De voorschriften genoemd onder A t/m D houden in principe in dat zich in een inwendige brand- en/of rookscheiding geen ander beweegbaar constructieonderdeel mag bevinden dan een zelfsluitende deur. Deze eis wordt gesteld om te voorkomen dat de openingen een lek vormen in de brand- en/of rookscheiding. Beweegbare deuren, ramen, luiken en dergelijke, zijn dus in een inwendige brand/rookscheiding in principe niet toegestaan, omdat ze open kunnen staan wanneer er een brand is. Als uitzondering op dit principe zijn zelfsluitende deuren wel toegestaan. In uitwendige scheidingsconstructies (gevels), mogen zich wel beweegbare constructieonderdelen bevinden. Het open staan van een raam of deur in de gevel heeft in de meeste gevallen geen grote invloed op de weerstand tegen brandoverslag.
Op grond van de onder A, C en D bedoelde voorschriften gelden de bovengenoemde eisen voor alle gebruiksfuncties, uitgezonderd woonwagens en ‘bouwwerken geen gebouw zijnde’. Het gaat om elke scheiding tussen twee brandcompartimenten (A), voor elke scheiding tussen een rookcompartiment en een besloten ruimte in het brandcompartiment (C) en voor elke scheiding tussen twee rookvrije vluchtroutes (D).
Op grond van de onder B bedoelde voorschriften gelden de bovengenoemde eisen ook voor elke scheiding van een subbrandcompartiment van:
- een gedeelte voor het slapen in een gebruiksfunctie voor kinderopvang;
- een gedeelte voor bedlegerige patiënten in een gezondheidszorgfunctie, en;
- voor een logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw (hotelkamerdeur).
De eisen gelden dus niet voor de toegangsdeur van een appartement in een woongebouw (tenzij de deur ligt in de scheiding van een brandcompartiment of rookcompartiment).

Figuur 2.
WoongebouwenHet niet zelfsluitend zijn van de toegangsdeur van een appartement vormt een risico als in het appartement brand uitbreekt en vluchtende mensen van andere appartementen langs de uitslaande brand moeten vluchten. Toch is niet algemeen voorgeschreven dat deze deur zelfsluitend is omdat ervan wordt uitgegaan dat een bewoner de deur uit zichzelf gesloten houdt, met het oog op privacy en inbraakveiligheid. In de regel wordt in woongebouwen een hele verdieping als brandcompartiment aangemerkt. Deuren in gemeenschappelijke verkeersruimten die de verdiepingen van elkaar scheiden moeten daarom hoe dan ook zelfsluitend zijn. Voor celverblijven is een zelfsluitende deur trouwens ook niet voorgeschreven.
De voorschriften genoemd onder E houden in dat een toegang van een woongebouw een zelfsluitende deur heeft die van buitenaf uitsluitend met een sleutel kan worden geopend. Het doel van deze eis is te voorkomen dat onbevoegden op eenvoudige wijze een woongebouw kunnen binnenkomen. Derhalve moet elke toegang van een woongebouw zijn voorzien van een deur die uit zichzelf in het slot valt, bijvoorbeeld door middel van een dranger. Dit dient ertoe om te voorkomen dat bewoners van de in het gebouw gelegen woningen die deur al te gemakkelijk laten openstaan. Deze eis geldt voor elke toegang van een woongebouw; ook voor de toegang van het woongebouw vanuit bijvoorbeeld de parkeergarage.
Het Gebruiksbesluit stelt eisen aan het brandveilig gebruik van bouwwerken. De voorschriften genoemd onder F en G houden in dat de, in het kader van brandveiligheid, door het Bouwbesluit voorgeschreven zelfsluitende deuren (onder A t/m D) niet in geopende stand mogen zijn vastgezet, tenzij de deur bij brand automatisch wordt losgelaten.