepassing van de verlaging blijkt dat de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van een te bouwen tijdelijk bouwwerk niet kleiner mag zijn dan het verschil tussen de maximaal toelaatbare geluidsbelasting van de scheidingsconstructie en de grenswaarde voor het geluidsniveau in het verblijfsgebied, te weten 45 dB(A). De karakteristieke geluidwering mag in dat geval niet minder dan 10 dB(A) bedragen en zal in de praktijk niet meer van belang zijn.

    ad c) Thermische isolatie van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied en de warmtedoorgangscoëfficiënt van de ramen, deuren en kozijnen Bij de nieuwbouwvoorschriften van het onderdeel 'thermische isolatie, nieuwbouw' (zie afdeling 5.1) is in artikel 5.7, onder het kopje 'tijdelijke bouw' bepaald dat voor het bouwen van een niet permanent bouwwerk het bepaalde in artikel 5.2 overeenkomstig van toepassing is. Hierbij is tevens bepaald dat de in artikel 5.2 aangegeven warmteweerstand minimaal 1,3 m2.K/W bedraagt. Ook is in artikel 5.7 aangegeven dat er voor ramen, deuren, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructieonderdelen geen voorschrift geldt voor de warmtedoorgangscoëfficiënt. Wat betreft dit onderdeel zijn er geen afzonderlijke voorschriften voor bestaande bouwwerken in het Bouwbesluit opgenomen. Dit betekent dat voor dit onderdeel uitsluitend het in artikelen 5.2 en 5.7 bepaalde van toepassing is op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk. Verder blijkt uit de bij deze artikelen behorende aansturingtabel dat voor de sub-gebruiksfunctie 'andere woonfunctie' alleen de leden 1, 2 en 3 van artikel 5.2 van toepassing zijn. We beperken ons hier tot de voorschriften met betrekking tot de thermische isolatie van de scheidingsconstructie van een verblijfsgebied en de warmtedoorgangscoëfficiënt van de ramen, deuren en kozijnen. Wat betreft de thermische isolatiewaarde van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied is het bepaalde in artikel 5.2, lid 1 maatgevend. In lid 1 is bepaald dat de warmteweerstand minimaal 2,5 m2.K/W moet bedragen. Echter in artikel 5.7 is aangegeven dat voor het bouwen van een tijdelijk bouwwerk mag worden uitgegaan van een warmteweerstand van 1,3 m2.K/W. Deze laatste genoemde waarde is dus van toepassing. Wat betreft de warmtedoorgangscoëfficiënt van ramen, deuren en kozijnen is in artikel 5.7 bepaald dat hiervoor geen eis geldt.

    ad d)Energieprestatiecoëfficiënt Bij de nieuwbouwvoorschriften van het onderdeel 'energieprestatie, nieuwbouw' (zie afdeling 5.3) is niets bepaald omtrent tijdelijke bouw. Ook zijn er voor dit onderdeel geen voorschriften met betrekking tot de staat van een bestaand bouwwerk. Één en ander betekent dat een te bouwen tijdelijk bouwwerk niet aan een energieprestatie-eis hoeft te voldoen.

    Voorbeeld 2
    Situatieomschrijving
    Een fabrikant van units krijgt opdracht om, voor de duur van 11/2 jaar, een bouwkeet te plaatsen op een bouwterrein in een gemeente. De unit zal gebruikt gaan worden als kantoorruimte voor de uitvoerder. De fabrikant heeft besloten om een bestaande unit (die voldoet aan de voorschriften voor bestaande bouw van Bouwbesluit 2003), die tot dat moment als kantoorruimte werd gebruikt op een bouwterrein in een andere gemeente, te verplaatsen. Deze unit kan zonder verbouwing in gebruik worden genomen.

    Voorschriften Bouwbesluit
    Zonder verder inhoudelijk in te gaan op de voorschriften van het bouwbesluit kan het volgende worden opgemerkt. In artikel 1.13 van het Bouwbesluit is onder het tweede- en het derde gedachtestreepje het volgende bepaald.
    Lid 2 Een bestaand niet-permanent bouwwerk voldoet ten minste aan de voorschriften met betrekking tot de staat van een bestaand bouwwerk.
    Lid 3 Een niet-permanent bouwwerk voldoet bij verplaatsing ten minste aan de voorschriften met betrekking tot een bestaand bouwwerk. Uit het bovenstaande blijkt dat voor alle, al dan niet te verplaatsen, bestaande niet-permanente bouwwerken de voorschriften met betrekking tot de staat van een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.

    ACHTERGROND

    Bij een grootschalige verbouwing van een gebouw is er veelal behoefte om de functies, die in het betreffende gebouw aanwezig waren, gedurende de verbouwingsperiode onder te brengen in tijdelijke bouwwerken.

    Hierbij kan worden gedacht aan een verbouwing en/of herstructurering van een winkelcentrum. De winkels die gedurende de verbouwingswerkzaamheden niet in het winkelcentrum kunnen blijven, zullen vaak op korte afstand van dat winkelcentrum worden ondergebracht in noodwinkels. Vaak worden voor deze noodwinkels standaard-units gebruikt van een fabrikant. Het kan echter ook zo zijn dat er voor de betreffende winkels tijdelijk iets geheel nieuws wordt gebouwd.

    Een tijdelijk (of niet-permanent) bouwwerk is een bouwwerk als bedoeld in artikel 45 van de Woningwet. Een tijdelijk bouwwerk heeft over het algemeen een instandhoudingstermijn van maximaal 5 jaar. In de praktijk biedt een bestemmingsplan veelal geen ruimte voor het bouwen van tijdelijke bouwwerken. Een gemeente kan in dat geval, met toepassing van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, vrijstelling verlenen van een bestemmingsplan voor de duur van maximaal 5 jaar. Een verlenging van die termijn is niet mogelijk.

    OVERIGE INFORMATIE

    SBR, prettig kennis te maken.